Liefde in oorlogstijd

Deel 3 van mijn verhaal 'Aan de andere kant' Op een avond kon ik alles niet meer aan en liep weg, het geruzie was niet meer om uit te houden. Het was natuurlijk al donker en ik liep een eind weg, het stadje uit, geen idee waar ik was of naar toe wilde. Er liepen natuurlijk ook veel militairen en het was niet geheel ongevaarlijk. De familie is toen toch wel tamelijk geschrokken en gingen naar me op zoek. Ze hadden geen idee waar ik heengegaan was. Na een tijdje doken ze ineens als silhouetten voor me op. Grote opluchting bij mijn moeder gevolgd door een fikse oplawaai. In mijn hart was ik ook wel blij dat ze me gevonden hadden, want waar moest je heen.

Story Archive

Voor of nadat we in Ried kwamen te wonen, zijn we ook nog enige tijd in Obernberg a.d.Inn geweest. Je ging met een bus de hoogte op en door een soort stadspoort het stadje binnen. Daar was een groot plein met linksom huizen in allerlei kleuren, vloekend tegen elkaar in. Mijn moeder liep daar altijd met haar hoofd naar beneden kijkend, want ze zei dan, die kleuren doen gewoon pijn aan je ogen. We kregen daar, moeder, Tony en ik een heel klein kamertje toegewezen in een restaurant boven een soort poort over de straat. Daarvan herinner ik mij nog, dat we ’s nachts op moesten staan omdat ik het in bed had gedaan en slapende bij m’n moeder, was zij natuurlijk ook nat geworden. We probeerden zonder geluid te maken met een soort reisstrijkboutje de boel droog te strijken. De gesp van een ceintuur rinkelde even tegen een andere deur in de kamer en toen baste er een stem heel hard “Ruhe”. We schrokken ons kapot. Het bleek de eigenaar van het etablissement te zijn geweest en toen we die man de volgende dag zagen, waren wij kinderen nog banger voor hem. Veel later na de oorlog ben ik daar met m’n moeder en nog een familielid o.a. ook dit stadje gaan opzoeken en we vielen om van verbazing. Het was helemaal gerestaureerd, prachtige barokgevels en helemaal op toerisme afgestemd. Als je door dat bewuste poortje liep, kwam je bij de Inn uit en had je een prachtig uitzicht van bovenaf. Zover waren we toen helemaal niet gekomen.

Terug naar Bad Ried. Marianne had nog steeds contact en connecties met de militairen. Ze was een aantrekkelijke vrouw, dus vaak werd er altijd wel ééntje verliefd op haar. Op een dag kreeg ze een revolver met de opmerking, ga er zo gauw mogelijk vandoor, het is vijf voor twaalf en de oorlog is verloren, hier heb je mijn wapen, ik probeer naar huis te komen. Nu was zij er de vrouw niet naar om met een wapen om te gaan, was er eerder bang voor. Ze verstopte het wapen voor m’n broer, want die was er wel nieuwsgierig naar. Hij vond het dan ook toen zij niet thuis was en speelde er wat mee. Munitie erin en eruit. Wat hij niet merkte, dat hij het geladen en wel weer op zijn plaats verstopt had. Kort daarop zouden wij Marianne treffen in een restaurant op dat grote plein. We waren daar ’s avonds vaker, het was daar gezelliger dan op onze kamer en daar zat ik weer verder te leren uit de gedichtenbundel van Schiller. Je moest wat. Iedere avond werd er afgesloten met het Duitse volkslied (er waren natuurlijk vele militairen met hun vrouwen c.q. vriendinnen aanwezig, er werd gedanst en gezongen) en allen stonden dan, rechterarm omhoog, de Hitlergroet brengend (en of er op gelet werd of iemand dat niet deed!). Toen we dus daar aankwamen, was er een grote opwinding. Veel militair en angstige burgers. We zochten Marianne maar konden haar niet vinden. Wat was er gebeurd? Ze had daar een kennis getroffen en zaten aan een tafeltje te praten. Ze vertelde over de revolver, die ze bij zich had. Ze liet hem onder tafel aan die andere vrouw zien en haalde per ongeluk de trekker over, het schot ging af en trof een andere bezoekster. De kogel ging dwars door haar kuit, die vrouw had dus nog geluk gehad. Er ontstond echter een chaotische situatie en Marianne werd gearresteerd en zou aan de Gestapo uitgeleverd worden. Schuin aan de overkant was het politiebureau en daar belandde ze eerst in een cel. Op de één of andere manier kregen we contact met haar en kon ze ons de boodschap overbrengen een haar bekende officier te zoeken. Deze bleek zich in een ander stadje op te houden en ik had het genoegen te voet daarheen te gaan en heb de hele weg daarheen gehold en dat waren ettelijke kilometers. Ik kwam buiten adem aan en vertelde het verhaal. Die man kwam meteen met mij mee, gelukkig niet weer te voet terug en hij kreeg het voor elkaar dat ze niet aan de Gestapo uitgeleverd werd. We hadden haar in de cel nog pannenkoeken laten bezorgen die we uit onze mond gespaard hadden (uit Gasthof “Die Hölle” dat ik in 1973 nog gefotografeerd heb) en die smeet ze, toevallig voor onze voeten, in de zijsteeg door de tralies (foto 1973) naar buiten, want ze wilde die rotzooi niet van haar bewakers. Bij dit zelfde politiebureau waren wij er ook nog getuigen van hoe “men” een jonge man van ca. 12 jaar van zijn hevig huilende en aan de arm van die jongen trekkende moeder rekruteerde. Hij moest ook naar het front. Tegen het einde van de oorlog sleepte men nog vele jongens als kanonnenvlees naar de afweer.

