1940 Den Haag na de capitulatie: De Duitse bezettingsmacht onder leiding van Dhr.Seyss-Inquart deed zijn intrede op en rond het Binnenhof.
Henk van Riel, toen 21 jaar oud zag dat allemaal van heel dichtbij; werkte na zijn verlengde diensttijd , in de slagerij van een oom in de Haagse binnenstad. Terwijl zijn vader, grootvader Andre, die ik zelf nooit heb mogen kennen, twee sigarenwinkels runde in de Javastraat.
Het werd voor mijn vader Henk stiekem kijken. Samen met een neef van mijn vader die ik Fons noem, zoon van NSB-ouders. Nieuwsgierig als die twee jonge heren waren naar de leuke marsmuziek, de mooie glimmende uniformen etc. En per slot moesten de bezetters ook ergens hun vlees kopen….! Ze wisten mijn vader over te halen om het vlees goedkoper te geven en wat te rommelen met de bonnetjes, zodat zijn oom dat niet zou merken, in ruil voor een mooi horloge. En ze bleven terug komen, zagen mijn vader voor vol aan. Henk van Riel was immers een lange knappe man met hoog voorhoofd, zo een echt Arisch type. “Jongen wat doe jij toch in deze duffe slagerij. “Kom toch bij ons werken, dan krijg je een mooi pak en uniform etcetera”.
De ouders van neef Fons waren al lid van de NSB en Fons vond dat zelf ook allemaal wel interessant. Ook hij beïnvloedde mijn vader om voor “de vijand” te gaan werken. Geheel tegen de zin van mijn grootvader, die pas weduwnaar was geworden. Mijn vader had dus alleen nog zijn vader Andre en zijn 8-jaar jongere broer Piet. Ze hadden na het overlijden van mijn grootmoeder de jonge huishoudster en tevens kinderverzorgster Diny in huis. Die heb ik gelukkig later nog wel leren kennen.
Voor grootvader Andre van Riel werd het echter in Den Haag te moeilijk. Omdat veel mensen en ook ander familieleden wisten van de verkeerde keuze van mijn vader en om die reden niet meer bij hem in de winkel de rookwaren wilde kopen. De Duitsers wilden dat wel, en dus moest mijn grootvader ze heel vriendelijk en beleefd tegemoet treden en een beetje met ze mee praten! Maar de klandizie in de winkels nam toch te veel af, en mijn grootvader wilde niet steeds op het gedrag en de keuze van mijn vader worden aangesproken. Besloot daarom maar met winkel en al naar Noordwijk te verhuizen samen met zijn jongste zoon Piet en huishoudster Diny.
Mijn vader bleef bij die NSB-oom en tante en neef Fons achter. Maar er waren nog te veel ander familieleden en kennissen van mijn vader en grootvader in Den Haag, zodat mijn vader daar nauwelijks kon blijven en ook neef Fons zag betere mogelijkheden in Duitsland. Met een auto hebben ze geprobeerd samen naar Duitsland te komen maar dat mislukte door tussenkomst van SS’ers en familieleden die dachten dat mijn vader de NSB -neef was en hem hebben verraden. Het leek voor de beide neven veiliger om onafhankelijk van elkaar naar Duitsland te gaan, maar mijn vader voelde daar niet voor omdat hij vrijwel geen Duits kende. Na twee dagen en nachten lopen zonder drinken of eten kwam hij volslagen uitgeput in Brabant bij een Duitse kazerne aan, met de vraag of ze alsjeblieft wat eten en werk voor hem hadden. Ze vertrouwden mijn vader niet. Hij werd krijgsgevangen genomen en mishandeld. Enkele dagen later werd mijn vader weer vrijgelaten door toedoen van een Nederlandse militair. Hij mocht dan uiteindelijk daar wel blijven werken, mits hij zich zou laten registreren als lid van de NSB!!
