Zo kwamen wij bij de "loslopers" terecht van Nederlandse afkomst. Waarom ik dit woord loslopers gebruik: het waren velen, ieder met een eigen geschiedenis. Uit de concentratielagers bevrijde gevangenen, dwangarbeiders (vooral uit Polen, maar ook uit Nederland en andere landen) en wat de Nederlanders betreft, SS'ers en ook mensen die op Dolle Dinsdag naar Duitsland gevlucht waren in 1944, d.w.z. NSB-ers, enz. Het was een grote verscheidenheid, maar praktisch allemaal enkelingen. Begin juni werden we op de trein richting Frankrijk gezet. Ergens onderweg op een perron werd voor het vertrek onze deur gesloten, dit had natuurlijk, zoals bekend, tot verstikking kunnen leiden. We hadden echter geluk. Er was per ongeluk ook een bewaker mee ingesloten, dus die ramde met alle macht met de kolf van zijn geweer tegen de deur en werd gehoord. Dit redde dus weer eens ons leven. Bij aankomst stond een dronken Amerikaan met een mitrailleur op het perron en die vond dat men ons het beste meteen kon doodschieten. Voordat hij deze bedoeling kon waarmaken, werd hij overmeesterd door collega's van de M.P. Ik weet nog dat we tamelijke onverschillig op zijn bedreigingen reageerden en niet in paniek probeerden weg te rennen.
We kwamen dus met een groot aantal Nederlanders in het kamp in Frankrijk aan en daar begon het grote schiften nogmaals. De vermoedelijk politieke gevangenen werden meteen weer gesorteerd en bewaakt. Doch steeds waren er mensen die probeerden zich te drukken. Er volgden ook inentingen, waartegen is me altijd nog onduidelijk, het zal wel tegen de een of andere kampziekte geweest zijn. Het litteken hiervan is nog licht zichtbaar op mijn bovenarm. Iedere avond was er, voor de nog 'Vrije" mensen een kampvuur waar men zong maar steeds werden er weer nieuwe 'Verdachten" uitgepikt. Ze werden dan op de schouder getikt en moesten meekomen. Je zag ze dan niet meer terug. Ook een jonge vrouw, die een beertje bij zich had en daarin een 'fataal" (N.S.B.) speldje had verstopt. De kring werd steeds kleiner. Wij, m'n moeder, oudste zuster, broer en ik, waren al gauw gesepareerd als zijnde verdacht en uiteraard ook zo behandeld. M'n broer Anton (net 17 jaar geworden en mogelijk bij de S.S. geweest) werd verbannen naar een kuil onder de grond en wij, de vrouwen, moesten de hele dag in de brandende zon staan, met bewaking, d.w.z. een man met mitrailleur achter ons. Ik had hoge koorts en dreigde steeds op de grond te vallen. En zo vierde ik mijn 14e verjaardag.
Hier hoorde ik ook voor het eerst dat m’n oudste zuster Marianne een halfzuster van me was, zij stond dit aan iemand te vertellen en merkte niet dat ik in de buurt was. Ze vertelde dat haar vader ook joods bloed had. Veel later begreep ik waarom ze dit vertelde. Om minder verdacht te lijken. Het feit dat ze dus niet mijn volle zuster was, speelde voor mij indertijd helemaal geen rol.
Er werd bij het 'sorteren" een verschil gemaakt tussen zwaar- en lichtverdachten. Wij behoorden eerst tot de zwaarverdachten, waarom was me een raadsel, om dit te begrijpen was ik waarschijnlijk toch nog te jong. Zo werden we weer op transport gesteld naar Nederland en kwamen in Roosendaal aan. Aldaar werden we in een groot gebouw met een veld erbij ondergebracht, vermoedelijk was dit een schoolgebouw. Hier waren stapelbedden opgesteld. We konden als familie wel bij elkaar blijven. M'n moeder was er psychisch heel slecht aan toe en zei steeds weer: 'ïk wou dat ik dood was". Dit hielp echter niet veel. M'n broer Tony had geregeld honger en daar ik met minder toe kon, gaf ik hem m'n boterham.
Zo langzamerhand kwamen we bij de lichtverdachten, hoe dit in elkaar zat wist ik ook niet. Waarschijnlijk waren er informaties ingewonnen. We moesten wel af en toe buiten bij het veld staan en gedwongen toekijken hoe zwaarverdachten in een kring moesten rennen en ging dit niet vlug genoeg dan werd er met geweerkolven op ze in geslagen tot ze in elkaar zakten. Dit schouwspel werd door vele mensen uit de Roosendaalse bevolking onder applaus bijgewoond. Als het genoeg was moesten we weer naar binnen en dan werden de in elkaar geslagen mannen als vodden naar binnen gebracht en opgesloten.
