Ik heb geen bewuste herinneringen aan de oorlog omdat ik in december 1942 geboren ben en in mei 1945 dus tweeënhalf jaar was. Ik heb het een en ander in die jaren meegemaakt zonder me dat te herinneren en wat ik weet heb ik dus ‘van horen zeggen’: mijn moeder heeft me uiteraard wat verteld, maar ik heb ook veel verhalen van andere kinderen van vroegere NSB’ers gehoord en daaruit kunnen halen wat mogelijk ook op mijn situatie van toepassing is. Mijn levensverhaal bestaat wat de oorlog betreft uit weinig feitelijkheden, het is veel meer een psychologisch verhaal.
Ik ben geboren in Rotterdam als tweede dochter van een echtpaar waarvan de vrouw huisvrouw en moeder was en de man als scheepstekenaar de kost verdiende. Ons huis keek uit op het Feyenoordstadion, lag dus in Rotterdam-Zuid en was aan het bombardement van mei 1940 ontkomen. Mijn zusje was net voor de oorlog, in februari, geboren; mijn ouders waren toen bijna twee jaar getrouwd. Ik heb, vanaf het moment dat ik daar over na begon te denken, beseft dat mijn vader, die alles volgens planning deed, mij uiteraard nooit als kind in de oorlog gepland heeft. Pas enkele jaren voor haar overlijden heeft mijn moeder gezegd, dat ik een door mijn vader niet-gewenst kind was. Die onthulling schokte me niet, het bevestigde wat ik allang ‘wist’. Over haar eigen opvattingen liet ze zich zeer vaag uit en ik heb ook niet doorgevraagd. Het was op dat moment voor mij ook niet belangrijk meer.
Toen ik geboren werd zat mijn vader in zijn NSB-uniform op het voeteneinde van het bed. Ik ben in de schaduw van het hakenkruis geboren en ik heb me jarenlang afgevraagd hoe ik ooit onder die schaduw vandaan zou kunnen komen….
De wereld waarin ik geboren werd was een wereld waarin geweld, angst, spanning, verraad en wantrouwen aan de macht waren. Heeft een baby daar weet van? Ik heb ergens gelezen (maar ik weet niet meer waarin) dat uit recent onderzoek is gebleken dat de kinderen die 3 tot 6 maanden na de instorting van de Twin Towers geboren werden gemiddeld 48 gram minder wogen dan kinderen die voor die gebeurtenis geboren waren. De angsten en spanningen van de moeders hadden zich ‘vertaald’ in een minder geboortegewicht van hun kinderen. Hoeveel invloed hebben dan alle kinderen die tijdens de oorlog geboren zijn niet ondervonden van de spanning en onzekerheid waarin hun moeders gedurende de gehele zwangerschap leefden! Ik heb me vaak afgevraagd hoe het kwam dat ik heel rustig blijf als er gebeurtenissen in de wereld plaats vinden die iedereen schokken, zoals de Cubacrisis of de Golfoorlogen. Rondom me is iedereen gespannen, mensen zijn bang, er hangt dreiging in de lucht, precies zoals toen ik geboren werd. Die spanning is het eerste wat ik tijdens mijn leven hier op aarde gevoeld heb, en in crisissituaties kom ik a.h.w. ‘thuis’ in mijn allereerste gevoel, het gevoel dat ik het beste ken…en dus word ik, heel paradoxaal, rustig. Zo zijn mijn eerste herinneringen aan Rotterdam beelden van een stad in puin, en aan het strand in Wassenaar van een zee vol met palen en prikkeldraad. Toen de stad werd opgebouwd, toen die palen uit de zee werden gehaald, had ik daar ‘moeite’ mee, want zij veranderden mijn eerste beelden. Voor mij hoorden die palen in zee, ik dacht dat dat normaal was, ik had de zee immers nog nooit zonder gezien…
