Memoires

Herinneringen van een kind aan het oostfront Het is alsof bij het ouder worden de jeugdherinneringen steeds meer en vaker aan de oppervlakte komen en een rol gaan spelen in je leven. Vooral als je, zoals ik, daarbij heel nare ervaringen hebt opgedaan. Ervaringen, die een dermate invloed op je latere leven hebben gehad, dat je er nog steeds spanningen van ondervindt. Nu ik dan de VUT-leeftijd heb bereikt, krijg ik de behoefte de hele geschiedenis van me af te schrijven – mede op advies van een psychiater.

Soldaten ariveren in de Harskamp, mei 1945

We beginnen bij de meidagen van 1940. Er is oorlog, de lucht ziet zwart van de rook door het bombardement van Rotterdam. Als we bij ons in Krimpen op de dijk staan, zien we de Duitse parachutisten op Ysselmonde naar beneden komen. Ik herinner me nog het angstige gevoel dat ik had, ik was toen 12 jaar.

De grootste schrik kreeg ik echter een paar maanden later, toen ik van mijn vader hoorde dat hij NSB-er was. Ik weet nog goed hoe ik me voelde. De wereld stortte voor mij in.Het ergste was nog dat mijn schoolvriendjes niet meer met mij om mochten gaan. Ik stond alleen en had in die periode geen vriendjes meer om mee te spelen. Omdat een jongen van 12 moeilijk zonder kameraadjes kan, gaat hij anderen zoeken, in mijn geval dus soortgenoten.

Zo ben ik dan bij de Jeugdstorm terecht gekomen. Iedere zaterdag kwamen we bij elkaar en deden dan onder begeleiding spelletjes e.d. Er werd veel aan sport, vooral atletiek, gedaan. Dit heb ik 2 jaar volgehouden. Toen gebeurde er iets dat mijn leven toen een heel andere wending zou geven.Ik was 14 jaar geworden in september, een Jeugdstormer werd dan Stormer en mocht een koppelriem schuin over de rechter schouder dragen, mits hij officieel geïnstalleerd was. Ik was dat natuurlijk niet, maar had toch een koppelriem omgedaan. Toen gebeurde het volgende. In het gebouw van samenkomst kreeg de leider in de gaten wat ik droeg en commandeerde: ‘koppelriem af’ tot zeker 4 à 5 keer toe en ik deed dit niet. Hij kwaad, ik trots. Ik pakte de contributiekaarten, die ik van de leden onder mijn beheer had, uit mijn borstzaken, smeet ze door de zaal en riep: ‘ik ga weg en kom nooit meer terug’. De leider kwam me na tot buiten het gebouw, waar omstanders getuige waren van de ruzie. Ik ben naar huis gegaan, waar ik alles aan mijn vader uitgelegd heb. Hij heeft mij er vrij in gelaten. Ook toen in de daarop volgende week de leider kwam praten of ik terug kwam (ik mocht dan de koppelriem dragen) heb ik nee gezegd en ik ben nooit meer gegaan.Nu had ik helemaal geen vriendjes meer, hoewel, het plagen op school was over. Het voorval bleek als een lopend vuurtje door de gemeente te zijn gegaan en men begon mij te waarderen geloof ik.

Tot ik op een zondagmiddag alleen op de hoek van onze straat en 3 van mijn vroegere schoolvriendjes voorbij kwamen, stil bleven staan en mij vroegen of ik mee ging voetballen. Ik ben huilend naar huis gehold en heb een paar oude schoenen aangetrokken en heb nog nooit van mijn leven zo fijn gevoetbald als die middag. Ondanks de oorlog heb ik toen nog een leuke periode meegemaakt. Ik kreeg toestemming van mijn vader lid te worden van de voetbalclub en ben in competitieverband gaan spelen. Ik bleek een aardige voetballer te zijn. Ook bij atletiek blonk ik uit. Van hoogspringen en 300 meter hardlopen heb ik nog clubkampioenschappen op mijn naam staan.

