Het eten was slecht en werd slechter. In augustus waren de meeste oude mannen al overleden. We droegen ze dagelijks de poort uit op een bamboe draagbaar met een huifje eroverheen van gevlochten bamboe, hetzelfde materiaal waarmee ook het prikkeldraad rond het kamp was bekleed.
De oorlog was afgelopen. En nu? Waar waren de geallieerden? Een onbestemde, vreemde sfeer. Geruchten in overvloed. De Hei-ho (Indonesische hulptroepen van de Japanners) waren weg bij de poort. Af en toe zag je een Japanner. We konden eruit. Het plaatsje in, eten kopen of ruilen. ETEN! Ons werd afgeraden weg te gaan. Een heel stel jongens ging toch. Ze kwamen uit Soerabaja en wilden weer naar huis. We gingen met ze mee naar het station om ze ‘uit te wuiven’. Niet lang daarna waren er moordpartijen op grote schaal in Soerabaja.
Het gerucht ging al langer dat tegenover ons kamp aan de overkant van de alun-alun (brink) een vrouwenkamp was. Kijken! Een groot vrouwenkamp, kamp no.6, en daar kwam ik mijn moeder en een zusje tegen. Zij zaten er sinds een maand of twee. Mijn andere zusje bleek in hun vorige kamp overleden: dysentrie. Met andere grotere jongens bleef ik in kamp 6. We kregen een aparte barak, maar je zag meisjes van dichtbij. Spannend! Hoe je met ze om moest gaan? Allengs merkten we dat onze humor en gewoontes niet altijd op prijs werden gesteld… Ingewikkeld hoor.
Er kwam meer eten in het kamp. Af en toe kwam er een geallieerd vliegtuig over en parachuteerde pakketten met eten en medicijnen. Af en toe kwamen er mensen langs van het Rode Kruis, en journalisten. We moesten geduld hebben, zeiden ze. Tegelijkertijd werd de sfeer ‘buiten’ grimmiger. Er kwamen groepen Indonesische jongelui op straat met lappen om hun hoofd (kenden we al van de Japanners) die ‘leve de Republiek’ en ‘vrijheid’ schreeuwden, en ‘Indonesië voor de Indonesiërs’ (onder de Japanners was het: ‘Azië voor de Aziaten!’). Ze hadden steeds vaker stokken bij zich, speren, kapmessen.
We gingen nachtwacht lopen. Ook met een stok. We liepen alleen, elk langs een stuk van de omheining. Ik heb toen ervaren wat doodsangst is. Je huid zo duur mogelijk verkopen, hoe gaat dat? Ook leerde ik dat woede angst kan verdrijven.
In Semarang werden we gelegerd in een vóór de oorlog splinternieuw middelbare-school gebouw. Er kwam af en toe wat kleding. Ik was al tijden gewend om op blote voeten te lopen, of soms op een soort slippers. Maar we moesten weer leren op schoenen te lopen, zei men.
Mijn vader diende bij de Marine. Hij wist inmiddels dat zijn vrouw en twee kinderen in Semarang zaten en zodra hij huisvesting voor ons had kwamen we op een lijst voor luchttransport. In maart 1946 zaten we in een Britse Dakota op weg naar Batavia. We waren bevrijd. Maar het land om ons heen werd nog verscheurd door wat eigenlijk verschillende oorlogen tegelijk waren. Op de achtergrond de tragedie.