In september 1944 wilde mijn vader dat mijn moeder met mijn zusje en mij naar Duitsland zou vluchten met de speciale treinen die de NSB-leiders gecharterd hadden om de vrouwen en kinderen in veiligheid te brengen voordat de naderende Geallieerden represailles zouden kunnen nemen. Als jong meisje was mijn moeder wel eens met haar vader en zusje naar een conferentie van een jongerenvereniging in Duitsland geweest, maar zelfstandig reizen had ze in haar opvoeding niet geleerd. Nu moest ze ineens naar het buitenland met de opdracht van mijn vader niet naar een van de grote steden te gaan, zoals Hamburg of Hannover, maar naar het stadje Lüneburg. Ik weet uiteraard niets meer van die reis, maar toen ik door een treinstaking en een studentenprotest een keer op de terugweg van Parijs naar huis op het station van Brussel-Zuid strandde, raakte ik ongelooflijk in paniek toen een oude man mij met angstogen aankeek. Hij maakte in mij een ‘herinnering’ wakker aan stampvolle perrons, chaotische toestanden, wachten op een trein die misschien wel of niet zou komen, kortom de paniek van mijn moeder die ik als kind in me opgenomen heb. Toen ik veilig in de armen van mijn man die me in Roozendaal opwachtte kon uithuilen, legde ik zelf intuïtief die verbinding door te zeggen: ‘Het leek daar wel oorlog.’
De trein waarin we zaten stond regelmatig uren stil temidden van weilanden of bossen, de locomotief is verscheidene keren beschoten en ondertussen zaten al die vrouwen met hun kinderen in die treinen gepropt. Ik was nog een luierkind – hoe heeft mijn moeder de problemen die dat met zich meebracht opgelost ? Papieren luiers waren er nog niet, poepluiers weggooien kon ook niet, want luiers waren duur en hoe kwam je aan nieuwe, en dus zal ze ze wel ‘opgespaard’ hebben en ze toen de gelegenheid zich voordeed tenslotte gewassen hebben. Wat moet dat gestonken hebben en heeft ze die luiers ooit schoon kunnen krijgen? Gek genoeg heb ik mijn moeder naar dit soort praktische en feitelijke dingen nooit gevraagd; we hebben het samen uren over de oorlog gehad, maar vrijwel nooit over deze heel concrete zaken. Toen mijn kinderen klein waren ben ik me wel bewust geworden van wat ik als kind van anderhalf heb meegemaakt, maar toen mijn kleinkind zo oud was heb ik pas echt goed gezien hoe klein en afhankelijk een kind van anderhalf is. Ik heb steeds gedacht: je doet het zo’n kind toch niet aan om het de oorlog in te sturen, in een volgepakte trein, naar een onbekende bestemming, dagen onderweg en dan in een opvangkamp met een heleboel vreemde mensen….
We hebben met een zestigtal mensen op de zolder van een herberg in een klein dorpje in de buurt van Lüneburg, in Tangendorf, onderdak gevonden. Bij dat aantal waren een paar mannen die bij de radio hadden gewerkt; het overgrote deel van de 65.000 naar Duitsland geëvacueerde mensen waren vrouwen en kinderen. Mijn moeder had een hekel aan die lui en het verhaal over mijn opname in het ziekenhuis in Lüneburg kent twee varianten: de eerste luidt dat ik ernstig ziek was, waarschijnlijk dysenterie, en dat ik om te kunnen overleven naar het ziekenhuis moest worden gebracht; de tweede luidt, dat ik door mijn gedrag van verzet tegen de situatie in de vorm van gehuil, geschreeuw en krachtig uitgesproken ‘nee’s op de zenuwen werkte van die radiomensen. Zij vonden dat ik maar in een ziekenhuis moest worden opgenomen, dan kregen zij rust. Mijn moeder kon ‘zich niet meer herinneren’ of zij mij naar dat ziekenhuis heeft vergezeld, en of ze me een paar dagen later weer is komen ophalen; was het omdat ze zich schaamde vanwege de tweede versie, dat ze haar kind in de steek had gelaten omdat ze niet op kon tegen de heren van de NSB-omroep? Of wist ze het gewoon niet meer? Voor mij heeft het waarschijnlijk niet veel uitgemaakt of het nu de eerste of tweede variant was: ook als een klein kind in het ziekenhuis wordt opgenomen omdat het in levensgevaar verkeert, kan het niet snappen waarom zijn moeder hem in de steek laat: het ‘voor mijn bestwil’ is nog geen optie op een jonge leeftijd. Ik denk wel dat mijn verblijf bij mensen die een andere taal dan de mijne spraken (ik kon uiteraard zelf nog niet goed spreken) me onbewust de les geleerd heeft, dat ik hoe dan ook moest zien te voorkomen dat ik ooit weer eens in zo’n situatie zou belanden. Het enige wat ik daar aan kon doen was vreemde talen leren en die heb ik dan ook met veel toewijding geleerd; overigens ook met veel plezier.