Over mijn vader, die mij dus helemaal vrij gelaten had, wil ik vanuit die periode ook nog een voorval vertellen, omdat ik de overtuiging kreeg dat hij graag terug wilde maar niet meer kon. Het zat zo: Op een dag kwam een man, bij ons uit de buurt, met het verzoek of mijn vader – als NSB-er – ervoor zou kunnen zorgen dat zijn joodse vrouw, die opgepakt was, weer vrijgelaten zou kunnen worden. Mijn vader heeft toen naar Seyss Inquart geschreven met als gevolg dat de vrouw naar huis is gekomen en zelfs geen ster hoefde te dragen. Ik heb nog nooit een man zo gelukkig gezien als deze echtgenoot toen hij mijn vader kwam bedanken. Binnen 14 dagen was deze vrouw echter weer gevangen genomen, is nooit meer terug gekeerd en mijn vader kreeg een persoonlijk schrijven van Seyss Inquart dat hij zich niet meer met joodse zaken moest bemoeien, en anders op de zwarte lijst geplaatst zou worden. Toen hoorde ik hem zeggen: ‘Nou kan ik niet meer terug’. Ik ben ervan overtuigd dat voor het verraad van de joodse vrouw de verkeerde na de oorlog heeft moeten boeten.

De man die mijn vader het verzoek deed een verzoek te doen voor vrijlating van zijn joodse vrouw, was de heer Van R., buurman van politieagent dhr. S. Deze heer S. was een leidende figuur in het verzet. Toen de politie opdracht kreeg voor de tweede maal mevrouw Van R. op te halen, had de dappere verzetsman de plicht om deze mevrouw te waarschuwen. Hij verzaakte. Het resultaat is bekend. Mijn vader, die zijn nek had uitgestoken, kreeg van de bezetter de opdracht zijn sibbe na te trekken om te zien of er joden in voorkwamen. Dit in verband met onze joodsklinkende naam. Het was voor ons een hele opluchting toen bleek dat we hier vrij van waren. Stel je voor, een NSB-familie in de gaskamer.

De naam S. op een herdenkingsmonument zou de grootste leugen zijn van Krimpen aan den Yssel.

Laat ik het nu verder over mijzelf hebben.

Dolle Dinsdag

Het werd 1944 en iedereen kon zien dat Duitsland de oorlog ging verliezen. Ondanks V I en V II raketten was het een verloren zaak. September kwam en mijn vader, die altijd van huis was, kwam even langs om te zeggen dat we moesten vluchten naar Duitsland in verband met Dolle Dinsdag. Hij moest weer weg en wij bleven over met moeder, 2 broertjes en een zusje. Ik was de oudste. Ik hoefde niet weg, als afvallige kon ik bij de familie blijven, maar voelde me verplicht om als oudste met de anderen mee te gaan. Ik kon moeder niet in de steek laten. ’s Ochtends in alle vroegte op een schip, waarmee we naar Rotterdam voeren, vanaf daar op transport met de trein naar Duitsland. Alles wat we hadden thuis achterlatend, met alleen wat handbagage bij je. Via Bremen naar Celle, waar we in het naburige dorpje Wietze Steinförde in een school werden ondergebracht.

Daar is het verraad begonnen en enkele leiders, die zelf met een hand in het verband ons ervan moesten overtuigen dat we niet lijdzaam mochten toezien hoe Duitsland onder de voet werd gelopen. Na ongeveer 10 dagen Duitsland werden alle mannen boven de 14 jaar opgeroepen (eingesperrt) en geselecteerd op leeftijd. Jongens van 14 tot 17 jaar zijn, na verzamelen en omzwervingen in een weersportkamp terechtgekomen. Ik zie nog mijn moeder met mijn jongste broertje en zus ons – mijn andere broer en ik – nawuiven op het kleine perronnetje van Wietze Steinförde. Het zou bijna 3 jaar duren voor ik ze weer terug zou zien.

