Het idealisme en de overtuiging van mijn ouders

1940 tot 1945, Nijmegen

Herinneringen aan een bewogen jeugd Dirk Mostert werd geboren in een middenstandsgezin. Zijn vader en moeder waren actief lid van de NSB. Zijn vader droeg ook een WA uniform, zijn moeder was lid van de Nationaal Socialistische Vrouwen Organisatie en zijn broer van de Nationale Jeugdstorm. In de oorlogsjaren bezocht het gezin Mostert verschillende landdagen in Lunteren en ook kwamen zij enkele keren in het NSB-kindertehuis Westerhelling in Nijmegen. Tijdens een interview met Ceciel Huitema sprak Dirk Mostert over zijn herinneringen.

Landdag 1942 in Lunteren, bij moeder op schoot

‘Naast de economische drijfveer – er moest brood op de plank en dat was best lastig in die tijd – was mijn vader gevoelig voor het nationaal-socialistisch elan van de NSB. Mijn vader was nogal een baasje. Hij vond dat pak wel erg mooi. Dat strijdbare sprak hem aan. Als je er gevoelig voor was dan zag dat partijvertoon er allemaal prachtig uit, dat heb ik later nog wel eens op foto’s uit die tijd gezien. Heel on-Nederlands: grote vlaggen vanaf de dakgoot tot aan de grond, niet één maar vier. Ik kan me voorstellen dat dit een zekere aantrekkingskracht had.’ De vader van Dirk Mostert had halverwege de jaren dertig de mogelijkheid gekregen om in Rotterdam een eigen slagerij te openen. Het was economisch gezien geen gunstige tijd voor een middenstander en het lidmaatschap van de NSB maakte het er niet gemakkelijker op. Zijn fanatieke NSB-overtuiging werd hem door veel klanten niet in dank afgenomen. ‘Mijn moeder heeft wel eens verteld dat in verkiezingstijd het licht in de kamer eerder aanmoest omdat de vele aanplakbiljetten voor het raam de kamer zo donker maakten.’ Nadat de slagerij van zijn vader niet van de grond kwam, verhuisde het gezin Mostert, ouders met twee zonen, naar Nijmegen, waar zijn vader zetbaas werd in een slagerij van een NSB’er. In die periode bezocht het gezin een aantal keren Landdagen van de NSB in Lunteren en kwamen de kinderen over de vloer in het tehuis Westerhelling. ‘Dat was een landgoed van de NSB in Nijmegen. Daar hebben wij in 1942 of 1943 kerst gevierd. Ik herinner me nog die heel grote kerstboom in de hal.’ Waarschijnlijk leverde zijn vader het een en ander aan Westerhelling. Ook heeft Mostert op Westerhelling een week vakantie ‘gevierd’. Hij had het er echter niet naar zijn zin en trok zich liever terug. ‘Ik had een eigen plekje onder een grote conifeer met lage takken. Ik denk dat ik daar naar toe vluchtte voor de vervelende dingen. Je moest daar ook tussen de middag slapen. Ik kon helemaal niet slapen.’ Korte tijd later kocht Dirk Mosterts vader een slagerij in Rotterdam. ‘Het bleek van een joodse familie geweest te zijn die daar was uitgezet. In het huis waar we gingen wonen hingen de lampen van die joodse mensen nog aan het plafond. Ik wist dat eerst helemaal niet, maar mijn broer heeft dat een keer in een gesprek verteld, hij was in de vooronderstelling dat ik dat wel wist. Ik heb hierover een heel vervelend gevoel. Ik ben er erg van geschrokken.’ De nieuwe slagerij liep wel goed. Zijn vader opende zelfs nog een tweede zaak. Of zijn vaders lidmaatschap van de NSB hierin een rol speelde, weet hij niet. In Rotterdam werd zijn vijf jaar oudere broer lid van de Nationale Jeugdstorm. Zijn broer bewaart aan de jeugdorganisatie van de NSB goede herinneringen: ze maakten vliegtuigjes van hout en ze bouwden er hutten. Hij vond het bovendien een geweldige eer om de wc’s van het verenigingsgebouw te mogen schoonmaken.

