Een fout kind van goede ouders

09-1944

“Het basisgevoel van vertrouwen is ons als kind ontnomen” Mariës Dumont woonde als kind in een NSB-huis, een huis waar kinderen werden opgevangen van ouders die ‘fout’ waren in de oorlog. Haar vader was een van de eersten die zich bekommerden om deze kinderen. Ondanks de tegenwerking van veel ‘goede Nederlanders’ ving hij de NSB-kinderen op. Ook zijn dochter Mariës ging er wonen. Mariës vertelt haar verhaal om duidelijk te maken hoe belastend kortzichtige labeling is en hoe het de loyaliteit tussen gezinsleden onder druk zet, de gezinsrelaties verstoort en de toekomst troebleert.

Tijdens carnaval. Ik zit vooraan rechts, met de klompjes en de vlechten

De bevrijders

September 1944. Op een middag, ik was toen vijf jaar, zag ik ballonnen in de lucht. "Dat zijn parachutes", zeiden mijn vader en moeder, "dat zijn Amerikanen, dat zijn bevrijders." Ze klonken blij.

Een nacht en een dag later liep ik met mijn vader mee, gewoon met mijn vader mee. We liepen naar een huis, een groot huis. Ik zag wel honderd kinderen. We speelden en daarna moesten we op stro gaan liggen om te slapen. We begrepen niet waarom we niet naar huis mochten. Ik was bang, alle kinderen waren bang. Waarom waren we hier? Zo kwamen er veel dagen en nachten.

Ik kreeg twee heel dikke vriendinnetjes. We zorgden altijd dat we tegen elkaar aan sliepen. Buitenspelen mocht niet. Eerst vonden we dat raar. Later niet meer want soms gingen we ergens heen en dan moesten we heel hard rennen van de voordeur naar de Amerikaanse vrachtwagen die ons weg zou brengen. Mensen op straat gooiden stenen naar ons. Het waren kinderen, maar ook volwassen. Ze schreeuwden naar ons en bleven stenen gooien tot we bij de vrachtwagen waren. Daar stonden Amerikaanse soldaten die ons in de wagen hielpen. Ze reden ons dan naar een nonnenklooster midden in de bossen. We dachten dat we konden spelen, maar dat mocht nooit. We moesten erwten doppen of bonen ritsen aan grote tafels. Ik denk nu dat het een soort milde straf was en dat we spelen niet verdiend hadden volgens de nonnen en de Amerikanen.

Een paar keer gingen we verder weg. We gingen naar de ouders toe. Die zaten in kampen, zo noemden de mensen dat. De vaders konden we niet vinden, de moeders wél. De beelden van de eerste keer dat we daar naar toe gingen staan nog op mijn netvlies. Een kluwen van gillende vrouwen en kinderen. De meeste vrouwen waren kaal, vervuild en mager. Vrouwen en kinderen die elkaar omverliepen en bewakers tussen hen in. In het gedrang werd ik bijna platgedrukt en ik wist niet naar wie ik moest zoeken. Vrouwen die ik niet kende, pakten me vast.

“Mijn moeder had haar, waarom waren die andere moeders dan kaal?”

De moeder van mijn ene vriendinnetje vonden we in het eerste kamp. Je kon zien dat ze blij waren maar ook heel verdrietig. Mijn andere vriendinnetje vond haar moeder in het derde kamp .Ook zij bleven maar huilen. Het werd nacht en we bleven in dat kamp, apart van de moeders. Samen met mijn twee vriendinnen lag ik op het stro. We waren met z’n drieën één klompje verdriet. Mijn moeder was nergens en dat snapte ik niet. Ik snapte niets eigenlijk. Mijn moeder had toch háár, waarom waren hun moeders dan kaal? En wáár was mijn moeder dan? Huilde mijn moeder ook?

Terug in dat grote huis zei een leidster dat mijn moeder gewoon thuis was. Waarom dat was zei ze niet. En ik weet nog dat ik me schaamde. Als alle moeders in een kamp zaten dan moest mijn moeder daar toch ook zijn?

Af en toe mochten kinderen weg - na een paar jaar allemaal. Ik ging toen ook weer naar huis.

Kort daarna, ik was toen acht jaar, ging ik voor het eerst naar school. Ik vond dat leuk. Maar het was wel gek dat niemand luisterde als ik iets vertelde over het huis waar ik geweest was. Volwassenen zeiden dat het beter was als ik niet over het huis vertelde.

Soms deed ik dat toch. Ik wilde mijn vriendinnetjes gaan zoeken. De mensen zeiden dat mijn vriendinnetjes dat niet leuk zouden vinden. Ze zeiden dat die vriendinnetjes anders waren. En dan hield ik mijn mond. Ik wist immers zeker dat die vriendinnetjes niet anders waren. Ze waren gewoon mijn beste vriendinnetjes.