Later moest hij met een soort SS-leger mee naar het westen van Duitsland, waar hij behoorlijk afgebeuld werd en tijdens een lange mars van uitputting en in een poging te ontsnappen te ver achterbleef. Hij werd daarbij in een been geschoten en bleef gewond liggen. Omstanders schoten te hulp maar toen een boer hem met paard en wagen naar een naburig ziekenhuis wilde brengen werd die goede man voor de ogen van mijn vader doodgeschoten. Ook in dat ziekenhuis kreeg mijn vader geen rust. De SS’ers wilde hem er de volgende dag alweer uithebben. Met hulp van andere Nederlanders werden uniformen verwisseld en na zijn genezing werd mijn vader uiteindelijk onder een valse naam in dat stadje ingeschreven . Hij kon daar blijven wonen en werken. Vermoedelijk ook als dwangarbeider in een munitiefabriek tot aan het einde van de oorlog.
Daarna is mijn vader uiteraard als ex-collaborateur veroordeeld tot enkele jaren gevangenisstraf. Ik geloof dat hij ook in het internerings kamp Vught heeft gezeten en daar in erbarmelijke omstandigheden heeft moeten leven. Na een suïcidepoging en door toedoen van zijn jongere broer Piet en hun huishoudster Diny is zijn vader hem met tegenzin nog een keer komen opzoeken. Die begreep niet waarom mijn vader voor de Duitsers was gaan werken. Maar Henk van Riel kon niet veel zeggen. Alleen dat hij er wel spijt van had, en er als hij dingen van te voren beter had geweten, er nooit aan zou zijn begonnen maar helaas……
Na de interneringstijd heeft mijn vader nog even bij zijn vader in Noordwijk gewoond , maar de verhoudingen ook met bepaalde neven waren dusdanig verstoord dat het niet lang meer kon. Toen ontstond mijn vader´s zoektocht naar familieleden en plaatsen waar dat wel nog kon. Hij is vele malen verhuisd, en had veel heimwee naar Den Haag, tot hij ten langen leste in Rotterdam terecht kwam en daar in 1954 mijn moeder ontmoette.
Ze kregen een klein arbeiderswoninkje, een donker en vochtig krot , waar alle zes kinderen zijn geboren. Ik ben de oudste en van 1957. Van mijn vader´s familie kende ik alleen oom Piet, zijn enige broer die ver weg in Noord-Holland woonde. Zussen hadden ze niet, en van de andere familie hoorde ik alleen dat het kappers, sigarenboeren en kleermakers waren heel vroeger in Den Haag, en in een paar andere plaatsen waaronder Haarlem. Ook mijn grootvader Andre behoorde tot de gegoede middenstand. Hij zat in de winkeliersvereniging en was wellicht ook lid van de VVD.
Mijn vader werkte echter als ongeschoold arbeider voor een hongerloontje. Vlees kwam er bij ons niet op tafel, en we hadden nauwelijks genoeg kleding. Dat had zonder de oorlog anders kunnen zijn. Mijn vader heeft destijds in Den Haag zijn bakkersopleiding niet kunnen afmaken omdat hij vervroegd in militaire dienst moest. Van zijn vader had hij mogen worden wat hij wilde, en een eigen winkel kunnen hebben. Dat was voor de oorlog financieel blijkbaar nog mogelijk. Maar na de oorlog kon mijn vader niet meer terug naar die bakkersschool, en moest gewoon voor zichzelf zorgen. Grootvader Andre is in 1953 overleden, verbitterd en depressief, na zijn laatste jaren als boekhouder te hebben gesleten. Hij was dus al overleden nog voordat mijn ouder elkaar in Rotterdam leerde kennen! Mijn moeder heeft nog wel kennis kunnen maken met enkele ooms en tantes van mijn vader.
Mijn jongste broer bleek verstandelijk zeer zwak te zijn en ook mijn andere broer had behoorlijke gedragsproblemen en kreeg wat verkeerde vriendjes. Er ontstonden afgrijselijke scènes waarbij mijn vader er behoorlijk op los kon slaan. Hij dreigde ons soms met de Tuchtschool en Veenhuyzen! Gelukkig was hij vrij lange dagen van huis. Hij moest per dag twee uur lopen heen en terug naar zijn werk in Schiedam, omdat er geen geld was voor de tram. Maar thuis was hij soms heel onrustig, als hij niet sliep, zag ik hem de krant lezen, brood smeren en de vaat doen, maar dat was dan ook alles. Ik was altijd blij als hij er niet was. Van mij had hij er toen niet zo nodig hoeven te zijn, maar ik begreep wel dat vaders nu eenmaal nodig waren voor het gezinsinkomen. Mijn moeder zag met zoveel kinderen echt geen kans om ook nog buitenshuis te werken. Mijn vader praatte bijna niet, en deed ook vrijwel niets met ons. Als jong kind was ik vaak bang voor hem! Mijn twee broers en later ook een zusje verdwenen naar gezinsvervangende tehuizen. Ze waren ook autistisch, maar daar wist toen nog niemand iets van. Nu herken ik het ook in de andere familieleden en in mijn licht/verstandelijk beperkte zoon. Zelf ben ik behept met het syndroom van Asperger.