In mei 1999 zijn mijn man en ik in Tangendorf op bezoek geweest. In het midden van het dorp stond een hotel, waarschijnlijk de vroegere herberg. Ik vroeg de mevrouw die ons bediende of een vroegere beheerder wellicht P.F. heette. ‘Dat was mijn grootvader’ zei ze. Toen heb ik haar uitgelegd dat ik als kind op de zolder had gezeten met andere vluchtelingen uit Nederland. Ze kende dit verhaal niet, maar haalde, heel aardig, voor ons foto’s van de herberg van toen en van haar grootvader. Toen werd het verleden heel erg reëel voor me. Later vonden we restanten van het voormalig perronnetje van het vroegere station. Hier moeten we uitgestapt zijn, hier is ook mijn vader uitgestapt toen hij ons is komen opzoeken (hoe kreeg hij ons daar gevonden en van wie had hij het geld voor die reis gekregen, van de partij?) In Lüneburg hebben we gezocht naar het ziekenhuis waar ik gelegen heb, maar dat was er niet meer. Enkele oude gebouwen die nu als kinderkliniek of verzorgingstehuis dienst doen zouden misschien vroeger het ziekenhuis geweest kunnen zijn. Ik kreeg op een brief om informatie die ik naar het huidige ziekenhuis schreef binnen drie dagen bericht: alle documenten ouder dan 30 jaar waren vernietigd.
Half februari 1945 zijn we, net als zoveel andere Nederlanders die in de driehoek Hannover, Braunschweig en Hamburg in vluchtelingenkampen zaten, teruggegaan naar Nederland. De kampen moesten vrijgemaakt worden voor de stroom Duitse vluchtelingen die voor het Russische leger uit uit het Oosten kwamen. In Noord-Nederland reden nog treinen (in de rest van het land na september 1944 niet meer), zodat de Nederlandse vrouwen en kinderen in Groningen en Drente belandden. Wij werden ingekwartierd bij een familie in Hoogezand. We kwamen daar op de verjaardag van mijn zusje, 22 februari, aan en werden aanvankelijk geweigerd. Mamma ging terug naar het verzamelpunt en toen een gewapende NSB’er of WA’er met ons mee ging en zich bij die familie meldde, moesten zij ons wel toelaten. Mijn moeder heeft altijd gezegd, dat de vrouw des huizes ons heel vriendelijk en goed ontvangen heeft, van vijandigheid was geen sprake en zij en haar zoons waren zeer met mijn zusje en mij begaan. We hebben het goed bij haar gehad. Een van haar zonen heeft echter mijn vader, toen hij zich vlak na de bevrijding bij hen meldde – wij waren al naar het provisorische interneringskamp in de strokartonfabriek overgebracht – bij de autoriteiten aangegeven en kort daarop is hij gearresteerd. Ik neem het die jongen niet kwalijk, hij deed wat hij moest doen; uiteindelijk was mijn vader verantwoordelijk voor zijn politieke keuze - of hij nu wel of niet alle consequenties ervan heeft kunnen voorzien.