Zover ik me kan herinneren zijn we daar een paar weken geweest en werden in juni/juli 45 met vrachtauto's onder gewapende begeleiding naar Amsterdam gebracht. We kwamen op het hoofdbureau van de Politie in de Marnixstraat. Men sloot ons tijdelijk in een cel op, doch dit duurde niet lang. Was moesten ze beginnen met een familie met nog 2 minderjarigen. Ook op voorspraak van een vroegere buurvrouw, die joods was, en het aan m'n moeder te danken hadden dat zij en haar man overleefden (door tijdige waarschuwing), werden we vrijgelaten en daar stonden we buiten met onze overgebleven koffers en spullen. Waarheen te gaan? We hebben familie opgezocht, maar daar konden we niet blijven, zij waren sowieso te klein behuisd. Hoe lang het duurde voordat we weer een onderkomen hadden staat me niet meer duidelijk voor de geest. In ieder geval vonden we een etage in onderhuur.
Nu echter eerst hoe het allemaal begon. Het was 1940 en de oorlog in volle gang. De verloofde van m'n nicht was een van de eerste die op de Grebbeberg viel. En de Duitse tanks reden Amsterdam in. Ze kwamen ook door onze straat in het Zuid-Westen van de stad in de regio Hoofddorpplein. We dromden allemaal achter de gordijnen voor het raam en het was een ontiegelijk gedreun op de straatstenen. Zo legden ze beslag op de stad en trokken in de scholen en gebouwen. Ook onze lagere school om de hoek was in beslag genomen. We kregen alleen nog halve dagen les in een andere school een stuk verder van huis. Voor onze school stond ook een soort wagon waarin gekookt werd voor de soldaten en daar hebben mijn broer en ik later de carbonaatjes uit de pan gestolen (in liefde en oorlog is ook zulke diefstal geoorloofd).
Mijn twee zusters, Marianne en Hannie, waren toen 18 en 16 jaar oud, de leeftijd dat meisjes naar jongens gaan kijken en in de loop van de tijd werden hun vriendjes Duitse soldaten, want Nederlandse jongens en mannen werden te werk gesteld of afgevoerd. Zij moesten echter ook werken voor de kost en zo kwam Marianne op kantoor terecht en werkte o.a. een lange tijd bij "der Deutschen Zeitung", waardoor ze natuurlijk steeds meer betrokken werd bij de bezetters. Zoiets heeft een sneeuwbaleffect en had zijn uitwerking op de rest van de familie. Ook Hannie ging op een Duits kantoor werken en m'n ouders stonden er niet afwijzend tegenover en werden zoiets als "pro Duits". Anton en ik gingen nog op school en zoals het ook ging in normale tijden, kinderen willen spelen en leuke dingen doen en vroeger (en later ook weer) konden ze dan naar de padvinderij of iets dergelijks. Wij kwamen bij de jeugdstorm terecht en waren helemaal weg van die leuke uniformen, blauwe blouse en een zwart astrakan muts met oranje erin. We deden daar dezelfde soort dingen, zingen, marcheren, trommelen, knutselen etc. Op school waren ze er kennelijk niet zo blij mee en wij werden dan ook behoorlijk gepest. Het leek dan op een vriendschappelijk partijtje sneeuwballen gooien, maar dan zat er wel een steen in die ik tegen m'n slaap kreeg. Op een dag had ik een geweldige valpartij, waarbij ik met grote kracht door het struikelen met mijn neus op een stenen stoep viel. Dat gebeurde voor de schooldeur maar de juf liet me er niet in en sloeg de deur voor mijn sterk gehavende neus dicht omdat ik een "getekende" was. De valpartij was mijn eigen schuld maar de geweigerde hulpverlening heeft zijn sporen achtergelaten. Het pus liep er wekenlang uit en het bot was gebroken, het is nog steeds een knobbel op mijn neus. Dit zijn kleine voorbeelden van de bejegeningen die je ondervond en die je niet begrijpen kon. Nu moet ik er bij zeggen, dat er in onze buurt behoorlijk wat NSB-ers woonden en zodoende had je niet het gevoel datje bij de "verkeerde" mensen behoorde. Je was trots op je uniform en zong uit volle borst mee met de liedjes.
Op Nederlandse jongeren, weg met verdeeldheidswaan Treed toe tot onze rijen, en volg de Meeuwenvaan Een vaderland dat eendracht, als grootste volksdeugd eert, Dat willen wij herwinnen, want jong Nederland marcheert.