In 1965 raakte prinses Beatrix verloofd met Claus von Amsberg, een Duitser. Een woord wat ik in die tijd vaak hoorde, maar met een vreemde harde ondertoon en op school leerde ik een beetje waarom. En dat door de oorlog en de bezetting veel Nederlandse mensen de Duitse mensen zijn gaan haten. Ook weer zo woord, wat je volgens de zusters op mijn roomse school nooit mocht gebruiken, laat staan doen. …! Ik zag Claus tijdens een rijtour door Rotterdam. Hij zag er heel gewoon en stralend verliefd uit. Ik werd later zelfs een beetje verliefd op hem. Had ook medelijden met Beatrix, want als twee mensen elkaar in liefde vonden, was dat immers het werk van God…. We moesten maar veel bidden voor de kroonprinses en haar Duitse verloofde. Mijn opa van moeder´s kant die naast ons woonde dacht daar echter wel anders over! Hij moest niets hebben van alles wat maar Duits klonk of daaraan refereerde. Tijdens de Koninklijke trouwerij, die we met de hele familie bij mijn oma thuis op de televisie konden zien, heeft hij een hele tijd met zijn rug naar de tv gekeerd gezeten en is later weg gegaan. Ook zag ik die beroemde komische show van Paul van Vliet, over de jas van Claus` e.d. Pas op die avond kwam ik tot de ontdekking dat mijn vader uit Den Haag kwam, zoon van een rijke sigarenboer was. Mijn grootvader Andre bezat drie huizen, een auto en een mooie antiekverzameling en mijn vader was met zijn ouders vaak in de Koninklijke Schouwburg geweest.! Ik begreep daar allemaal niets van. Hoe konden wij zo arm zijn als mijn vader zulke rijke ouders gehad hadden! Voor de gymnastieklessen in de kweekschool moest ik altijd over dat hele grote lege plein in de binnenstad waar ik het concertgebouw De Doelen heb zien bouwen. Op de plek waar volgens mijn moeder en dat bewuste boekje, voor de oorlog gewoon huizen stonden , een school een kerk en winkels of een speeltuintje….! Onderweg naar school of naar die kweekschool met mijn vriendin Anne-Marie die een Oostenrijkse grootmoeder had, zagen we bordjes met Claus heraus e.d. Belachelijk`` zei Anne. We hadden op school al gehoord over het bombardement waarmee het hart uit onze stad was geslagen en daarmee ook een stuk uit het hart van onze ouders, die het zelf hadden meegemaakt. In ieder geval mijn moeder, die er nog levendig over kon vertellen maar toch ook iets in zichzelf miste. Mijn vader vertelde dus uiteraard helemaal nooit iets….! Ik bleef nog meer dan twintig jaar in onwetendheid.
In september 1969 verhuisde ik, door toedoen van mijn vader voor wie dat allemaal financieel zoveel beter uitkwam, naar het gezin van mijn oom Piet in Alkmaar. Ook daar was ik de oudste van twee nichtjes.