Jaren later begreep ik iets meer. Het grote huis was een NSB-huis geweest voor kinderen van foute ouders. Zo'n achtduizend kinderen werden geplaatst in tehuizen onder toezicht van Bureau Bijzondere Jeugdzorg. Mijn vader, een zeer sociale man, had op de avond dat onze stad bevrijd werd, gezocht of er kinderen waren achtergebleven in de huizen van NSB'ers, die waren opgepakt en afgevoerd. Hij vond er meer dan tweehonderd. Van baby ’s tot jongeren van zestien, zeventien jaar. Hij vorderde op eigen initiatief een huis en probeerde in de chaos opvang te realiseren in samenwerking met het inderhaast en provisorisch opgericht Bureau Bijzondere Jeugdzorg. Hij heeft dat tehuis naar beste kunnen geleid. En mij nam hij mee daar naar toe.

Uitsluiting en isolatie

Pas jaren later kwamen de kinderen van foute ouders naar buiten met de zo specifieke problematiek van het ‘kind zijn van’. De problematiek van het voortdurend afgerekend worden op de foute keuzes van hun ouders. Een totale veroordeling waartegen nauwelijks verweer mogelijk was en is. Ik heb hun verhalen gevolgd, me ermee geïdentificeerd. Gevoeld hoe isolatie hun deel werd. Uitsluiting in sociaal opzicht, beperking in studiemogelijkheden, geen werk en vul maar aan. Ik had hun leven voor een tijd gedeeld. Als kinderen waren we hetzelfde. Door de houding van de maatschappij werden wij - ten onrechte - ongelijk.

Maxima en haar vader

Inmiddels, nu de chaos van de Tweede Wereldoorlog voorbij is, en we geconfronteerd worden met nieuwe oorlogen blijken we niets geleerd te hebben. In Nederland zijn publicaties verschenen waarin met lichte schaamte gesproken wordt over de hardvochtige houding van Nederlanders ten opzichte van de kinderen van foute ouders na de Tweede Wereldoorlog. Zoals het boek ‘Fout geboren’ van Bas Kromhout (2004). De ‘kinderen’ in het boek getuigen. Zo zegt Jantje:"We hadden geen schuld, maar we moesten boeten." En: “Sommige Nederlanders zijn tegenover onschuldige kinderen goed fout geweest.” En Joan: "Het stigma bestaat nog steeds. Ik heb me mateloos geërgerd aan alle consternatie rond Maxima en haar vader. Daar zie je hetzelfde uitsluitingsmechanisme dat kinderen van NSB’ers altijd heeft getroffen. Is het nou zó moeilijk om te snappen dat een kind geen verantwoordelijkheid draagt voor wat ouders hebben gedaan of gelaten?” Kinderen van foute ouders, die in essentie het gevoel meekrijgen ‘er niet te mogen zijn’, krijgen nooit vanzelfsprekend begrip voor hun oorlogstrauma. Juist die kinderen moeten elke erkenning van hun leed nog steeds bevechten.

“Sommige Nederlanders zijn tegenover onschuldige kinderen goed fout geweest”.

Dunne scheidslijn

Uit mijn eigen tijd in het NSB-huis heb ik een wantrouwen ontwikkeld tegen groepen. Mensen gooien stenen, mensen schelden je uit. Alleen als ik samen ben met andere kinderen en als ik alleen ben, ben ik veilig. Het basisgevoel van vertrouwen is ons als kind ontnomen. Mensen zijn nog altijd vijandig als ik vertel dat ik in een NSB-huis heb gezeten. Ik kan die vijandigheid alleen keren door te zeggen dat mijn vader ‘goed’ was maar niet op mijn eigen verdienste. Hoe dun kan de scheidslijn zijn waarop acceptatie gebaseerd is. Ik kan wijsheid en tolerantie in mensen testen door mijn verhaal. Ik kan de absolute dwaasheid van de stelling ‘foute ouders hebben foute kinderen’ onderbouwen. Daarom heb ik dit geschreven.

Indertijd kon niemand vermoeden hoe intens, hoe ‘levenslang’ de stigmatisering van kinderen van NSB’ers zou zijn. Ook mijn vader niet. Mijn vader was een mild mens, hartelijk, kende geen vooroordelen. Vanuit die optiek moet hij gedacht hebben: wat goed is voor deze kinderen, moet ook goed zijn voor mijn dochter.

Hij en ik hebben er nooit echt over gepraat. Ik weet ook niet of ik in het begin zoveel vragen had. Kinderen nemen veel als vanzelfsprekend aan. Later zouden vragen betekenen dat ik me eigenlijk wilde distantiëren van de kinderen waarmee ik geleefd had. En dat wilde ik niet. Ik hield van mijn vriendjes en vriendinnetjes. Ik had het goed in dat tehuis omdat zij waren die ze waren. We waren hetzelfde .Ik heb het gevoeld: kinderen van foute ouders zijn kinderen, gewoon kinderen. Kinderen die nooit mogen worden afgerekend op de foute keuzes van hun ouders. En wij, wij moeten leren van toen! Blijven wij stenen gooien naar kinderen? Gaan we opnieuw - en nu bewust - schaamte over onszelf afroepen over de wijze waarop we kinderen van 1F-ouders hebben behandeld?

Dat kán en mág niet zo zijn!