Aantekeningen over ‘de moeder van de NSB’ en haar familie

1940 tot 1945, Breda

Deel 3 van een familiedrieluik Een leuke hobby: genealogie. Al sinds 1989 ben ik bezig met schatgraven in mijn eigen familiegeschiedenis. Vanaf het duistere ‘begin’ rond 1660 tot heden en nooit is het af. Je staat soms verbaasd over wat je al niet tegenkomt…

Zo bleek mijn overgrootvader Jan Pieter Bijsmans een jaar in de koepelgevangenis van Breda te hebben gezeten omdat hij als soldaat een paar handschoenen en wat ondergoed ontvreemdde… (daar moet je tegenwoordig zowat een moord voor plegen!). Eind 1999 ook maar eens contact gelegd met het Ministerie van Justitie in Den Haag. Ik was nieuwsgierig naar de inhoud van de dossiers over mijn familie in het archief van het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR). Briefje schrijven met de aanvraag, langskomen, praten met de archivaris Maarten van Rijn, kopje koffie erbij, kortom heel relaxed. Bovendien net op tijd want het hele archief ging verhuizen naar het Rijksarchief (nu Nationaal Archief) een paar straten verderop.

6 centimeter dossiers ‘Hoezo 6 centimeter?’ vroeg ik enigszins verbaasd toen ik te horen kreeg dat de dossiers klaar lagen. Goed, het ging om vier persoonsdossiers, dat van mijn grootvader, Pierre Henri Bijsmans (1893-1961), dat van zijn echtgenote, Sophia Geertruda Johanna Redeker (1904-1990), dat van haar tweede echtgenoot, Cornelis Michels oftewel ' opa Cor' (1912-1995) en dat van mijn oom Alfred Pierre Bijsmans (1925-1944), maar zoveel hadden ze tussen 1940 en 1945 toch niet uitgevreten? Al gauw bleek een en ander verklaarbaar.

Van elk verhoor en van elk besluit een stuk of drie doorslagen. Geen wonder! Wat mij met name interesseerde was in hoeverre datgene wat ik al wist (ik kon met opa Cor gewoon over de oorlogsjaren praten) aansloot op dit historische feitenmateriaal. Ik ben ervan overtuigd dat voor veel historici dit archief in de toekomst een trekpleister is.

Zeg nou zelf van welke andere historische periode is er zo een enorme hoeveelheid persoonsgebonden informatie (meer dan een half miljoen persoonsdossiers). De inhoud van zo’n persoonsdossier, zo bleek mij, valt grofweg in drie delen uiteen. Ten eerste de officiële stukken van de Politieke Recherche Afdelingen (PRA) of Politieke Opsporingsdienst (POD), d.w.z. de tenlastelegging met verhoren en getuigenverklaringen.

Je ‘hoort je familieleden praten’ en je leest hoe de oude buren ze erbij lappen. Ten tweede belastende documenten uit andere archieven (lidmaatschapskaarten NSB, Jeugdstorm, correspondentie met 'foute' instanties etc.). Tot slot de in beslag genomen persoonlijke zaken die tegen de verdachte konden worden gebruikt (fotoalbums met pa in uniform, oorkonden etc.).

De blok- en buurtleider; ‘een kalme rustige kerel’ Van mijn grootvader Pierre Henri Bijsmans wist ik maar weinig. Hij overleed 1 dag na mijn geboorte op 11 november 1961. Hij was een goede kleermaker maar maakte veel schulden.

Bij zijn werkgever, sinds 1930 het Carltonhotel in Amsterdam, kwamen de schuldeisers om loonbeslag vragen. Uiteindelijk was de directeur het zat en werd hij in 1937 ontslagen. Daar stond hij dan, zonder werk, een gezin met drie kinderen en ƒ14,- steun per week. Eerst maar eens verhuizen (de zoveelste keer) naar een goedkopere woning in de Amsterdamse Van Walbeeckstraat 76 hs.