Na al deze belevenissen werd het hoogste tijd uit Ried te vertrekken en wij gingen, weer bepakt en bezakt richting grens. We kwamen daar door Braunau (O) en over de Inn naar Simbach (D). Alleen Duitse troepen waren nog mobiel en zo konden we ons liftend en lopend verplaatsen. We werden een keer haastig in een legerauto gegooid en onze bagage er achteraan en kwamen op kermende en kreunende gewonde soldaten terecht. Die arme donders waren ook niet blij dat wij nog bovenop hen terecht kwamen. In een kaal restaurant maakten we een pauze en daar zat een soldaat uit een blikje te smikkelen. Hij had echter niet naar de W.C. moeten gaan en het blikje laten staan. Tony zei plotseling kom gauw mee en trok ons de deur uit. Pas een heel stuk verder bleek dat hij zich over dit eenzame blikje ontfermd had, er zat heerlijk vlees in en we hebben er met elkaar lekker van gesmuld. Vlees was natuurlijk een rariteit. Ergens onderweg konden we weer een paar dagen in een kamer doorbrengen en door het nauwe contact met het leger smaakten we het genoegen allemaal scabies (schurft) opgelopen te hebben. Voor dat we naar bed gingen stonden we alle vier ieder in een hoek van de kamer onze buiken stuk te krabben. Want de jeuk was onze begeleider. Ook tussen de vingers was het feest in de tent. We zijn er ook weer vanaf gekomen, hoe weet ik niet meer. Later hadden we ook kleerluizen, dan zat er niet anders op dan alle kleding die je aangehad had te verbranden.

Toen we de brug, die de grens vormde tussen Oostenrijk en Duitsland met een legerauto gepasseerd waren en ons dus nu weer in Duitsland bevonden, zagen we achterom kijkend deze laatste brug de lucht ingaan. Die werd door de Duitse troepen met explosieven vernietigd om de optrekkende Amerikanen tegen te houden. We kwamen dus steeds dichter bij het front. We zaten ook eens in een legerauto vol met kisten met allerlei apparatuur en een zeil over de dakspanten. Op die weg werd alles wat bewoog, dus het terugtrekkende Duitse leger, beschoten. Nu was het de kunst van de chauffeur van het ene bos door open gebied naar het volgende bos te komen op het moment dat de diepvliegers over waren en gingen keren. Hij raasde dan zo snel mogelijk over de weg. Wij zaten op die kisten en konden alleen maar hopen dat hij weer tijdig het bos bereikte want een zeil houdt geen kogels tegen. Met moeite hielden we ons evenwicht en hadden helemaal geen tijd om ons zorgen te maken of we geraakt zouden worden.