Op bevrijdingsdag, eind april 1945, werd in Hoogezand omgeroepen dat alle vrouwen van NSB’ers zich met hun kinderen naar een fabriek moesten begeven. Mijn moeder vertelde dat de bevolking langs de weg stond te schelden en te joelen, op de vrouwen en kinderen spuugden en alle gram over vijf jaar bezetting op hun hoofden deed neerkomen. Zij vroegen zich niet af, of die vrouwen schuldig waren of niet, of zij zich wellicht net als mijn moeder zonder resultaat tegen de politieke keuze van hun echtgenoten hadden verzet. Zij zagen de kinderen niet echt; als ze ons als kinderen hadden kunnen waarnemen, dan hadden ze beseft dat wij in elk geval onschuldig waren omdat we buiten elke politieke keuze stonden. Maar het leed van vijf jaar bezetting ontnam hun het zicht; ik snap dat wel, al blijven die Hoogezanders verantwoordelijk voor hun gedrag hoewel ook zij er de consequenties niet van hebben doorzien.
Voor mij is dit namelijk het moment waarop ik door mijn eigen volk afgewezen ben, het moment waarop ik ophield tot het Nederlandse volk te behoren. We zijn ‘uitgestoten’ en op emotioneel gebied ben ik sindsdien statenloos, ook al heb ik natuurlijk gewoon een Nederlands paspoort. Toen ik een koninklijke onderscheiding kreeg voor mijn werk voor kinderen van de oorlog, nationaal en internationaal, had misschien dat gevoel een Nederlander te zijn kunnen terugkomen, maar dat is niet gebeurd. In het verleden heb ik wel geprobeerd om dat gevoel Nederlander te zijn terug te winnen. Als padvindster heb ik beloofd God en mijn land te dienen, maar voor sommige Nederlanders bleef ik desondanks dat NSB-kind, deden niet mijn eigen daden maar die van mijn vader ertoe. Toen heb ik op een dag gedacht: dan maar niet. Ik had een boek gelezen van de Pools-Joodse socioloog Zygmunt Bauman (1) die schreef dat een vreemdeling wel eenzaam is doordat hij nergens bij hoort, maar dat zijn positie per definitie het domein van de vrijheid is. Ik heb toen zelf gekozen voor het niet-behoren-tot en heb daarmee het gevoel van uitgestoten te zijn teniet gedaan.
Mijn moeder heeft met ons aan de hand in die stoet van vrouwen meegelopen, langs het kanaal. Ze heeft er een moment over gedacht om in het water te springen en zich te verdrinken, omdat ze besefte dat die haat nooit meer over zou gaan. Maar hoe doe je dat, je verdrinken samen met je twee kinderen, terwijl er honderden mensen toekijken? Als ze gered zou zijn – en die kans was groot - dan zou de schande immers nog veel groter zijn geweest? Dus is ze ‘moedig’ doorgelopen. Maar wij zullen als kinderen haar doodsangst en doodsverlangen hebben gevoeld; als ik jaren later wel eens in een situatie geen uitweg meer zag, had ik datzelfde doodsverlangen. Ik vraag me nu af of dat wel uit mezelf kwam, of dat het zo is dat ik de ‘oplossing’ van mijn moeder als eerste voelde opkomen, voordat die van mijzelf naar boven kwam.
Mijn man en ik zijn op onze reis in 1999 vanuit Lüneburg ook nog naar Hoogezand gereden. De reis was zeker niet als reis naar het verleden bedoeld geweest, maar was het intussen wel geworden. Het kanaal was grotendeels gedempt, de meeste strokartonfabrieken waren opgedoekt. Ik heb niet veel moeite gedaan om nog sporen te vinden. Wel zag ik een monument voor de 143 weggevoerde Hoogezandse Joden en ik heb me daar afgevraagd of de inwoners van Hoogezand ook langs de kant van de weg hebben gestaan toen zíj werden afgevoerd, net als op de dag dat onze moeders werden gearresteerd…Het zal wel niet.