In het betreffende weersportkamp kregen we een disciplinaire opleiding van afgekeurde (invalide) SS-ers. We moesten exerceren, kompas lopen en veel sporten. Voor alle takken van sport kon men diploma’s halen. Ik had er veel. Zo langzamerhand aan begon je ook de bedoeling van dit alles te begrijpen. Men begon te ronselen voor het leger. Nu had ik met enkele vrienden die ik had opgedaan een adres in het dorpje Seeboden (Oostenrijk), waar het kamp gevestigd was, waar we naar een buitenlandse radio konden luisteren. Ik weet niet meer welke dat was. We werden daardoor wel ingelicht over de toestand van de oorlog. Ik weet nog dat het ten tijde was van de Slag om Arnhem. Ook wij konden voorspellen dat Duitsland het geen jaar meer kon houden. Tijdens één van de ronselpraatjes door de Ober Scharführer (sergeant majoor) vroeg ik wat er zou gebeuren met ons als we niet tekenden. We zouden dan in één of andere fabriek tewerk worden gesteld. Op de vraag wat er zou gebeuren als we wel tekenden kregen wij te horen dat we een oorkonde kregen met een rood lintje en pas op onze 18de verjaardag een oproep zouden krijgen. Tot die tijd gingen we terug naar de plaats waar moeder ingekwartierd was. Ik had dus nog 2 jaar de tijd, want ik was in het kamp 16 geworden. Mijn broer was pas 14. Wij hebben toen getekend en met mij, zeg maar, alle 165 jongens die daar waren, voor het Nederlands Legioen. Dus niet voor de SS.

Soldaat

Over die periode in dat kamp wil nog een voorval opschrijven, dat het vermelden waard is. We worden op een dag bijeen geroepen in de grote eetzaal, waarin ook een podium was. Toen we allemaal plaats genomen hadden, kwamen 3 of 4 Jeugdstormleiders binnen en gingen op het podium staan. Eén van hen nam het woord. Wat hij te vertellen had kwam op het volgende neer. Vanaf dit moment moesten wij vergeten dat wij Hollanders waren. We waren namelijk opgenomen in het grote Duitse Rijk en moesten daar trots op zijn. Ook moesten we bereid zijn daarvoor te vechten.

Omdat wij dus Duitsers waren geworden moesten wij bij het einde van de bijeenkomst gaan staan en het Duitse volkslied zingen. 165 jongens van 14 tot 17 jaar bleven zitten. En u kunt het geloven of niet, maar ik ben gaan staan en ik ben gaan zingen:Waar de blanke top der duinenSchitterend in de zonnegloedWaar de Noordzee vriendelijk bruisendNeerlands smalle kust begroetJuich ik langs het vlakke strand (2x)Ik heb u lief mijn NEDERLAND (2x)165 jongens waren gaan staan en hebben met mij dit lied gezongen terwijl bij velen de tranen over de wangen liepen. Waarom juist dit lied? Ik weet het niet, misschien had ik de moed niet voor het Wilhelmus of wilde ik niet van Duitse-bloed zijn. Dit schoot me blijkbaar zomaar te binnen. De SS lieten zich niet meer zien en de Jeugdstormleiders zijn het kamp uitgevlucht, nagekogeld met stenen.

Enkele dagen later moest ik afscheid nemen van mijn broer. Later bleek dat hij werd ingezet bij de organisatie Todt. Schutterputjes graven voor soldaten. Wij wat ouderen werden op transport gesteld naar een ander kamp. Van de belofte – terug naar moeder – is nooit iets terechtgekomen. Na enkele maanden in dat andere kamp (Malta) te hebben gezeten, zijn we naar de SS-kazerne getransporteerd in Graz. Precies om 12 uur oudejaarsnacht van ‘44/’45 liepen we door de poort de kazerne in. Daar in die kazerne kregen we een volledige soldatenopleiding door SS-kader. Waren deze mannen allemaal slecht? Wij hadden een luitenant (Sturmführer) die tijdens een nachtoefening aan ons vroeg hoe we er terecht waren gekomen. Toen we het hem verteld hadden schaamde hij zich. ‘Wat is mijn vaderland diep gezonken’ waren zijn woorden. Een oude rot uit het SS-leger moest zich beheersen niet te gaan huilen. Wij hebben er een goede officier aan gehad.