Op 18 maart 1935 werd hij lid van de Nationaal Socialistische Beweging (NSB) en ingeschreven onder stamboeknr. 47327. Uiteraard, de vrouw volgde toen nog de man, werd ook zijn echtgenote lid (op 18 augustus 1936, stamboeknr. 72819). Waarom werd hij lid? Zijn antwoord: “Ik verwachtte van de NSB een verbetering van de sociale toestanden voor het Nederlandse volk, vooral voor de arbeidende klasse.” Het later in beslag genomen NSB-zakboekje laat zien dat Pierre Henri actief betrokken was. Hij vervulde de functies van blok- en buurtleider en woonde sinds mei 1940 met zijn gezin aan de Overtoom 405 in Amsterdam. Hij was, zo verklaarde een buurman later: “Geen fanatiek persoon. Men kon toch best met hem over de politiek praten van de NSB zonder hatelijk te worden, of met bedreigingen aan te komen. (-) Hij was zelf een kalme rustige man, die niemand eenige overlast aandeed.” Een ander verklaarde: “Het was iemand, die ook een anders meening wel kon horen. Hij had een kamer van zijn woning verhuurd aan een andere NSB-er. Dit was een fanatieke kerel, heel anders als Bijsmans. (-) Het was een kalme rustige kerel. Hij staat hier niet in de buurt ongunstig bekend.” Natuurlijk hingen er wel eens NSB-affiches voor de ramen en kocht Bijsmans wekelijks ‘VoVa’ (Voor Volk en Vaderland) maar: “Door mijzelf is nooit met de NSB-vlag gevlagd. Wel door een zekere Stevens, die bij mij een kamer had gehuurd.” Protesteren daartegen deed hij echter niet.

Pierre Henri Bijsmans werd op 15 mei 1945 in zijn woning gearresteerd. Hij werd geïnterneerd in het bewaringskamp ‘Duin en Bosch’ bij Bakkum. Op 2 augustus 1946 werd hij voorwaardelijk buiten vervolging gesteld. Hij kreeg een boete van ƒ100,- en bleef gedurende drie jaren onder het toezicht van de ‘Stichting Toezicht Politieke Delinquenten’. Tijdens de oorlog waren zijn kleermakersgereedschappen gedeeltelijk verdwenen en gedeeltelijk in beslag genomen. Desondanks pakte hij zijn oude beroep als kleermaker voor eigen rekening weer op. Zijn kamertje op de Paramaribostraat 5 deed dienst als woon- en werkplaats. Hij verdiende echter onvoldoende om ook zijn opgelegde boete van ƒ100,- te betalen en vroeg keer op keer uitstel aan. Uiteindelijk ging hij ook weer in loondienst werken.  “Bijsmans werkt sinds 1948 als kleermaker bij de firma Scheeres, Keizersgracht 369 en verdient ƒ70,- per week. Hij was ongeveer anderhalf jaar werkloos, heeft schulden gemaakt, die hij met ƒ40,- per maand afbetaalt.”

De onderhuurder; een fanatiekeling Het is hier de plaats om in te gaan op de eerdergenoemde Stevens die geruime tijd bij de familie Bijsmans inwoonde. Frederik Nicolaas Stevens (Flip) werd op 2-10-1908 te Amsterdam geboren als zoon van de gelijknamige arts. Het beeld dat we van hem krijgen is dat van een lichamelijk zwakke man die diverse baantjes had, meestal als kok. Hij kon het slecht vinden met zijn vader zodat hij al sinds 1930/1931 het ouderlijk huis had verlaten en van kamer naar kamer, van baan naar baan trok. Op 18 september 1934 betrok hij een kamer bij de familie Bijsmans in de Woubruggestraat 11. Sindsdien verhuisde hij met het gezin mee naar de Legmeerstraat 20 hs., de Van Walbeeckstraat 76hs. en in 1940 naar de Overtoom 405.

Zijn dossier in het archief van de Sociale dienst Amsterdam vermeldt van hem: “Van 15/6/36 tot 31/8/36 werkte hij als kok in pension ‘Zonnewende’ te Zoutelande. Verdienste ƒ10,- + kost en inwoning. Hiervan heeft de man een goed getuigschrift. Bij ’t bezoek aan de vader deelde deze mede dat zijn zoon ‘de bekende luitenant v.d. knokploeg van de N.S.B. is’. Hij wil voor zijn zoon niet bijdragen. Het wil mij voorkomen dat de man gedurende de bovengenoemde periode van werkloosheid geholpen werd door zijn politieke vrienden. Zekerheid dienaangaande is echter niet te krijgen. De man zelf deelt echter mede dat hij werd onderhouden door dhr. Bijsmans, die echter een gering inkomen heeft. Deze lezing werd bevestigd door de vrouw van dhr. Bijsmans (m.i. is dit echter zeer onwaarschijnlijk, daar men in geen enkele relatie tot elkaar staat). De man zelf verklaart geheel zonder inkomsten te zijn, Bijsmans wil hem niet meer helpen. De mogelijkheid bestaat m.i. dat hij steun ontvangt van zijn politieke vrienden (in verband met zijn functie) zekerheid dienaangaande heb ik echter niet.”

Flip Stevens was sinds 11 december 1934 WA-wachtmeester en een fanatiek NSB-er. Tijdens de oorlogsjaren was hij als WA-man bepaald berucht en betrokken bij diverse knokpartijen in Amsterdam. Hij overleed tijdens de hongerwinter aan de gevolgen van TBC en ontsnapte zo aan de naoorlogse berechting.