Mijn moeder heeft in dat kamp drie maanden gevangen gezeten voordat zij verhoord werd. Omdat zij geen lid van de NSB was geweest en zich zeer anti uitliet, werd zij meteen vrijgelaten. Mijn zusje en ik waren toen al weg uit Hoogezand. Wij waren daar allebei behoorlijk ziek geworden, maar er was geen dokter voor ons gehaald. Ik weet van NSB-kinderen die in kindertehuizen verbleven dat ook daar voor zieke kinderen niet altijd een dokter werd gehaald. Een vrouw die ik interviewde had gehoord, dat een verzorgster tegen een andere had gezegd: ‘Laat dat NSB-kind maar doodgaan, dan hebben we een probleem minder’. Misschien werd er in Hoogezand ook zo over gedacht? Het wrange is natuurlijk wel, dat ik, terwijl er in Nederland geen medische verzorging aan mij werd gegeven, in Duitsland als vluchtelingenkind toch ‘goed genoeg’ was om in een ziekenhuis opgenomen te worden (hoewel hemelsbreed 50 km verderop, in Bergen Belsen, Joodse Nederlandse kinderen aan ziekten overleden, o.a. Anne en Margot Frank). Een tante heeft mijn zusje en mij uit het kamp gehaald; dagenlang heb ik in een donker kamertje liggen slapen, terwijl ze me om de zoveel tijd voerde om me weer op krachten te laten komen. Als ik in dat kamp had moeten blijven, had ik het misschien niet gered.
Mijn eerste herinnering is uit mei of juni 1945, toen ik weer zoveel beter was, dat ik met mijn oom naar diens volkstuintje mee mocht. Ik zit tussen de groenteplanten (aardbeien?), de zon schijnt, de vogels zingen, ver weg staan huizen en hoor ik kinderen: het paradijs. Een andere vroege herinnering is de emmer die dienst deed als w.c. op de boot van Lemmer naar Amsterdam. Dat beeld had ik altijd in gedachten, maar ik wist niet waar het bij hoorde, tot een leeftijdgenote van mij eens vertelde hoe zij met de boot van Amsterdam naar Lemmer voer en dat zij haar behoeften moest doen op een emmer. Toen wist ik dat ik het me dus toch goed herinnerde! Mijn moeder had geen bevestiging kunnen geven, want die was daar niet bij. We voeren namelijk met het gezin van mijn tante naar Amsterdam, waar we nog een poosje bij haar hebben gewoond. Het is belangrijk om een herinnering die aan de ene kant heel sterk is en waar je aan de andere kant toch ook aan twijfelt, bevestigd te krijgen. Een nog vroegere herinnering is aan een balk boven een sloot, een latrine, waar ik doodsangsten uitstond, omdat ik bang was dat ik achterover in die stinksloot zou vallen. Mijn moeder vermoedde dat ik me deze situatie uit het kamp in Hoogezand herinnerde, maar erg zeker was ze daar niet over. Ik laat mijn herinnering dus maar beginnen bij mijn oom in de tuin…..
Toen mijn moeder vrij kwam hebben we enkele weken gewoond bij de moeder van onze vader. Maar oma woonde met haar dochter, die weduwe was, en met haar kind op een kleine bovenetage in Rotterdam-Zuid en wij konden met zijn drieën natuurlijk niet altijd daar blijven wonen. Toen heeft een broer van mijn moeder (hij had in het verzet gezeten en had mijn moeder eerst heel vernederend behandeld) ervoor gezorgd dat we bij opa en oma in Wassenaar mochten komen wonen, bij de ouders van mijn moeder dus. Erg welkom waren we niet in dat prachtige, grote herenhuis aan een van de deftige straten van het villadorp. Maar voor mij is dat huis ondanks alles een veilige haven geworden, daar kon ik eindelijk kind zijn. Ik herinner me elk plekje in dat grote huis en in de tuin, alle kleuren, alle geuren. Mijn moeder moest geld halen bij de Sociale Dienst en ik moest dan vaak mee. Voor mijn gevoel heel lang lopen en heel lang wachten. Mijn moeder kreeg korting op haar uitkering omdat ze van de ambtenaren bij haar ouders voor loon werken moest; waarschijnlijk omdat die behoorlijk rijk waren, dus helemaal onredelijk was die eis niet. Maar ik heb als kind gevoeld hoe moeilijk mijn moeder het vond om naar dat kantoor te gaan, hoe ze zich vernederd voelde.