Er waren ook anderen. Op een morgen moesten we om 5 uur al opstaan en aantreden. We werden naar een uithoek van de kazerne geleid, waar we met de hele compagnie van jongens in de leeftijd 16-18 jaar om een grote kuil werden opgesteld. Even later werd een jongen van onze leeftijd in een wit doodshemd aan een paal – midden in de kuil – vastgebonden en voor het vuurpeloton geplaatst. Het bleek een deserteur en had nog enkele feiten op zijn geweten. Hij werd, waarschijnlijk als afschrikbeeld, voor onze ogen doodgeschoten. De kazernecommandant had hem ter dood veroordeeld en had daar ter plaatse zelf het vonnis voorgelezen. Begrijpelijk dat door ons niet meer aan vluchten werd gedacht. Wij hebben daar in Graz nog wel verschillende bombardementen meegemaakt. Eén was zo hevig en dichtbij dat het ook uit onze groep levens heeft gekost. Naast mij op de kamer lagen 2 broers, waarvan ik de naam ben vergeten. Na het bombardement waren ze weg en hebben we nooit meer iets van ze gehoord. Hopelijk zijn ze toen gevlucht en leven ze nog. We hebben daar ook nog een tatoeage gekregen onder de arm. Over deze tatoeage deden de vreemdste geruchten de ronde. Het zou een speciaal SS-teken zijn of zoiets. Nou, bij mij is het een A en betekende niets anders dan mijn bloedgroep.

De laatste maanden van de oorlog zijn voor ons de verschrikkelijkste geweest. We zouden ingezet worden tegen de Russen. We werden op transport gezet in goederenwagons, dwars door Duitsland naar Stettin. In de verte hoorden we daar het kanongebulder al van het front. Van de stad zelf stond geen huis meer overeind. Alles wat ik me ervan herinner is puin. Wij hebben toen heel veel te danken gehad aan een Jeugdstormleider die wel bij ons gebleven is. Hij heeft van de Duitsers toen ook een rang gekregen van onderofficier en heeft ons door vele penibele situaties geleid. In Stettin werden we in ieder geval niet ingezet. We zijn daar weer op transport gezet, weer dwars door Duitsland, richting Oostenrijk, toen nog de Ostmark geheten. In de buurt van Dresden hebben we toen nog zeker een week op een zijspoor gestaan omdat we niet verder konden in verband met het zware bombardement op die stad. De spoorlijnen waren ontwricht. Een rustige week was dat. Midden in het bouwland en bossen bij prachtig voorjaarsweer. We aten reebout die we geschoten hadden. De oorlog leek ver weg.

Maar de dag kwam dat we verder moesten. De trein ging weer rijden. Het duurde dan ook niet lang meer of we kwamen in Wenen aan op het Noorderstation. Daar werden we ook ingekwartierd. Om de haverklap luchtalarm en veel puin. Daar op dat station hebben we wel huis gehouden. We hebben daar een pakhuis, vol met dozen koek, geplunderd. Honger hadden we niet op dat moment en de dorst ging ook over toen we op het rangeerterrein een huizenhoog wijnvat ontdekten dat door het bombardement half van een wagon was gerold. Daar zaten heel gauw 2 kogelgaten in en alles waar wijn in kon werd gevuld. Toen wij de volgende dag bij het wijnvat kwamen, liep er nog wijn uit, maar er lagen 2 oude Weners stomdronken bij het vat. Ik weet nog dat we ze meegenomen hebben om ze weer wat op te warmen. Ze waren steenkoud.

Toen kwam het bevel dat we verder moesten. Vraag me niet hoe onze Nederlandse leiders de bevelen kregen en met wie ze contacten hadden, ik heb het nooit geweten. We zijn lopend Wenen uitgegaan. Langs de Prater richting de Donau. Bij de brug werden we opgehouden door Duitse officieren die ons probeerden in te pikken, soldatenklau noemden ze dat, met andere woorden soldatendiefstal. Ook hier werden we door onze onderofficieren prima doorheen geloodst. Enkele kilometers over de brug – de namen van de dorpjes ben ik vergeten – werden we in een soort kantoorpand weer ingekwartierd. Wat ik me daar nog van herinner is het eten, zo gepeperd, dat de vlammen je neusgaten uitkwamen. Daar hebben we ook luizen zitten vangen en geteld wie de meeste had. Dat bleek later de langste onder ons, Herman was zijn naam, hij had de grootste lichaamsoppervlakte, dus het aantal van 164 was normaal.