Na een week of zes vertelde mijn tante Herma in Alkmaar mij een heel vreemd verhaal. Dat ze nooit had begrepen waarom, toen ik nog heel klein was, mijn ouders niet naar Haarlem hadden willen verhuizen, want dan zouden ze volgens mijn tante Herma een veel beter leven gehad kunnen hebben, en was het voor mijn oom ook een stuk prettiger geweest. Mijn oom had iets meer schoolopleiding dan mijn vader, was chemisch analist en later leraar. Destijds woonden mijn oom en tante in IJmuiden met hun twee kinderen . Mijn vader had in Haarlem werk kunnen krijgen in een koekjesfabriek en ze hadden zolang bij familie in huis kunnen wonen! Maar er waren geloof ik neven die daar wel wat bezwaren tegen hadden. Wellicht wisten die iets van mijn vader´s geschiedenis. Voor zover ik nu weet had mijn moeder toen wel willen verhuizen maar mijn vader vond het toch te moeilijk, zo dicht bij die familie en zo ver bij Den Haag vandaan. Hij had nog steeds heimwee en hoopte toen nog een keer naar Den haag terug te kunnen keren, maar waarschijnlijk heeft hij dat nooit goed aangedurfd of was hij bang dat mijn moeder heimwee zou krijgen en zonder hem en met ons als kinderen terug zou willen naar Rotterdam. Ik denk ook dat mijn vader bang was dat mijn moeder wellicht te veel zou horen van zijn familie.
Tot groot verdriet van mijn oom Piet, die ook mijn peetoom was zijn wij als gezin dus toen in Rotterdam gebleven, waar mijn moeder nu nog woont. Mijn oom Piet in Alkmaar die ik toen nog niet zo goed kende, bleek en heel warme en hartelijke man te zijn, zoveel anders, en voor mij ook zoveel meer vader als dat mijn echte vader ooit heeft kunnen zijn!! Ook vader’s van vriendinnetjes in Rotterdam waren heel anders dan mijn vader, zoveel warmer en hartelijker. Mijn oom maakte vaak grapjes, deed spelletjes met ons en zong ook graag net als ik. Mijn tante was ook warm en hartelijk, maar had geen gemakkelijk karakter en veel te idealistische ideeën over mijn opvoeding, terwijl ik op 12-jarige leeftijd al behoorlijk zelfstandig en mij niet meer zo gemakkelijk liet heropvoeden. Ook begreep mijn tante nog niet veel van de puberteit. Haar eigen dochters waren immers nog wat jonger. Alles bij elkaar gaf dat vaak een hevige strijd, waarin ik me niet geaccepteerd voelde. Mijn tante gaf mij vaak het gevoel dat alles wat ik van mijn ouders geleerd had slecht was en ik dat allemaal zou moeten afleren. Ik begreep daar in de eerste jaren nog niet veel van. Dat ze niet veel met mijn vader op had begreep ik nog wel een beetje, want dat had ik zelf ook niet, maar van mijn moeder moest ze toch echt afblijven! Ik moest vooral goed mijn best doen op school en hoge cijfers halen . En daarna studeren om maar zo onafhankelijk mogelijk te worden!
Mijn tante Herma had ook een lastige kwaal, namelijk een te snel werkende schildklier, waardoor ze vaak behoorlijk neurotisch was en vooral van mij niets kon hebben. Ook mocht ik nooit me niet lekker voelen of al te veel praten over iets. Maar ik was immers zo blij dat ik zoveel aandacht kreeg en dan wil je wel praten!
Zij had het immers veel moeilijker gehad in de oorlog toen ze haar eigen vader allang niet meer had, haar stiefvader als dwangarbeider in Duitsland was en zij, terwijl haar moeder de boer op ging om aan voedsel te komen een kacheltje aan moest houden en op haar halfzusjes moest passen! Daar kon ik dus, volgens haar, nog wel een voorbeeld aan nemen! Door de strengheid van mijn tante in het bijzonder, voelde ik mij nooit helemaal veilig in dat gezin. Ik moest mij altijd inhouden en heb daar eigenlijk nooit helemaal voluit kunnen leven helaas. Altijd moest ik op mijn qui vive zijn!
In januari 1975 was er een grote familiereünie van de van Rielen in Noordwijk. Daar zag ik voor het eerst van mijn leven 150 onbekende familieleden, tijdens de viering van het 60-jarig huwelijk van een stokoude oudoom en oudtante uit Haarlem. Die bleken mij als heel jong kind nog gezien te hebben, mijn ouders en ik hadden daar gelogeerd destijds en ze hadden mijn ouders uitgenodigd om daar te komen wonen. Daar wist ik dus nauwelijks iets van. Mijn moeder had later nog met die Haarlemse familie geschreven maar mijn vader wilde er niet meer heen, evenmin als dat hij naar die beruchte familiereünie had durven komen….