Deze tekst had ik helemaal vergeten, zo ook de melodie, maar toen iemand die mij die kort geleden vertelde, herinnerde ik ze mij weer. De meeuwenvaan: de jongeren waren meeuwen en meeuwkes en de ouderen stormers. Ja, ja. Zo lang geleden. Nu moet ik erbij vertellen dat wij, de kinderen, vooral Tony en ik, blij waren thuis zo vaak mogelijk te kunnen ontsnappen, want ons huiselijk leven was verre van harmonisch. Een hel kwam er dichter bij. De ruzies waren schering en inslag en niet met het woord meningsverschillen te beschrijven, eerder met moord en doodslag. Vaak liep mijn moeder 's nachts de straat op en ging ik haar met de grootste angst in m'n lijf zoeken. Het was natuurlijk altijd stikke donker buiten vanwege de verduistering, dus dat vergrootte de ellende nog. Mijn vader was iemand waarvoor we geen van alle respect hadden en Tony en ik waren bovendien bang voor hem. In die tijd wilde mijn moeder ook zelfmoord plegen en had een overdosis slaaptabletten ingenomen, dat was op een woensdagmiddag (jarenlang was de woensdag voor mij een dag met een slecht gevoel). Zoals duidelijk is uit dit verhaal bleef ze in leven, maar ik heb heel lang angst gehad dat ze het vaker zou proberen. Hannie heeft mij die avond bij zich in bed genomen en zo goed mogelijk geprobeerd mij te troosten. Later heb ik heel vaak de tas van mijn moeder doorzocht op tabletten, zeker tot m'n 15e jaar. Vermoedelijk was dit ook de reden ervoor, dat mijn moeder Anton en mij aangemeld had om met andere kinderen van Duitsgezinden naar Oostenrijk te kunnen als een soort vakantie van een aantal weken. Ik ging de eerste keer van huis en zo ver weg en vond het verschrikkelijk want ik hing ontzettend aan mijn moeder.
De treinreis was eindeloos lang, tot aan de Tsjechische grens. Deze stadjes behoren nu tot Tsjechië. Tony kwam in Wettern (nu Vetrni) en ik in Krummau (nu Cesky krumlov). Die mensen waren wel lief voor mij, maar de eerste dagen heb ik alleen maar gehuild en geschreeuwd. Daarbij kwam nog dat je elkaar niet verstond. Ze hebben op een keer een muizenval neergezet, in de mening dat er muizen rondscharrelden, maar het bleek dat ik 4s nachts ontzettend hard op mijn tanden knarste. Ook deed ik het steeds in bed dus erg gelukkig zullen ze met mij niet geweest zijn. Ik herinner me nog wel dat we een "dirndl" gingen kopen die ik mee naar huis mocht nemen. Wat was ik daar groots op. M'n broer kreeg ik nauwelijks te zien. Hoe hij het er daar gehad heeft, weet ik niet meer. Een jaar daarop gingen we weer. Nu naar Midden Oostenrijk, zuidelijk van Passau. Tony was in Antiesenhofen en ik was in St.Martin. Hij was bij het station in een restaurant annex slagerij en had het daar wel naar zin. De alleenwonende vrouw waar ik bij terecht kwam, had mij genomen om op haar dochtertje op te passen. Ik vond het daar verschrikkelijk en voelde me ont- zettend eenzaam. Gelukkig woonde er aan de overkant een doktersfamilie. De man was ook aan het front en de vrouw met haar ca. 5 kinderen woonden in een groot huis, gedeeltelijk in het bos. Zij haalde mij dan op, paste op dat buurkind, zodat ik dan met haar kinderen in de tuin kon spelen. Een hele opluchting. Er waren 2 meisjes van mijn leeftijd "Gross -Mödl"en "Klein -Mödl" en het broertje Bruno, waar ik een beetje verliefd op was. Mijn eerste kinderlijke liefde voor een jongen.
Ver na de oorlog ben ik in die twee dorpen gaan kijken. Vond wel de huizen maar niet de mensen terug. Helaas. De had Frau Dokter H. er graag nog voor bedankt dat ze me door die tijd heen gesleept had. Ook werd ik in de oorlog nog naar een internaat voor "gelijkgezinden" gestuurd in Heythuizen in Limburg. Vermoedelijk was dit een klooster geweest. Dit duurde echter maar korte tijd, ik hield het daar niet uit en verging van heimwee. Het was er ook erg streng en gedisciplineerd. In de vroege ochtend werden we gewekt en moesten dan snel het bed uit en joggen in de omge- ving, dan zingen om de vlaggenstok geschaard met allerlei parolen, dan pas konden we gaan ontbijten onder groot stilzwijgen. De leidster van het geheel, zat later, na de oorlog, met mijn zuster in gevangenschap, zover ik mij herinneren kan in Weesp.