Nadat dit een paar keer gebeurd was, gaven we er toch de voorkeur aan om uit te stappen en op eigen houtje verder te gaan. Aan de bosrand te voet verder trekkend ontdekten we op een lange rij afgestelde kleinere vliegtuigen, die in grote getale daar achtergelaten waren. Zeker een stuk of dertig en ze waren met Duitse grondigheid precies in een lange rij opgesteld. Vermoedelijk waren het Stuka’s, geen idee. Tony en ik klommen erin en er lagen nog lange gordels met munitie en handgranaten. Wij zijn er wijselijk vanaf gebleven, want wisten wij veel wat er ontploffen kon. Ook troffen we in één van die bossen een vol met kaas en bloedworst achtergebleven bus van ontvluchte SSers. We wisten niet of er nog militairen in de buurt waren, maar handig geworden in het stelen, hebben we zo snel mogelijk meegenomen wat we dragen konden en aten eerst dagen lang bloedworst en daarna de kaas. Het had ons weer ca. 3 weken in leven gehouden maar deze eentonigheid van voedsel brak toch wel op en ik heb zeker tien jaar lang geen kaas meer gelust. We hielden ons zoals gezegd, vaak op in de bossen en op een dag zag ik daar hele leuke bloemen staan. Wilde die gaan plukken, maar een soldaat die in de buurt was, rukte mij aan m’n arm terug. Het bleek moeras te zijn, waar je zo in kon verzinken. Mijn beschermengelen waren nog steeds in de buurt. Hoe vaak waren we de dans al ontsprongen. Ook nu nog kan ik me erover verbazen dat geen van ons ooit gewond is geraakt, laat staan gedood.

Zo’n ‘wegwezen’ geschiedenis was ook in Rosenheim op het station gebeurd op onze weg naar Oostenrijk. We zaten al in de trein om verder te reizen, maar moeder zei toen we nog maar net een plaatsje gevonden hadden. “Eruit, vooruit uitstappen”. En ja hoor, ook hier volgde een bombardement. Je kunt wel zeggen dat we vaak door haar en andere situaties NOOIT een bombardement direct hebben meegemaakt. Dat mag wel een wonder heten als je dwars door oorlogsgebieden trekt.We naderden München en zaten in een open vrachtwagen met verschillende mensen. Er was ook een tamelijk grote man bij, goed gevoed en in civiel. Eigenlijk te opvallend en Marianne had gauw door dat hij waarschijnlijk een Amerikaan was die door de vijandelijke linies een naar voren geschoven militair was. Ze sprak hem aan in het Engels en hij reageerde daarop. Ik was daar nogal verbaasd over herinner ik mij. We kwamen in de stad aan waar nog steeds Duitse militairen waren. Er stonden enige wachtposten bij elkaar en toen de vrachtauto een stop maakte, ging Marianne van de auto af en op die wachtposten toe. Mijn herinnering aan Eierbinki was nog niet verbleekt en ik rook onraad. Mijn Engels was zeer gebrekkig maar het Engelse woordje “GO” kende ik wel, dus dat zei ik tegen die man. Hij keek vlug om zich heen, snapte meteen de situatie, sprong van de auto en zei tegen mij “God bless you” en verdween naar de andere kant. Geheel zeker was ik natuurlijk niet over de rol van Marianne, wilde ze die man verraden of niet en daar ben ik ook nooit achter gekomen, want als ik haar gevraagd had, had ze zeker ontkend en misschien was mijn verdenking ook onterecht. Ze overzag geloof ik nooit echt wat ze met haar doen veroorzaakte, hoofdzaak ze kon zich interessant maken. Dat was altijd haar drijfveer. Die was niet politiek gericht maar op meerdere glorie van haarzelf. Dit bleek ook heel vaak in haar verdere leven. Het klinkt helaas niet zeer sympathiek om zo over je zuster te praten, maar in ons verdere leven is me dit deel in haar karakter steeds meer opgevallen. Ter wille van mijn moeder die altijd gek op haar is geweest, heb ik hierover altijd gezwegen, maar dat wil ik nu niet meer. Beiden zijn inmiddels overleden en nu voel ik me vrij over de donkere kanten van onze familie te praten. Liever had ik over allen leuker en sympathieker gesproken. Ze hadden ook zeker allen hun goede kanten maar de schaduwzijde heeft altijd een grote invloed gehad op ons het leven van de familie.

We zijn dus in München en bivakkeerden in het Deutsche Museum. Ja, dat was toen ook mogelijk. Daaraan herinner ik mij de brug over de Isar bij een kruising van de ‘Stille Isar’. In die brug was een groot gat geslagen midden op de weg door een bom. Je kon het water eronder door zien stromen. We waren op een bovenverdieping met uitzicht op een binnenplaats en konden daar in de hoek van een zaal slapen en ons een beetje inrichten. Ergens onderweg hadden we een klein kacheltje opgedoken en konden hierop koken en ons warmen. Dit potkacheltje hebben we tot aan Amsterdam meegesleept en zelfs daar nog de eerste tijd gebruikt.