Leuke jeugd?

‘Ik heb altijd tegen iedereen gezegd dat ik een ontzettend leuke jeugd heb gehad, lieve ouders, geen honger geleden, niets aan de hand. Totdat ik op mijn vijftigste in een arbeidsconflict en vervolgens in een outplacementtraject terechtkwam. Toen kwam ik tot de ontdekking dat ik eigenlijk helemaal niks wist van die leuke jeugd waar ik het altijd over gehad had. Ik moest een soort biografie schrijven: dingen over school, vriendjes, vriendinnetjes, de inrichting van het ouderlijk huis enz. Ik kon me niets herinneren! Daar ben ik toen erg van geschrokken en ik was ineens heel emotioneel. Ik dacht: misschien ben ik toen wel gepest met die NSB, iedereen wist immers dat mijn broer en ik kinderen van NSB’ers waren. Misschien was het helemaal niet zo leuk.’ Tijdens een regressietherapie werd gesproken over Dolle Dinsdag, de dag dat hij met zijn moeder en broer naar Duitsland vertrok. Tijdens die sessie bleek ineens dat Dirk Mostert het erg fijn had gevonden dat zijn vader in Nederland achterbleef. Hij moest tot de conclusie komen dat hij in zijn jonge jaren bang voor zijn vader was geweest. ‘Ik was een bedplasser en een broekpoeper. Door mijn vader werd ik dan in een ijskoud bad gedaan.’ Wat hij weet van de tijd voor Dolle Dinsdag heeft hij voornamelijk uit overlevering, vanaf Dolle Dinsdag heeft hij echter een overvloed aan eigen herinneringen.