Gelukkig was mijn vader in 1944 en ‘45 nauwelijks meer thuis, waar hij wel was weet ik niet meer, maar hij verrichtte met lui van zijn leeftijd bewakingswerk bij gebouwen ed. Het heette meen ik Wach- und Schutzdienst. Hij was politiek verder niet geïnteresseerd, maar het was werk en hij had daardoor elders onderdak, waar wij allemaal blij om waren. Hij had sowieso voor weinig dingen interesse. Hij hield niet van de natuur, gaf niets om muziek, deed totaal niets aan sport e.d. Gelukkig dronk hij niet maar was zo verslaafd aan sigaretten, dat hij een nicotinevergifti- ging opliep. En in de oorlog, toen er niets meer te roken viel, was hij al helemaal niet te genieten. M'n broer, maar nog vaker ik, gingen dan op straat puikjes rapen. Je bukte je om een "veter vast te binden" vlak naast zo'n peuk en keek om je heen of niemand het zag. Je schaamde je dood, maar werd er wel geraffineerd in. Als die rotbuien maar geen kans kregen. En hij had een ziekelijke neiging naar snoepen en ijs eten. Dat kon hij met z'n kinderen niet delen (in de tijd dat het er nog was) maar deed dat stiekem, tot grote ergernis van m'n moeder die het wel door had. Als er niets in huis was, was ook de jampot niet veilig. Wij, de kinderen kregen dan de schuld en hij hield schijnheilig z'n mond. Tot mijn moeder een keer braakpoeder in de jam had gedaan en wie moest er overgeven? Als hij alleen thuis was haalde hij zelfs de scharnieren uit de deur om bij de verstopte koekjes te komen. Dat moet voor een volwassen man toch wel heel gênant geweest zijn.
Toen wij uit Oostenrijk terugkwamen, Anton en ik, had Tony een souvenir voor pa meegenomen. Zo'n afschuwelijk beschildert stukje hout met een pennenhouder of zoiets er op. Hij was zo trots erop dit cadeautje te geven. Het leefde geloof ik maar 1 dag. Pa heeft het woedend op de kachel in elkaar geslagen, het was allemaal niet erg verheffend en wij waren diep gekwetst en teleurgesteld. Als we moesten wandelen, dan alleen aan de hand. En die nam hij dan in een soort houdgreep waar je je niet uit kon bevrijden. Zijn pink aan de andere kant van je pols. Dit gevoel herinner ik me nog heel goed. Een keer, ik moest hem een nachtkus geven, heb ik hem, geklemd tussen z'n knieën, met m'n kleine vuisten op zijn gezicht getimmerd. Dat had natuurlijk geen enkel effect, maar schildert wel de gevoelens die ik voor hem ondervond. Als je tegen Tony zei, nu lijk je precies op je vader, werd hij witheet van woede, zwaarder kon je hem niet beledigen. Dus een bemoedigend klopje op je schouder of ondersteuning bij problemen of eens een schouder om tegenaan te leunen was bij ons thuis een niet gekende luxe. Helaas geen vader om trots op te zijn. Hij werd in de familie altijd als die "ouwe" betiteld, ook jaren later nog. Moeder zei altijd: hij is een arme man dat hij nergens van kan houden. Later dacht ik te begrijpen dat hij een groot deel van zijn leven wel heel erg gefrusteerd moet zijn geweest. Toch werd hij wel gekwalificeerd als een intelligente man, maar helaas, hij deed er niets mee. In januari 1948 nam hij geest van zout of iets dergelijks om een einde aan zijn leven te maken, het functioneerde niet en hij kwam korte tijd in psychiatrische behandeling op last van de politie. Ik herinner mij dit nog als de dag van gisteren. Het was op de verjaardag van mijn broer en hij en ik zaten op de rest van de familie te wachten om de verjaardag te gaan vieren. Plotseling kwam hij binnen met de woorden: ik heb ruzie met je moeder gehad en heb vergif ingenomen. Ca. 2 jaren later overleed hij aan maagkanker. Niemand treurde om hem, dat is wel erg triest. Mijn moeder was precies het tegendeel van hem. Levendig, impulsief, gek op bloemen en muziek. Dit huwelijk was van het begin af aan tot mislukking gedoemd en dit was, gezien hun beider achtergrond en karakter geen wonder.