Wij zijn langs de Donau in noordwestelijke richting opgemarcheerd. Ik moet er nog bij vertellen dat we onze bagage, rugzakken, gasmaskers, etensblikken enz. op karretjes hadden gestapeld die we hadden meegenomen van station Noord. Nu lag langs de route die we liepen de ene wijnkelder naast de andere en het duurde dan ook niet lang of er lagen meer flessen op de wagens dan bagage. Er was daar alleen nog wijn en vooral sekt, een heerlijk drinken. We haalden niet zomaar flessen uit de kelder, nee, we haalden ze helemaal achteruit. Ik weet nog als de dag van gisteren dat je de flessen bijna niet zag door het stof en rag. Als een fles stuk viel op straat zag je alleen bruis waaronder dan een klein straaltje wegliep. Wij hebben toen zulke gekke dingen uitgehaald, dat we op bevel van de leiding alle flessen hebben moeten inleveren en zonder verder moesten. Dit was werkelijk in ons eigen voordeel, want terwijl de granaten in de buurt insloegen – zo dichtbij was het front daar – waren wij half dronken en waren er ook jongens bij die op de kar lagen. Dat transport heeft toen nog enkele dagen geduurd alvorens wij bij het onderdeel kwamen, waar we bij werden ingedeeld. Onze Nederlandse leiding kon er niet langer onderuit. Ze hadden omwegen gemaakt, vertraagd om ons zoveel mogelijk te beschermen, maar op een gegeven moment zijn er geen mogelijkheden meer.

Aan het front

Hoe moet ik deze inzet in de oorlog beschrijven? Ik ben geen held en ik weet dat ik angst had. Overal zaten de Russen. Ik herinner me nog dat ik in stelling lag en er muziek ging klinken aan het front, waarna een stem klonk die ons Hollandse jongens probeerde over te halen om over te lopen. Er was eten en drinken en er waren zelfs meisjes. Ik durfde niet. Later heb ik gehoord dat enkele van ons het wel gedurfd hebben en goed zijn opgevangen. De Russen wisten dat ze met kinderen van doen hadden. Ook weet ik nog dat we een aanval moesten plegen op een aanvoerweg van de Russen, om ze daar de pas af te snijden. Toen heb ik de kogels langs mijn hoofd voelen suizen. We zijn toen gelukkig weer teruggetrokken en kwamen onder aan een berghelling weer in stelling te liggen.

Ik denk dat ik daar een uur of 3 gezeten had, met af en toe een bezoek van de Unterscharführer, toen ik, na een poos niemand gezien te hebben, opeens uit een zijdeel 2 soldaten aan zag komen. Ik denk 50 meter daarachter een officier te paard met daarachter de hele colonne. Het waren Russen. Ik kroop achteruit uit mijn dekking en ging op zoek naar mijn maats. Ze waren weg en ik was alleen. Ik raakte niet in paniek en ben onder dekking de berg opgeklommen, tot ik voor me iets zag bewegen. Ik weet nog dat ik in dekking bleef, totdat ik zag dat het maats waren. Ze kwamen mij ophalen omdat ze me misten. Wij weer op mars. Lopen, lopen en nog eens lopen. Berg op, berg af. Honger en dorst en om ons heen overal de Russen. Drinken uit een beek terwijl 100 meter hoger een dood paard in dezelfde beek lag. Ik heb er niets van gekregen. Ik was een taaie geloof ik. Toen Toon neerviel en niet meer verder kon, richtte de Unterscharführer zijn stem op hem en ik hoor hem nog zeggen: ‘Mannen die niet meer verder kunnen schieten we dood’. Of hij het gedaan zou hebben blijft de vraag. Toon ging tussen 2 man verder in, ik droeg zijn geweer, daarbij ook mijn eigen geweer en een munitiekist vol met mitrailleurbanden. Ja, ik geloof dat ik een taaie was.

Ik denk dat ik ook mijn angst goed kon verbergen, want ik moest veel op wacht staan. Ik geef het je te doen ’s nachts, bij een volle maan en wat wind in het bos. Overal zie je Russen en de rest maar slapen. Dan gaat er vreselijk veel door je heen en van angst krijg je de behoefte om eens flink te gillen. Maar ja, dat kan nu eenmaal niet. Als ik me nu realiseer dat ik toen 16 jaar was, kan ik niet begrijpen dat ik dit heb meegemaakt. Het is toch echt waar.