Zijn ouders waren voorbereid op de tocht naar Duitsland. ‘Mijn vader had een evacuatiewagentje gemaakt, een karretje met twee fietswielen en een kistje erop dat achter de fiets gehangen kon worden.’ Mussert had gezegd dat vrouwen en kinderen naar Duitsland moesten gaan en op 5 september 1944 verliet Dirk Mostert samen met zijn moeder en broer in alle vroegte Rotterdam via het Maasstation. Ook een overbuurvrouw met drie kinderen, waaronder een baby, voegden zich bij hen. Ze werden uitgezwaaid door zijn vader. ‘Ik weet nog dat mijn vader mannen uit de trein heeft gesleurd die stiekem mee wilden piepen naar Duitsland.’ In Utrecht stapten ze over op een goederentrein die in de buurt van Klarenbeek door Engelsen werd beschoten. ‘We moesten onder de wagon liggen, toen de locomotief aan flarden was geschoten en niet verder kon, werden alle vluchtelingen ondergebracht bij een boer.’ Na drie dagen kwamen ze via de Lüneburgerheide terecht in het Noord-Duitse dorpje Klethen. Daar werden ze door een boer met een tractor opgehaald. In een boerderij in Klethen kregen Dirk Mostert, zijn broer, zijn moeder en de overbuurvrouw met haar kinderen een drietal kamertjes toegewezen. Bij dat gezin, waarvan de man des huizes aan het Oostfront vocht, waren ook krijgsgevangen gemaakte Polen en Russen ingekwartierd. Dirk Mostert, die als kind boer wilde worden, vond het er prachtig. Zijn moeder en overbuurvrouw wilden de kinderen in Klethen naar school sturen, maar de hoofdmeester daar zag het niet zitten om een paar Nederlandse kinderen op zijn school aan te nemen. Ze moesten dus maar een beetje op de boerderij helpen, terwijl de vrouwen in de huishouding werken. Dirk Mostert kan zich herinneren dat ze met het gezin Weihnachten vierden en dat er een boom uit het bos werd gehaald. Ondanks dat het voor hem een leuke tijd was, kan hij zich ook minder leuke dingen herinneren. Zo moesten de kinderen in de wintermaanden hout voor de kachel en om te koken sprokkelen. Ze moesten in de kou steeds verder lopen om dat te kunnen vinden. Ook moesten ze in zijn herinneringen bijna elke nacht hun bed uit. Klethen ligt namelijk tussen Hamburg en Bremen en beide steden werden flink gebombardeerd. Slaapdronken drentelden ze dan naar een andere boerderij even verderop om daar met z’n allen in een aardappelkelder te schuilen. Aan het einde van de oorlog werd Klethen bezet door Canadese Dessert Rats. Deze soldaten hadden in de woestijn tegen Rommel gevochten. ‘Aardige jongens trouwens, we kregen chocola en sigaretten.’ De vrouwen en kinderen deden er uiteindelijk drie weken over om terug te komen in Rotterdam. Dirk Mostert herinnert zich de beelden van een kapotgeschoten Duitsland tijdens de terugreis nog goed. Bij Hannover zag hij tot aan de horzin puin, rails kapot en locomotieven die tegen elkaar op stonden. Tijdens die reis vonden ze onder andere onderdak in een verlaten zoutmijn, voor kinderen natuurlijk een heel avontuur met die diepe schachten. Ook weet hij nog dat ze hebben overnacht in een klooster. Ze kwamen – samen met nog meer gevluchte Nederlanders –in Limburg de grens over. Daar werd iedereen geïnterneerd, gescreend, met DDT-poeder ontluisd en de bagage werd op een grote berg gegooid. Dirk Mostert weet nog dat ze bij vertrek vanuit Duitsland van de boerin blikken boter hadden meegekregen. Zijn broer had de hele reis als een leeuw het koffertje met deze bikken bewaakt. Toen ze later bij opoe in Rotterdam aankwamen en de blikken tevoorschijn wilden halen, bleken in het koffertje drie bakstenen te zitten. De blikken boter waren tot verdriet van zijn broer (hoogstwaarschijnlijk in Limburg) eruit gehaald. Vanuit Limburg werden ze per vrachtwagen vervoerd naar Rotterdam, waar ze in politiebureau Haagse Veer een nacht bleven. De volgende ochtend vond een hoge politieofficier dat alle kinderen daar weg moesten. Ze werden een voor een bij hem aan het loket geroepen waar geïnformeerd werd naar een verblijfplaats. Moeder vertelde dat haar kinderen waarschijnlijk wel naar opoe konden, al wist ze niet of zij nog leefde (in Duitsland hadden ze bericht gehad dat opa in de hongerwinter was overleden). Dirk Mostert werd samen met zijn broer naar het adres van opoe gestuurd, waar ze inderdaad konden worden opgevangen. Moeder bleef achter. De overbuurvrouw mocht, omdat ze een baby bij zich had, na een bezoek aan het loket ook vertrekken. Vervolgens gaf ze haar baby aan moeder en zodoende stond ook zij een paar uur later bij opoe op de stoep.

