Bevrijd in Ten Boer, een vorm van vervreemding

02-1945 tot 06-1945, Ten Boer

In februari/maart 1945 werden mijn tweelingzusje Ina en ik (bijna acht jaar) met een kindertransport vanuit Amsterdam naar Ten Boer gestuurd.

Story Archive

Drie dagen duurde de tocht met boot en vrachtauto’s. Het was vooral de vrees voor besmettelijke ziekten die mijn ouders tot hun beslissing bracht. Voor hen was het een vreselijk moeilijke stap, maar mij zou het naar het hoogtepunt van mijn kindertijd brengen.

Ik kwam bij kleermaker Van Bruggen en Ina bij het buurgezin Vegter. We trokken op met de kinderen Vegter en hoefden niet naar school. Meestal speelden we buiten, op het land van boer Swierenga bijvoorbeeld of tussen de hooibalen in diens schuur. Van heimwee was geen sprake, we voelden ons helemaal thuis in Ten Boer.

Ina sprak binnen de kortste keren plat Gronings. Ik wilde dat niet omdat m’n moeder me dan niet meer zou verstaan. Heel trouwhartig, maar voor ik het wist had ik toch een fors Gronings accent!

De oorlog liep op z’n eind en het geweld kwam onze kant op. Vanuit huis zag je Groningen branden en door het dorp trokken stoeten sjofele Duitsers noordwaards. Op 17 april bereikten de Canadezen Ten Boer. Enkele huizen van waaruit was geschoten, werden met vlammenwerpers in brand gezet.

De Duitsers vluchtten en wij waren vrij! Iedereen ging de bevrijders bekijken. Wij hingen hele dagen rond bij plekken waar Canadezen lagen. In steenkolenengels bietsten we ‘sjoklat’, ‘wrikli’ (kauwgum) en ‘sigarets’. Dat laatste ging vergezeld met 'voor m’n vader', maar we rookten ze mooi zelf op! Na een paar weken begon de school weer. Maar voor Ina en mij was er geen school, wij bleven vrij.

Toen, op een dag, zat m’n moeder bij Van Bruggen! Maar was dat wel m’n moeder? Ze praatte zo deftig. Maar ze was het echt en ze vertelde van haar reis. Toen Amsterdam bevrijd was, hadden mijn ouders de eerste de beste mogelijkheid aangegrepen ons op te halen: de boot naar Kampen.

Bij aankomst werd iedereen geïnterneerd. Het stikte aan boord van voortvluchtig gespuis. Er volgden verhoren en met ‘verdachten’ werd weinig zachtzinnig omgesprongen. Na een paar dagen was duidelijk dat mijn ouders niet ‘fout’ waren en mochten ze weg. Mijn vader ging terug, hij moest werken, mijn moeder reisde verder en bereikte eindelijk haar argwanende kinderen.

Omdat reizen nog zo lastig was, werd besloten dat ze alleen terug zou keren naar Amsterdam. Mijn vader zou ons later komen ophalen. Hij kwam begin juni en met z’n drieën gingen we liftend op weg. We sliepen eerst op het politiebureau in Groningen en bereikten tenslotte Amsterdam. Terug, na drie paradijselijke maanden! Ik zag mijn Amsterdamse vriendjes weer, die vonden dat ik raar praatte.

Het accent was snel verdwenen, maar de heimwee naar Groningen ging minder vlug over. Nog heel lang droomde ik geregeld van Ten Boer. Dan zei ik ’s morgens: 'Ik heb toch weer zó fijn gedroomd, ik was terug in Groningen!' Dat is m’n ouders misschien zwaar gevallen, maar ze hadden nooit commentaar. Het blije gevoel bij het woord ‘Groningen’ is nooit meer echt over gegaan.