Op een dag moest ik mee op patrouille. En gefluisterd commando: liggen. Daar lagen we in een greppel terwijl op ongeveer 10 meter afstand een Russische patrouille langsliep. Ik hoorde ze praten. Ik deed het bijna in mijn broek. Toen kwamen we in het dorpje Lilienfeld. Het is zo klein dat ik het later op de kaart nooit heb kunnen terugvinden. Daar is het dan gebeurd. We moesten een Duits keurkorps valschermjagers aflossen en werden in stelling gebracht. We zaten samen in een schuttersput. Zijn achternaam begint met een S herinner ik me nog. Ik wilde een sigaret opsteken maar had geen vuur. Ik zei dat ik het even ging halen en kroop achteruit uit het gat en ben naar de volgende put gegaan. Daar lagen Herman en Henk. Herman, weet je wel, de man met de meeste luizen. Ik heb vuur gekregen en heb afscheid van de jongens genomen. We wisten dat het nu ernst werd. Toen ik terugkwam bij onze put, vroeg ik S. of hij mijn geweer aan wilde pakken, want alles ging liggende en kruipende. Ik weet nog dat hij paniekerig deed en niet durfde, toen de klap kwam. Ik werd opgetild en een paar meter weggeslingerd en kon niet meer lopen. Mijn benen voelden verlamd. Ik raakte toen ik paniek en heb om de broeder geroepen. ‘Sanni, Sanni’, de afkorting van Sanitäter. Op mijn achterste en rollende ben ik naar beneden gekomen, zonder hulp, want de sanni kwam niet en overal sloegen de granaten in. Dat ik toen niet weer getroffen ben is een wonder. Beneden – hoe lang het geduurd heeft voor ik er was weet ik niet – ben ik verder geholpen door 2 afgeloste valschermjagers. Ze namen een geweer tussen zich in en met mijn armen om hun schouder en zittende op het geweer ben ik beneden bij een boerderij aangekomen waar ze me op een bank hebben gezet. Dit waren ook Duitsers die mij niet in de steek hebben gelaten. Op de bank ben ik in slaap gevallen en weer gewekt door een broeder die me verbonden en voor transport heeft gezorgd. Tussen waken en dromen weet ik nog dat ik vervoerd ben op een boerenkar met hooi erin met naast mij een Duitser met een buikwond die lag te kermen als ik tegen hem aanrolde. Want de weg waarover we moesten – in het dorp Lilienfeld – lag onder vuur, met allemaal trechters in het wegdek. Dan bleven we even achter een huis in dekking om dan weer zo snel mogelijk over een open stuk weg te snellen en weer dekking te zoeken.

Je vraagt je af wat er gebeurd zou zijn als de voorman of het paard getroffen zou zijn. En toch ben ik in slaap gevallen of bewusteloos geraakt. Toen ik weer bij mijn positieven kwam lag ik op een baar in een operatiekamer van een hospitaal. Op de operatietafel zag ik dat een soldaat werd geholpen aan een wond in zijn bovenarm. Volgens mij haalde de dokter er een scherf uit. De wond zag er lelijk uit. De soldaat kon gaan staan toen hij geholpen was. Het was Herman, waar ik afscheid van genomen had voor ik getroffen werd. Later heb ik ook zijn maat Henk nog weer ontmoet. Die was in zijn hals getroffen. Hij had een lelijk litteken eraan overgehouden. Op de operatietafel ben ik zonder verdoving, wat die was er niet, van een boel granaatscherven afgeholpen, verbonden en op bed gelegd. De volgende dag in een wagen en een rit, weer tussen waken en dromen, ben ik op een hospitaalschip terechtgekomen die in heel snel tempo de Russen probeerde te ontkomen, wat ook gelukt is.

Op dit schip is met mij een wonder gebeurd. Ik ben naar aanleiding van mijn verwondingen heel erg ziek geworden. Er is nooit een dokter of zuster geweest die mij verteld heeft wat de complicaties waren, maar ik denk zelf aan koudvuur. Wel weet ik nog dat ik vreselijk jeuk had aan de wonden en met een stokje, tussen het papierverband, me probeerde te krabben. Ook kreeg ik apart eten, terwijl de andere gewonden heel weinig eten kregen, kreeg ik elke dag wat lekkers, met bij elke maaltijd enkele medegenoten om mij heen om mijn restant te verdelen. In de meeste gevallen was dit restant zo goed als de gehele maaltijd, want ik had totaal geen honger. Men wilde het mij nooit zeggen, ook later niet, maar ik denk zelf dat ik voor de doktoren een hopeloos geval was en daarom wünschkost kreeg. Er werd ook niets meer aan mij gedaan.