Openheid

Terug in Rotterdam bleek Dirk Mosterts vader geïnterneerd te zijn. Ondanks dat zijn moeder in eerste instantie kon vertrekken, werd zij na een paar maanden alsnog geïnterneerd. Zij bleef negen maanden vastzitten. Als kind heeft hij zijn ouders in de kampen bezocht. ‘Eerst zat mijn vader tegenover mijn school gevangen. Als ik uit het raam keek, zag ik het terrein waar hij gelucht werd. De eerste keer dat wij op bezoek gingen was heel eng. Mannen met stenguns die snauwden. Vader zat daar aan een tafeltje. Daar werd je niet vrolijk van.’ Van zijn vader hoorde hij later dat hij in kamp Vught was kaalgeschoren, alleen overalls mocht dragen, geslagen werd en afgesnauwd. Langzamerhand werd de toestand in de kampen iets humaner. ‘Ik kan me best voorstellen dat, als de oorlog net afgelopen is, je behoorlijk pissig bent op die landverraders. Ik snap dat wel.’ Zijn vader had zich in de gevangenis opgewerkt tot medewerker in de keuken en de bezoeken werden ‘gezelliger’. ‘Dan kregen wij zelfs vlees mee, dat smokkelden we dan mee naar buiten.’ Ook heeft Dirks vader nog in de mijnen in Limburg gewerkt. Daar kreeg hij een kleine vergoeding voor. Het was even wennen toen zijn vader na 3 jaar weer thuis kwam. ‘Het was toch een aanwezige man’. Hij ging als bankwerker aan de slag bij Industria in Rotterdam. ‘Dat deden ze bijna allemaal want dat was één van de weinige NSB-bazen die er was.’ Al snel wilde zijn vader zijn oorspronkelijke beroep weer uitoefenen. Bij sollicitaties vertelde hij eerlijk waarom hij drie jaar geen baan had gehad. ‘Een aantal keren was het sollicitatiegesprek meteen afgelopen, tot die keer dat hij een baas trof die slechts geïnteresseerd was in de vraag of hij een goede slager was. Hij kon daar slagersknecht worden’. Later deed hij pogingen om weer een eigen zaak te beginnen. ‘Wat schokkend voor ons toen was, was dat mijn vader op Zuid geen nieuwe winkel kreeg omdat hij lid was geweest van de NSB. Dat was al halverwege de jaren ’50. Toen werd het ons nog nagedragen en daarvan waren we even in de war.’ Zijn vader verbloemde of verzweeg zijn politieke misstap niet. Toen er eens een man van de radiobode voor de deur stond die hem vroeg lid te worden van de VARA of de AVRO, legde hij uit dat hij nooit meer ergens lid van zou worden omdat hij lid was geweest van de NSB en daarvoor een paar jaar gezeten had. De man had er begrip voor. Toch werd er thuis weinig gesproken over de gebeurtenissen tijdens de bezetting. ‘Niet dat we er niet over wilden praten, maar het was geen item.’ Het verleden werd bij de familie Mostert niet ‘Het Grote Zwijgen’ zoals dat in veel andere gezinnen gebeurde. Vragen konden er volgens hem wel gesteld worden, maar hij stelde geen vragen. Het interesseerde hem toen niet. ‘Je was met andere dingen bezig.’ Zelf deed Dirk Mostert er ook niet geheimzinnig over. Na zijn school doorlopen te hebben, werkte hij bij het joodse modemagazijn Gerson. ‘Ook bij Gerson heb ik, als het eens ter sprake kwam, gewoon zitten vertellen dat mijn vader lid van de NSB was geweest.’ Ook is hij in grotere gezelschappen open over zijn familiegeschiedenis. ‘Tijdens verjaardagen of feestjes komt het er altijd een keer op, zeker in Rotterdam. Altijd de vraag waar was jij en heb je honger geleden? Nou dan zeg ik: “Nee, we hebben geen honger geleden, want wij zaten aan de ‘comfortabele’ kant. Mijn vader was lid van de NSB en had een slagerij”. Meestal vinden mensen dat wel interessant, “o goh, vertel eens!” En als er iemand vervelend reageert zeg ik: “Ik was het niet hoor. Ik was pas negen. Dan moet je bij mijn vader zijn, daar zit hij”.’ Ook direct na de oorlog heeft hij zich nooit buitengesloten gevoeld vanwege de politieke keuze van zijn ouders. Hij had een leuk vriendengroepje op de lagere school. Eén keer kan hij zich herinneren dat een jongen van buiten de vriendengroep hem lelijk confronteerde met het lidmaatschap van de NSB en dat zijn vrienden het voor hem opnamen. De opstelling van zijn ouders heeft het Dirk Mostert gemakkelijker gemaakt om het onderwerp bespreekbaar te maken. Toch moest hij het zijn eigen kinderen eerder vertellen dan dat hem lief was. Toen zijn vader met dementie werd opgenomen in een ziekenhuis, vroeg het verplegend personeel aan zijn moeder dingen over het verleden te vertellen, zodat het personeel met zijn vader over vroeger kon praten. Bij de lift in het ziekenhuis vertelde zijn moeder – waar zijn twee zonen bij stonden – wat ze verteld had, maar zei ze ook dat ze over het NSB-verleden had gezwegen. ‘En toen zei mijn zoon van negen: “NSB, wat is dat dan met opa?” Hij was al op jonge leeftijd geïnteresseerd in de oorlog. Ik zei: “Dat komt nog wel, niet hier”.’ Thuis bij een kop thee kwamen alle vragen. ‘Toen reageerde die jongen geschokt: “Ongelofelijk, mijn opa bij die club”.’ Dirk was van plan geweest zijn kinderen over zijn opa te vertellen na zijn overlijden. ‘Ik wilde hun opa heel houden.’ Niet lang daarna schreef zijn zoon voor school een werkstuk over Mussert en de NSB. In de klas vertelde hij dat zijn opa bij de NSB geweest was.