De huisvriend; overleven als invalide Cornelis Michels ('opa Cor'), mijn tweede grootvader, was een opmerkelijke man die veel heeft meegemaakt. Hij groeide op in het gezin van de Amsterdamse melkboer Cornelis Michels gehuwd met Willemijntje Jongens. Zij kregen acht kinderen. Michels sr. had een melkzaak in de Schaepmanstraat 29 en later, vanaf 1938 tot eind 1953, in Oost aan de Transvaalkade 123 hs.

Als kind kreeg Cornelis jr. een oorontsteking toen hij tijdens een hevige storm op de pier in IJmuiden stond. Deze leidde uiteindelijk tot doofheid aan beide oren. Van 1927 t/m 1933 volgde hij de vijfjarige HBS in de Amsterdamse Moreelsestraat. Na zijn HBS vervulde hij diverse functies. Zo werkte hij van 1933 tot 1938 als volontair en later laborant bij de Bataafsche Petroleum Maatschappij. Hier moest hij echter vanwege zijn NSB-lidmaatschap ontslag nemen. Vervolgens vervulde hij functies als vertegenwoordiger van de instrumentenfirma Franken-Pohl en verzekeringsagent.

Op 18 oktober 1933 vroeg hij (voor ƒ0.25 p/m) zijn lidmaatschap van de NSB aan (Stamboeknr. 13563) en op 1 maart 1934 werd hij lid van de WA (Weer-Afdeling), Ban nr. 1, Vendel Amsterdam. “Ik was nog jong en kwam juist van de HBS af. De beginselen der NSB trokken mij toen aan en zodoende ben ik lid geworden.” Al op 19 maart van hetzelfde jaar werd hij benoemd tot WA-Wachtmeester van Amsterdam-Zuid. Ook vele van zijn toenmalige vrienden zoals Flip Stevens waren hiervan lid. Anderen waren alleen lid van de NSB of traden later in Duitse krijgsdienst. Eén van hen, Julius van Gelder, (N.B. Joods!) bracht het dankzij invloedrijke Berlijnse relaties zelfs nog tijdens de oorlog tot inkoper voor de Duitse Weermacht in België! In verband met het overheidsverbod op de WA werd op 1 april 1933 de "Wandel-Sport-Vereeniging Amsterdam" opgericht, waarvan Cornelis Michels secretaris was. Hij deed mee aan verschillende ‘marschen’ en ook aan de Nijmeegse Vierdaagse (1934). In de jaren ‘35/’36 komen we hem tegen in de meldingsrapporten van de Amsterdamse politie. Op 12 maart 1935 werd hij bij colportageschermutselingen in de communistische gezinde buurt het ‘Blauwe zand’ opgepakt op verdenking van het in bezit hebben van een boksbeugel, die niet werd aangetroffen. Op 9 september 1935 was hij de leider van een 17-tal colporteurs in de Jordaan die wapens bij zich zouden hebben gehad en om zich heen sloegen. De groep werd gearresteerd en weer losgelaten. Wapens (een mes en gummiknuppel) werden pas later verspreid in en om het politiegebouw gevonden! Op 7 februari 1936 werd hij samen met anderen waaronder Flip Stevens opgebracht wegens ordeverstoring in ‘het joodse’ theater Tuschinski , waar de film ‘Heldenkermis’ (‘La Kermesse Heroïque’), werd vertoont.

Op 30 maart 1935 bezocht de leider van de NSB, Ir. A.A. Mussert, Amsterdam in verband met de NSB-landdag. Vanaf Amsterdam centraal station vertrokken de deelnemers naar het oude RAI-gebouw. Oude foto- en filmbeelden tonen de stoet met naast Mussert WA-organisator J. Hogewind en vlak achter ‘de Leider’ opa Cor als WA-wachtmeester. Uiteraard niet in uniform (want dat was verboden) maar gewoon in burger. Op 26 december 1935 werd de (1ste) WA in de Amsterdamse Apollohal ontbonden. In 1938 werd hij als lid wegens contributieschuld geroyeerd. Een jaar later in april 1939 deed hij, in een depressie, een zelfmoordpoging die mislukte. Hierdoor lag hij van 7 april 1939 tot december 1940 in het Binnen Gasthuis in Amsterdam. Het uiteindelijke advies van dr. P. Leguit (1911-1997) was dat behandeling door de bekende Duitse thoraxchirurg dr. E. F. Sauerbruch (1875-1951) in het Berlijnse Charité ziekenhuis waarschijnlijk genezing kon brengen. In 1941 vroeg hij daarom een paspoort aan om in Berlijn te worden behandeld waar een aangetaste long werd verwijderd. Zijn hieruit volgende blijvende invaliditeit heeft gedurende de rest van zijn leven een grote rol gespeeld.