En nu het wonder. Ik werd ’s morgens wakker toen een verpleegster in onze hut kwam en ik weet nog dat ik om eten vroeg, omdat ik zo’n honger had. Deze verpleegster is toen hoogst verbaasd, dat zag ik aan haar reactie, teruggegaan en kwam even later weer met een dokter, die ook al verbaasd reageerde. Om kort te gaan: een paar dagen later stond ik, met 2 dekzwabbers als krukken onder mijn oksels, bij de kok om eten te vragen. Het moet ongeveer dezelfde tijd zijn geweest dat mijn zeer gelovige grootmoeder, mijn moeder, die inmiddels weer thuis bij grootmoeder inwoonde, gerust stelde met de woorden dat ik weer naar huis zou komen en dus nog leefde. Ik kreeg dat pas later te horen toen ik weer thuis was, maar op het moment dat ik op de boot lag, wist niemand thuis meer iets van mij af. Dit schip op de Donau is in zijn geheel overgenomen door de Amerikanen na de capitulatie. De kapitein had het gered en was de Russen voorgebleven. Het was wel kantje boord geweest, want we zijn afgescheept in Linz en daar bij de Donau-brug lag de scheiding tussen de Amerikanen en de Russen. Ik ben naar een hospitaal in de buurt van Linz gebracht. Het plaatsje lag aan de Donau en de naam ervan was Willering of zoiets.

Toen ik daar uitkwam werd ik in een badruimte op een stoel gezet, waar een schat van een verpleegster me uitkleedde en het verband afdeed. Hebt u wel eens ontsteltenis op het gezicht van een verpleegster gezien? Ik wel. Toen namelijk. Wat bleek, mijn benen zaten van onder tot boven onder etterende wonden en om elke wond zaten luizen. De verpleegster is toen weggehold en kwam even later terug met een dokter. Zijn verklaring van het wonder van mijn genezing kwam er op neer dat ik mijn leven te danken had aan deze luizen. Ze hadden de wonden gezuiverd. Na helemaal gewassen te zijn door de zuster, nam ze me op als een kind en bracht me naar een bed op de zaal. Ik woog geen 35 kilogram meer. Als ik nog terugdenk aan het moment dat ze me in bed lag, voel ik nog de frisse lakens waar ik tussen kroop. Daar zijn ook nog foto’s van mijn benen genomen. Ik heb ze gezien en kon de granaatscherven tellen die erin zijn blijven zitten. Het waren er 64. Van de dokter kreeg ik de waarschuwing nooit iets aan mijn knieën te laten doen en uit te kijken met sporten. Misschien zou ik weer normaal leren lopen.

Ook in dat hospitaal bewoog ik me voort met zwabbers, omdat er geen krukken waren. Ik weet nog dat ik een uitbrander kreeg van de dokter toen ik op een bank in de tuin zat (naast die lieve zuster). Mijn zaal was namelijk op de eerste etage en ik was met de zwabbers onder mijn oksels de trappen afgegaan naar de tuin. Toen ik het hem uitlegde lachte hij en waarschuwde me niet te vallen. Waarom ik dit schrijf? Alle Duitsers waren niet slecht. Het waren geen Unterscharführer Schäfer die mijn maat Toon dood wilde schieten toen hij niet verder kon. In dat hospitaal ben ik goed genezen en na eerst nog na een ander hospitaal te zijn overgeplaatst, ben ik in een krijgsgevangenkamp van de Amerikanen terechtgekomen. Vandaar heb ik mijn eerste brief naar Nederland geschreven. Omdat ik niet wist of er van mijn familie nog iemand in leven was, schreef ik de brief naar een oom en tante die mijn moeder nooit in de steek hebben gelaten in de oorlog. Dat ik nog leefde is in Krimpen een feest geweest. Mijn grootmoeder had geen brief nodig, zij wist het al.

