Zojuist is bekend geworden dat een pantserspits van de Canadezen het eigenlijke leger ver voorbij is getrokken en op dat ogenblik voor Mildam ligt, dicht bij Heerenveen. Koeriersters hebben Mildam bereikt en hebben voor Jelke belangrijk nieuws meegebracht. De Canadezen aldaar hebben dringend behoefte aan manschappen. De spits is niet zo sterk. Ieder ogenblik kunnen de moffen aanvallen en het leger zit nog 70 km achter hen.
Jelke heeft er met zijn mannen over gesproken. Ze zijn het erover eens dat ze de Canadezen moeten helpen.’s Middags zijn de koeriersters teruggegaan om te zeggen dat die nacht 80 mannen proberen om door de Duitse linies heen Mildam te bereiken.
Een week hebben ze op de boerderij gezeten; overdag gaven Engelse instructeurs hen les hoe ze met de wapens moesten omgaan en ’s nachts gingen ze saboteren. Maar wat ze nu gaan doen is het echte werk. Als ze eenmaal bij de Canadezen zijn, dan kunnen ze daadwerkelijk meehelpen aan de bevrijding.
‘Jongens’, zegt Jelke, ‘jullie kunt nu nog terug, wie het niet aandurft, mag nu vertrekken. Bedenk heel goed welk gevaar hieraan verbonden is.’ De mannen maken zich klaar voor de tocht. Twee verdwijnen door de schuurdeur.
Om 10 uur is het zover. Zwaarbewapend, hun instructies precies kennend, staan de mannen klaar. Ze weten waar het om gaat en zijn bereid zich tot het uiterste te verdedigen. Het is prachtig weer, de sterren schitteren aan de hemel. Eigenlijk niet geschikt om een doorbraak te maken, maar het moet.
De mannen schuifelen vooruit naar hun eerste doel de Tjonger. Ze zoeken hun weg langs allerlei bospaadjes en binnenweggetjes. Het gaat uiterst behoedzaam want de moffenpatrouilles doorkruisen deze streek aan alle kanten. Eindelijk komt de Tjonger toch in zicht. Het donkere water klotst zachtjes tegen de oever. Jelke tuurt scherp naar de overkant en laat drie keer een fluitsignaal horen. Onmiddellijk klinkt van de andere kant een sein terug.
‘OK jongens,’ zegt Jelke, ‘hij zal zo wel komen.’ De mannen turen over het water en zien even later een grote hooipraam zachtjes naderen. De praam schuurt langs de kant en een deel van de groep stapt in. Dit is al een gevaarlijke onderneming op zichzelf. Hun silhouetten steken donker af tegen de nachtelijke hemel. Drie keer moet het oude boertje varen, dan zijn ze over. Verder gaan ze weer, richting de spoorlijn Heerenveen-Zwolle. Onderweg vragen ze hulp bij een boerderij. Ze weten de richting niet goed en ze willen de posities van de moffen bij de spoorlijn weten. De boer durft niet naar buiten te komen, maar dan worden de mannen kwaad. Ze bombarderen de deur met geweren en stenguns en nu verschijnt hij al gauw om deze bruten de weg te wijzen. Na veel moeite krijgen ze uit hem hoe en waar de moffen om de spoorbaan liggen.
Na rakelings een Duitse mitrailleurspost te zijn gepasseerd, komen ze niets meer tegen. De hindernis wordt vlot genomen. Nu komen ze in de ontginning, een moeilijk begaanbaar terrein waar de mannen zich met hun geweren een weg door het kreupelhout moeten banen.
De takken van het lage geboomte zwiepen hen in ’t gezicht, af en toe struikelt er een over een boomstronk. Dan is er een drassig stuk land of een slootje, waar ze tot hun middel inzakken. Als ze tenslotte de straatweg bereiken zijn de mannen al doodop door dit onbegaanbare terrein.
Opeens staat Jelke stil. Hij hoort in de verte geratel van karren. Zijn mannen horen het nu ook. Dit moeten moffen zijn en ze wachten hen op. Het geratel komt naderbij en de mannen zien vier karren met een stuk of wat moffen. Een Feldwebel loopt voorop om de weg te verkennen en hij kijkt speurend naar alle kanten. Jelke geeft een teken en onverhoeds wordt de mof van alle kanten aangevallen en overmeesterd. De andere moffen zijn te laat gealarmeerd. Spoedig zijn de BS-ers de situatie meester. Ze worden ontwapend en Jelke geeft het bevel dat 10 man de karren in veiligheid moeten brengen.
De anderen gaan met Jelke verder. Met hem voorop kruipen ze achter elkaar de straatweg over en zijn op de binnenweg naar Mildam. Jelke roept zijn mannen voor het laatst bij elkaar: ‘dit is het zwaarste deel jongens,’ zegt hij, ‘nu komt het erop aan. Als de moffen ons niet horen en onze bondgenoten ons niet beschieten worden, hebben we geluk. We zullen hard moeten zingen, dan weten de Canadezen dat we geen spionnen zijn’. Zingend ‘Oh dierbaar plekje grond‘ marcheren de mannen voorwaarts. Het zingen wordt sommigen te machtig. Ze naderen Mildam en ze hebben geluk. De Canadezen begrijpen het en komen aangesneld. Met tranen in hun ogen begroeten de BS-ers hun bondgenoten.