Na de Duitse inval kwam ook de WA weer terug. Hiervan was hij geen actief lid meer. Toch werd hem nog op 7 november 1943 de oorkonde behorende bij het ‘WA-stijdersteeken’ toegekend “doordat verschillende WA-mannen mij als getuige opgaven, teneinde te bewijzen dat deze menschen in 1933 bij de WA waren.” Begin 1940 werd hij door zijn WA-collega en vriend Flip Stevens in huis genomen (bij Bijsmans) en financieel geholpen. Met maar ƒ7,- per maand invaliditeitsrente was er weinig andere keus. Stevens deed meer: “Op aandringen van hem, heeft hij het voor mij in orde gemaakt, dat ik weer als lid werd aangenomen. Stevens was een persoonlijkheid als Hopman der WA en ik was afhankelijk van hem en onder zijn invloed ben ik dan ook lid geworden.” Maar actief was hij niet meer: “Een enkele maal heb ik wel eens het insigne der NSB gedragen in 1941 en 1942.” In mei 1944 werd hij wegens te geringe activiteit uit de NSB gezet. Over zijn betrokkenheid verklaarde mijn grootmoeder later: “eenmaal zijn wij samen naar een uitvoering geweest van Frontzorg in het Concertgebouw te Amsterdam, waar de Ramblers optraden, want hij ging het liefst naar geen enkele ontspanningsavond of vergadering, die uitging van de NSB of door hen georganiseerd werd. Zijn haat tegenover de NSB was zelfs zoo groot, dat hij mij er toe aanspoorde om voor het lidmaatschap van de NSB bedanken, toen in Mei 1940 de Duitschers ons land binnenvielen.”

Op 9 oktober 1945 werd hij in Amsterdam gearresteerd en overgebracht naar het beruchte interneringskamp aan de Levantkade. Behalve de gebruikelijke ontzegging van het kiesrecht voor een aantal jaren kreeg hij ook een boete opgelegd. In 1946 kwam hij weer vrij.

‘De moeder van de NSB’ Ik woonde met mijn ouders tot 1966 aan het Galileï-plantsoen (Amsterdam/Watergraafsmeer), niet ver van het Mariotteplein waar mijn grootouders ‘oma Fie’ en ‘opa Cor’ woonden. Als peuter ben ik vele malen weggelopen van het R.K.-bewaarschooltje (met nonnetjes) aan het Linnaeushof linea recta naar mijn grootouders. De band was hecht en bleef ook hecht nadat wij in 1966 naar Buitenveldert waren verhuisd. Talloze malen pakte ik bus 8 en werd ik bij de afgesproken halte door opa afgehaald.

Mijn (tweede) grootvader had een brede belangstelling voor allerlei zaken en was, mag ik wel zeggen, een echte intelectueel. Met hem kon ik over alles praten en ik heb veel van hem geleerd. Mijn grootmoeder Sophia Geertruda Johanna Redeker was een warme persoonlijkheid. Ze bezat de gave om met weinig middelen een gezellige sfeer te scheppen. Hierdoor kwam er ook vroeger altijd veel volk over de vloer. In de oorlog was het om meer dan één reden erg druk in huize Bijsmans. Mijn grootvader, de kleermaker, werkte aan huis. Klanten kwamen en gingen. Daarnaast woonde Flip Stevens in. Hij ontving zijn WA-collega’s en vrienden. Opa (toen nog oom) Cor was er kind aan huis en gedurende enige tijd was er ook nog een Duitse soldaat ingekwartierd. Kortom altijd een komen en gaan van veel en ‘fout’ volk. Geen wonder dat een buurvrouw na de oorlog over mijn grootmoeder verklaarde dat “zij aan de Overtoom bekend had gestaan als ‘de moeder van de NSB’.” Ook zij werd daarom op 20 mei 1947 door de Politieke Recherche Afdeling in Amsterdam verhoord. Al gauw bleek dat ze op tijd had bedankt voor haar lidmaatschap van de NSB. Ze ontsprong aan internering. Nadat haar echtgenoot Pierre Henri Bijsmans werd vrijgelaten “heb ik hem gesproken en zijn wij overeen gekomen om gescheiden van elkaar te leven. De toezegging van mijn man om de financiële zorg voor de kinderen op zich te nemen heb ik van de hand gewezen. Ik voorzie thans in het onderhoud van mij en de kinderen door het verrichten van naaiwerk. Ik verdien hier ongeveer ƒ20,- à ƒ25,- per week mee.”

De oorlog was voorbij, het leven ging door…