Ik had een zwakke gezondheid en de kinderarts die mijn moeder raadpleegde noemde me een ‘miserabel, slap kindje’. Mijn moeder heeft dat vaak herhaald; niet erg pedagogisch, want de afkeurende toon van die arts deed ze perfect na en dus klonk keer op keer dat ‘oordeel’ – dat haar als moeder wel gekrenkt zal hebben, maar waarvan ik als kind, hoewel ik het woord miserabel niet kende, toch ook feilloos aangevoeld heb dat er niet iets positiefs mee bedoeld werd. Later werd er geconstateerd dat ik stof op de longen had, waarschijnlijk opgelopen op de zolder in Tangendorf in Duitsland en in het kamp in Hoogezand. Ik moest een tijdje ’s middags slapen, mocht niet naar de kleuterschool. Ik vond het stom vervelend en sliep toch niet, maar klom op een stoel om naar buiten te kunnen kijken. Ik moest ook al snel steunzolen dragen en in de wintermaanden naar de hoogtezon. Ik had een hekel aan doktoren en verpleegsters – niet zo gek als je als ukkepuk in een ziekenhuis gelegen hebt. Maar dat heb ik pas veel later in mijn leven begrepen!
Toen mijn zusje naar de kleuterschool moest was ze al vijf jaar. Ze werd in een lagere klas geplaatst, met jongere kinderen, omdat ze nog nooit naar school was geweest. De hoofdleidster bracht haar naar haar klas en zei toen ze mijn zusje naar binnen bracht: ‘NSB-kind’. En met dat verhaal kwam zij om twaalf uur thuis. Ze deed de toon waarop het gezegd was na en mijn moeder moet het heel erg kwetsend voor mijn zusje, maar ook voor haarzelf gevonden hebben. Ook dat deed mijn moeder vaak na, die krenkende toon dreunde na in haar hoofd en doordat zij het zo vaak herhaald heeft, dreunde het ook na in ons hoofd. Het is eigenlijk de enige keer dat we echt met zoveel negativiteit te maken kregen en vergeleken met heel veel andere kinderen van vroegere NSB’ers hebben we op dit punt niks meegemaakt. Die hoofdleidster was niet erg geliefd bij de kinderen, anders zouden we nooit een rijmpje op haar naam gemaakt hebben in de zin van: ‘Juffrouw de Vries, waar is je holle kies?’ (ze heette anders, maar ik noem haar maar even zo). De juf bij wie mijn zusje in de klas kwam heeft haar heel goed opgevangen, ze mocht extra werkjes doen en de ‘kleintjes’ helpen. Zo werd die school toch geen drama voor haar.
Mijn zus had verschillende vriendinnetjes, waar ik ook wel eens speelde. Bij de ene familie voelden we ons meer op ons gemak dan bij de andere, maar of dat met mijn vader te maken had is nog maar helemaal de vraag. Naast mijn grootouders woonde een echtpaar zonder kinderen. Op woensdagmiddag kwam daar altijd een ‘nichtje’ spelen, een jaar jonger dan ik, die in Den Haag woonde. Wij hebben heel veel samen gespeeld, ik mocht soms met haar tante mee met de tram om haar naar Den Haag terug te brengen en ik ben ook wel eens bij haar thuis geweest. Pas heel veel later heb ik beseft, dat Anneke waarschijnlijk bij haar ‘tante en oom’ ondergedoken heeft gezeten, als (half-)Joods meisje. Toen ik een paar jaar geleden las dat de heer en mevrouw H. uit Wassenaar een Yad vaShem-onderscheiding (2) hadden gekregen, wist ik het zeker. Die ‘tante’ heeft uiteraard altijd geweten dat ik een kind van een NSB’er was, maar zij heeft mij nooit daarop aangekeken. Zij heeft haar petekind gewoon met mij laten spelen. Hoe bijzonder dat in die tijd was, heb ik me pas veel later gerealiseerd. Haar goede, accepterende houding heeft me positief beïnvloed: ik was bij haar welkom en ik werd gewaardeerd om wie ik zelf was. Geweldig!