Terug in Nederland

Vanuit het krijgsgevangenkamp zijn we tewerkgesteld op het vliegveld bij Linz. Daar heb ik het een tijdje goed gehad bij de Amerikaanse soldaten, totdat we werden overgeplaatst naar een ander kamp. Waar dat lag weet ik niet meer. Wel weet ik dat we daar helemaal wit werden gespoten met D.D.T. tegen de luizen, want die had ik al lang weer. Verder herinner ik me van dit kamp weinig meer, totdat we onder begeleiding van 10 Amerikanen op transport werden gezet naar Nederland. Ook van dat transport weet ik weinig. We kwamen in Amersfoort aan en werden afgehaald door een compagnie B.S. Wat ik me herinner is een hoop geschreeuw en zenuwachtig gedoe. We moesten in colonne aantreden en we marcheerden naar het strafkamp. Gelukkig liep ik niet achteraan, want in deze zenuwachtige toestand kon een bewaker zich blijkbaar niet meer beheersen en schoot op de groep. Het heeft, als ik me goed herinner, een dode en enkele gewonden gegeven. Dit voorval is wel in de doofpot gestopt.Och, wat valt er over dit strafkamp te zeggen. Ja, dat we met de jeugd (ik was toen 17 jaar) in hongerstaking gingen omdat we veel te weinig eten kregen, terwijl ons extra rantsoen was beloofd. Ik heb nog nooit van zijn leven een kampleiding zo kruiperig horen vragen of we alsjeblieft weer wilden gaan eten. Hij was bang. Waarvoor mag je naar raden. Ik werd toen overgeplaatst naar de Harskamp op de Veluwe met enkele jongens. Na een poosje in de keuken daar te hebben gewerkt ben ik ziek geworden. Wat ik precies scheelde weet ik niet. Ik was erg moe en kwam op een aparte afdeling te liggen. Daar heb ik voor het eerst bezoek gekregen van mijn moeder en tante. Dat was een weerzien. Mijn vader zat vast in verband met zijn NSB-verleden.

Van de Harskamp later naar Gouda met 3 man op een kleine slaapkamer, 2 hoog, met één keer luchten per dag op een plat dak. Dat heeft ongeveer een maand geduurd, waarna ik met een auto naar het jeugdhuis de Schakel in Katwijk binnen ben gebracht. Daar heb ik weer wat gabbers ontmoet. In Katwijk mochten we ook wandelen zonder begeleiding. Daar moesten we weer wennen aan de maatschappij. Ik ben daar weer ziek geworden. Ik kreeg plurites. Met een dokter naar Leiden en röntgenfoto’s nemen. Deze foto’s bevestigden de diagnose van de dokter. Weer moest ik het bed houden en ik denk dat ik daar ongeveer een half jaar gekuurd heb. Daarna mocht ik naar huis.

Ik weet het nog, op proef met om de zoveel maanden meldingsplicht bij een bepaald persoon, die eerst naar mij kwam omdat ik nog ziek was. Mijn moeder, broers en zus waren bij Opoe in en dus moest ik ook daar naar toe. Ons huurhuis werd door anderen bewoond.Mijn vader was als politiek gevangene in de mijnen gaan werken, waardoor mijn moeder een goed inkomen kreeg en wij ons weer wat konden veroorloven. Mijn hele verdere leven ben ik altijd, voor mezelf althans, de zoon van een NSB-er gebleven. Bij mijn latere werkzaamheden heb ik altijd nog de angst gehad dat mensen erachter zouden komen.

Het was in 1985, enkele jaren voor mijn V.U.T., dat ik alleen nog een handtekening nodig had voor een order van fl. 350.000,- toen de betreffende man aan mij vroeg of het waar was dat ik in de oorlog fout was geweest. Ik heb hem enkele details van dit verhaal kunnen vertellen en heb de order gekregen. Hij was een broer verloren in het verzet.

Deze gebeurtenissen draag ik op aan de heren D. en S. die ons in Duitsland niet in de steek hebben gelaten en verder aan de jongens Henk, Chris, Casper, Wim, Piet, Jan, Wimpie, Ruud, natuurlijk Herman en nog een Henk uit Ymuiden, die nooit is teruggekomen, maar die ik nooit zal vergeten. Met deze mannen, denk ik aan al deze jongens terug, die door de waanzin van een oorlog zoveel hebben mee moeten maken en vooral aan hen die nooit meer teruggekomen zijn.

Graag kom ik in contact met lotgenoten van vroeger. Telefoon: 0180- 51 41 20