Herkenning

Dirk Mostert werd later vrijwilliger bij Werkgroep Herkenning en leerde zo zijn huidige vrouw Coby kennen. Coby heeft als ‘kind van ‘foute’ ouders’ een heel ander verhaal dan Dirk. Zij werd eind 1945 geboren en heeft van de bezetting niets meegemaakt. Ze heeft eigenlijk altijd geweten dat haar ouders lid waren van de NSB, maar vanaf het moment dat ze op school geschiedenisles kreeg, wilde ze er niets van weten, en heeft ze zich hiervoor volledig afgesloten. Later kwam ze er dan ook pas achter dat haar vader zich ook bij de SS had aangesloten. Dat sloeg in. Haar hele familie van moeders kant was bij de NSB geweest. Haar moeder was lid van de Jeugdstorm en werd later ook leidster. Ze leerde Coby’s vader kennen tijdens een Landdag in Lunteren, maar verloren elkaar daarna uit het oog. Een aantal jaren later kwamen ze elkaar per toeval in Duitsland weer tegen. Zij werkte daar als naaister in een fabriek en haar vader was gewond van het oostfront teruggekeerd en werd verpleegd. Daar raakte haar moeder waarschijnlijk zwanger, ging na de oorlog terug naar Nederland en haar vader werd drie jaar geïnterneerd in kamp Vught. Toen hij vrijkwam moest Coby tegen een wildvreemde man papa zeggen. Coby kan zich nog herinneren dat haar ouders na de oorlog contacten bleven onderhouden met andere voormalige SS’ers en NSB’ers. ‘Ik heb bloemetjes en kerstpakketten naar weduwen van kameraden gebracht. Er was ook een vereniging in Amsterdam, HINAG genaamd [ = Nederlandse afdeling van de HIAG, de Hilfsgemeinschaft auf Gegenseitigkeit der Soldaten der ehemaligen Waffen-SS] waar mijn ouders naar toe gingen. Ik ben zelf nog een keer, toen was ik zeventien, meegenomen door mijn ouders naar een bijeenkomst van kameraden in Malente.’ Na het overlijden van haar vader en moeder vond Coby onder andere nog een vignet met een lauwerkrans van de HIAG en HINAG, foto’s van bijeenkomsten en ook Mein Kampf verstopt achter in een boekenkast. Haar vader liet een zakje achter met onder andere zijn kampring en brieven van haar moeder die hij in Vught had ontvangen. Coby vindt het moeilijk over het oorlogsverleden van haar ouders te vertellen. In tegenstelling tot Dirk kon Coby niet met haar ouders over de geschiedenis praten .Uit het verhaal van Dirk en Coby blijkt dat de omgang van ouders met hun verleden van invloed is geweest op hoe hun kinderen met hun familiegeschiedenis omgaan. Coby is erg blij dat Dirk Mostert eenzelfde achtergrond heeft en begrijpt waar ze mee worstelt.