De Leeuw van Zeist

1945, Zeist

We woonden tijdens de oorlog in een spergebied in Zeist, bij het Duitse hoofdkwartier. Ons huis werd omringd door slagbomen en we waren het laatste gezin dat daar nog zat. Omdat we met acht kinderen waren, konden ze ons zo snel nergens anders plaatsen. Die Duitsers zaten er met hun neus bovenop, maar ze hadden geen idee wat er bij ons allemaal gaande was.

H. Lugtigheid en Arie Spiero met de Yad Vashem onderscheiding waarmee G. Lugtigheid postuum werd geëerd. Foto: Nieuwsbode Zeist

Schuin tegenover ons was een school die de Duitsers hadden gevorderd. Als jongetje van acht liep ik het beveiligde gebied gewoon in en uit. We speelden ook met de Duitse soldaten. Ik heb nooit te horen gekregen dat dat niet mocht. Mijn moeder wilde mij niet wijzer maken dan ik was, wel zo veilig. Eigenlijk heb ik me prima vermaakt.

Dat er opeens een tante Aaf bij ons boven op een kamer zat, nam ik gewoon voor lief. Dat ze meteen na de bevrijding verdween zonder ooit nog iets van zich te laten horen vind ik nu onvoorstelbaar. Toen ging het daar helemaal niet over.

En dan Arie, een lief kereltje van een jaar of twee. Hij maakte van de ene op de andere dag deel uit van ons gezin. Hij had eerst bruin en toen blond haar. Ik vond het doodgewoon. Mijn vader was dominee en kreeg op zijn verjaardag de hele kerkenraad over de vloer. Omdat daar ook mensen tussen zaten die hij niet vertrouwde, stuurde hij mijn zus en mij met Arie het bos in. Het dienstmeisje kwam ons dan later weer ophalen. Dat gebeurde regelmatig als we bezoek kregen. We hebben nog twee Duitse legerpredikanten ingekwartierd gehad. Die moeten geweten hebben dat tante Aaf en Arie Joden waren. Maar ze lieten hun christelijke moraal spreken en hebben ons niet verraden.

Mijn broer Cees deed soms spelletjes met Arie. Dan stopte hij hem pardoes in de hooikist die in de keuken stond om de pannen warm te houden, en ging er bovenop zitten. En toen mijn moeder met pleuris in bed lag, kwamen twee soldaten onverwacht huiszoeking doen. Arie kroop bij mijn moe-der onder de dekens en hield zich doodstil. Dat was onze redding.

Op Bevrijdingsdag hing de vlag het eerst uit bij het NSB-gezin schuin tegenover ons. Zij werden al snel opgehaald door de Binnenlandse Strijdkrachten. Ook weet ik nog dat de mensen de school binnen gingen zodra de Duitsers weg waren. Een gigantisch groot portret van Hitler ging het vuur in. Iedereen dromde naar het centrum waar Engelsen of Canadezen blikjes knakworst in het publiek gooiden. Het waren nog geen ritsratssluitingen maar die blikken werden op alle mogelijke manieren open gemaakt. Meer beelden heb ik er niet van.

En toen werd Arie opgehaald. Tante Aaf was al weg, maar Arie bleef na de bevrijding nog even bij ons. Tot er op een dag een jeep voor de deur stopte met een geallieerde soldaat. Het was een kennis van Aries ouders, die ergens anders ondergedoken hadden gezeten. Arie was rond de vijf jaar en het afscheid was hartverscheurend. Hij werd naar twee voor hem wildvreemde mensen gebracht met de mededeling 'dit zijn je ouders'. Na de oorlog kwam hij nog vaak bij ons logeren. Hij maakt tot op de dag van vandaag deel uit van onze familie. Hij heeft ervoor gezorgd dat mijn ouders vorig jaar postuum de Yad Vashem onderscheiding hebben gekregen.

De leeuw van Zeist, zo werd mijn vader genoemd. Hij schijnt samen met mijn moeder een grote rol te hebben gespeeld in het verzet. Onderduikers helpen aan veilige adressen, distributie van valse persoonsbewijzen en voedselbonnen. Ik heb me toen absoluut niet gerealiseerd dat mijn ouders constant in de rats zaten. Het gebeurde om mij heen. Maar net als de Duitsers die vlak bij ons woonden: ik zag het niet. Of beter gezegd: ik kon het niet plaatsen in de context van de verschrikkingen van de oorlog.