Op een dag in een kleiner plaatsje in Beieren vond mijn moeder dat we daar maar moesten blijven tot “de fronten” gewisseld hadden. Dat ging relatief gemakkelijk. De tanks van de geallieerden kwamen het dorp inrijden. Overal hingen witte vlaggen uit de ramen en er werd dan ook weinig geschoten. Alles werd doorzocht en er kwamen steeds meer Duitse soldaten uit huizen, schuren enz. te voorschijn. Ze werden bij elkaar gedreven en afgevoerd als gevangenen. En dat was dat. In dit gedeelte waren Canadezen en Fransen. En hoe wil het weer. Een Canadees, een hele grote man met de mooie naam Douglas Iwemotto, was gecharmeerd van Marianne en een kleine Fransman ook. Twee rivalen op de kust. Marianne wilde ze geen van beiden en voor Douglas was ze bang. Zij heel klein (1,43 mtr) en hij zo groot. Van pure ellende had hij behoorlijk gedronken en eiste dat ze uit onze gezamenlijke kamer naar beneden zou komen. Toen hij dreigde door de deur te zullen schieten, zijn we alle vier naast de deur tegen de wand gaan staan. Hij was er gek genoeg voor. Grote opluchting toen hij stommelend de trap weer af ging. Die kleine Fransman was het tegendeel, zeer bedeesd.

Ook dit was weer aanleiding verder te trekken. Kriskras gingen we door de lande en toen troffen we een aantal Nederlandse mannen. Of het dwangarbeiders of gevluchte SS’ers waren, daar werd door niemand over gesproken. Zij hadden een truck op de kop getikt en door knoeien met de kilometers die ze mochten rijden (een nul erachter bracht je al een heel eind verder) konden ze zich verder westwaarts verplaatsen. Ze hadden ons ook opgenomen en met hen zijn we nog een tijdje rondgetrokken en op een boerderij geweest, waar we met z’n allen (10 a 12 mensen) op de hooizolder mochten slapen. Tony en ik gingen brandnetels plukken die net als spinazie smaakte..Van de boer hadden we een geit gekregen om te slachten, want onze aanwezigheid had verhinderd dat vrijgelaten Polen (die op rooftocht waren, kan je het ze kwalijk nemen) zijn paarden konden stelen. Mijn moeder had ze in de nacht gehoord. Ook hier weer een probleem in de liefde. Eén van die knapen en Marianne waren verliefd geworden en zij wilde eerst niet met ons verder trekken. Alweer eens grote ruzies. Moeder wilde graag proberen naar Hannie te zoeken, het adres had ze.

Op een dag is ze van die boerderij vandaan met Tony op weg gegaan naar Donauworth. Het meeste moesten ze te voet afleggen, maar ze hoefden niet veel bagage te sjouwen, want Marianne en ik bleven achter op die boerderij om te wachten op hun terugkomst. Dat was ook geen grapje, want die op mijn zus verliefde jongen vond mij een aardig meisje en Marianne toonde zich daarom erg jaloers als ik heel onschuldig met hem aan het stoeien was. Daar stak niets achter.Moeder en Tony kwamen na ca. een week weer terug. Ze hadden heen en terug ca. 300 km hoofdzakelijk te voet afgelegd. Tony vertelde, “als we stil stonden liep de weg steeds nog verder onder me door”. Ze vonden ergens een half kapot kabelkarretje, wat soldaten in het veld gebruiken om te telefoneren. De kabel was weg, maar het karretje deed nog goede diensten om bagage op te vervoeren tot het van ellende uit elkaar viel. Onderweg bedelden ze wat drinken en eten bij elkaar. Hier een glas melk, daar een boterham. Er was een vrouw die, nadat ze vernomen had waar moeder en Tony naar toe wilde, gevraagd had of zij een brief daar in de buurt konden bezorgen bij familie, want de post functioneerde natuurlijk ook niet meer. Ze werden vaak door de Amerikanen gecontroleerd, maar die waren erg coulant. Ze lieten dan een foto zien van Hannie in het Duitse Rode Kruis-uniform, maar dat scheen niet veel uit te maken en ze waren dan heel vriendelijk en behulpzaam. Hannie zag er ook voor haar leeftijd tamelijk kinderlijk uit dus dat zal ook wel een rol gespeeld hebben. Helaas was Hannie net een dag of drie tevoren vertrokken, waarheen was onbekend. Ze vonden nog wat spullen van haar en namen die mee. Omdat ze onderweg ook probeerden te liften, uiteraard nu met Amerikaanse legerauto’s, troffen ze op een dag die Canadees, Douglas I. Het was hun net verboden met een auto mee te mogen rijden en toen heeft hij nog gezorgd dat ze toch met die legerauto een heel eind meekonden. Hij had nog gevraagd “How is Marianne” “where is she”. Met handen en voeten want ze spraken geen Engels, hebben ze het hem geprobeerd uit te leggen.