Wij zijn een paar keer met mamma mee op bezoek geweest bij mijn vader, een of twee keer in het kamp aan de Kanaalweg in Rotterdam en een of twee keer in Vught. Reizen kostte veel geld en dat hadden we niet en vooral naar Vught was het een hele onderneming: eerst met de tram van Wassenaar naar Den Haag, dan met de trein via Utrecht naar Den Bosch, dan met de bus naar Vught en vanaf de bushalte een vreselijk eind lopen naar het kamp. Wat ik me herinner is dat mijn tante op het balkon stond van haar woning in Voorburg en naar ons zwaaide als we met de trein langskwamen. Op de zandweg naar het kamp Vught heeft mijn zusje een keer iets uit haar tas verloren en we zijn daarna nog aan het zoeken geweest. Een bewaker die medelijden met me had omdat ik niet zo snel kon lopen, heeft me een keer een eind gedragen. Hoe het in de barakken was, weet ik niet meer. Hoe een gesprek met mijn vader verliep, het staat me niet bij. Ik herinnerde me mijn vader niet, ik was een baby toen ik hem voor het laatst had gezien, ik wist alleen dat die man mijn vader was en dat hij leuke verhaaltjes voor ons schreef die mijn moeder ons op de terugweg in de trein voorlas.
Toen ik een jaar of veertien was ben ik een keer met een Ambonnees meisje uit mijn klas – we woonden toen in de buurt van Den Bosch – mee naar huis geweest in het kamp Lunetten in Vught. Toen we vanuit de bus de lange weg naar het kamp afliepen en ik de eerste barakken zag, herinnerde ik me in een flits dat hier mijn vader gevangen had gezeten. Ik heb die herinnering meteen weer weggestopt, ik was er nog niet aan toen om de confrontatie met het verleden aan te gaan. Later heb ik me verdiept in de lotgevallen van de Molukkers. Ik heb me altijd afgevraagd hoe je mensen die uit een ver land komen in een kamp stoppen kunt waarin eerst de Duitsers hun gevangenen opgesloten hadden en waar later NSB’ers hun straftijd uitzaten. Zoiets doe je toch niet, ook al is de woningnood nog zo groot!
Mijn vader kwam in augustus 1948 naar huis, hij werd vrijgelaten met de grote groep die amnestie kreeg vanwege het regeringsjubileum van koningin Wilhelmina. Zijn thuiskomst herinner ik me ook niet. Mijn moeder vertelde altijd dat ik zoals gewoonlijk aan tafel zat te kliederen met mijn eten en dat mijn vader daar iets van zei. Ik moet hem vernietigend aangekeken hebben: wat heb jij hier te vertellen, als er op- en aanmerkingen nodig zijn doet mijn moeder dat wel. Of mijn vader erg blij was met de aanleiding tot zijn vrijlating is nog maar de vraag, omdat een van de redenen voor zijn veroordeling was dat hij zich negatief over Wilhelmina had uitgelaten! Mijn moeder had zich al die jaren zonder hem moeten zien te redden en dat was haar gelukt. Zij was voor mij de autoriteit in het gezin, de enige die ik kende. Nu werd ze door haar echtgenoot aan de kant gezet, en ze accepteerde dat ook, zoals zoveel vrouwen uit die tijd en zoals ze thuis geleerd had. Maar ik accepteerde dat niet. Boven het niveau van die eerste confrontatie zijn mijn vader en ik nooit echt meer uitgekomen. Ik had geen ervaring met een man die de vaderrol vervult, mijn vader was in feite een vreemde. Zo is het gegaan bij veel van mijn leeftijdgenoten die pas na jaren weer een vader kregen, ook in verzetsfamilies of in families waarvan de leden, gescheiden van elkaar, in de Jappenkampen hadden gezeten. Mijn zus bekeek onlangs een tv programma waarin gezegd werd, dat uit recent onderzoek blijkt dat een kind dat op 5-jarige leeftijd of ouder geadopteerd wordt, nooit meer een hechte band met zijn pleegouders kan opbouwen, omdat de gunstige leeftijd daarvoor voorbij is. Mijn zusje had tot haar vierde een band met haar vader opgebouwd, daar konden zij beiden weer bij aanknopen en dat heeft zij met veel liefde gedaan.
Het huwelijk van mijn ouders had zware schade opgelopen, zoals in zoveel huwelijken waarin de partners elkaar jarenlang niet hadden gezien. Bovendien lag er het verschil in inzicht op het politieke vlak. Misschien hadden ze beter kunnen scheiden. Hoewel ze nooit echt ruzie maakten, wisten we als kinderen dat ze het niet met elkaar eens waren. Bovendien hadden ze hun handen vol aan hun eigen problemen en waren voor ons emotioneel niet beschikbaar. Om hun huwelijk te ‘repareren’ wilden ze nog een kind. Was ik ongewenst, mijn broer was meer dan gewild, maar wel met een speciale opdracht, die hij echter nooit zou kunnen vervullen. Uiteindelijk was ook hij dus niet echt welkom om wie hij zelf is, maar moest hij een rol vervullen in de levens van zijn ouders…
Mijn vader was streng, volgde nog in veel opzichten de ouderwetse methoden van de ‘zwarte pedagogie’ waarvan het hoogste doel was, zoals we op de kweekschool leerden, ‘het breken van de wil van het kind’. Dat is hem niet gelukt; ik wist me onbewust gesteund door mijn moeders verzet tegen mijn vader; niet dat ze tegen hem opkon, maar dat verzet was er wel. Hij was ook enorm gefrustreerd door zijn gevangenschap. Als we vergaten een nieuwe rol w.c.papier op te hangen als we het laatste papier hadden gebruikt, dan kregen we niet alleen een donderpreek en een boel strafwerk, hij zei ook: ‘Dat deed je om mij te pesten’. Maar een kind pest zijn ouders niet is de mening van de Hongaarse pedagoog Nagy (3); zelfs een verwaarloosd en mishandeld kind is doorgaans heel solidair met zijn ouders. Ik kreeg een keer ongenadig op mijn kop toen ik een liedje zat te neuriën. Ik mocht dat nooit ergens anders zingen, werd er gezegd. Het zal wel een NSB-lied geweest zijn. Had mijn vader zich niet beter zelf op zijn kop kunnen geven dat hij het in huis gezongen had zodat ik het had kunnen overnemen? Maar de schrik zat er wel in: kennelijk was er iets dat in de buitenwereld niet bekend mocht worden. Als we iets hadden uitgehaald, moesten we strafregels schrijven of een heel lang gedicht uit een boek overschrijven. Mamma liet het straffen altijd aan hem over, ze regelde dat niet zelf en ze heeft zich nooit tegen zijn veel te strenge straffen verzet. Hoewel mijn vader ook streng was tegen mijn zus, kon zij toch minder kwaad bij hem doen dan ik. De tante die ons uit het kamp haalde heeft mijn vader eens verweten: ‘Waarom laat je je jongste dochter zo plagen door haar oudere zus en waarom doe je er zelf aan mee? Als volwassen kerel moest je je daarover schamen.’ Ze durfde wel!