Kort daarna kreeg mijn oom Piet een acute hersenvliesontsteking. Hij lag drie dagen in coma en het was behoorlijk kantje bord!! Wellicht had de confrontatie met al die familie en het ontbreken van mijn vader op dat feest hem wel iets te veel aangegrepen. Mijn tante besprak die zaken met de neuroloogpsychiater die mijn oom behandelde. Mijn oom kreeg zelfs het sacrament van de zieken, omdat de verwachting was dat hij zou overlijden. Ik werd ook ziek, een zware griep met bronchitis die wekenlang duurde. Ook kreeg ik toen de vraag voorgelegd of ik na het overlijden van mijn oom nog wel in Alkmaar wilde blijven. Ik vond dat niet meer dan vanzelfsprekend, was ondanks alles best gek op mijn tante en nichtjes, en het gezin van mijn ouders ging steeds verder van mij af staan. Ik kwam er alleen nog in de schoolvakanties en dan zag ik natuurlijk alle verschillen en was dan altijd blij weer in Alkmaar terug te kunnen komen, en daar mijn eigen leven te kunnen leiden. Gelukkig en wonderbaarlijk genoeg werd mijn oom weer helemaal beter!
In de latere Alkmaarse jaren liep ik ook mee met de Pax Christi voettochten in Brabant en de massale eucharistievieringen in de St. Jan . Het deed haar te veel denken aan de massale bijeenkomsten van de NSB en zo. Zij was erg bang voor massapsychose, terwijl ik er juist optimaal van genoot, en daardoor meer contact kreeg met klasgenoten die ook mee hadden gelopen, en net zo een idealistisch wereldbeeld hadden dan ik toen. Ik ben nu ook nog wel eens vredesactiviste en actief lid van de Socialistische Partij.
Een halfzus van mijn Alkmaarse tante is met een Duitse man getrouwd en woonde dus in Duitsland omdat er voor hem aan het eind van de jaren vijftig geen plek was in Nederland. Hij werd nog nergens geaccepteerd. Als die Duitse familie over was hing er altijd een behoorlijke spanning in huis. Ik vond Oom Egon en tante Corrie best heel aardig. Ze begrepen mijn aanpassingsproblemen in Alkmaar wel beter dan mijn tante zelf. Op mijn 15e kreeg ik een Duitse schrijfvriendin. Na een paar keer allebei in het Engels geschreven te hebben, zijn we maar in het Duits overgegaan. Zij was daar erg blij om en voelde zich door mij daarmee ook echt geaccepteerd. Ik wist dus ook wel hoe het was om je ergens niet geaccepteerd te voelen!!
In het begin van de jaren ´50 liepen mijn vader en oom, en vast nog wel meer familieleden op de avond van 4 mei mee in de stoet, over de Waalsdorper Vlakte. Hun manier van herdenken, herbeleven zal voor mijn vader ook wel een zekere boetedoening geweest zijn, al was het voor hem nooit zo een heel bewuste politieke keuze geweest. In al die 35 jaar dat hij met mijn moeder leefde is hij er altijd over blijven zwijgen. Mijn moeder heeft ternauwernood de Hongerwinter overleefd. De huisarts kwam twee weken na de bevrijding aan mijn oma vertellen dat het geen weken langer had moeten duren, dan hadden ze mijn moeder en haar oudste zus naar het kerkhof kunnen brengen! Mijn moeder heeft er al met al nog een behoorlijke groeistoornis aan overgehouden. De zgn. ziekte van Scheuerman die ook bij mij , zei het in wat lichtere mate is vastgesteld. Ontstaan door vitamine D gebrek.
In de zomer van 1989 belandde ik voor een observatie-opname in de Jelgersmakliniek in Oegstgeest. Onder de psychiatrische patiënten waren enkele Duitse en Oostenrijkse mensen, waar ik prettig lotgenotencontact mee had. En naast de kliniek zag ik voor het eerst het centrum´45 Wist dat het voor mij allemaal geen toeval kon zijn. Al in de eerste nacht wist ik dat mijn opname iets te maken had met mijn vader en zijn geschiedenis. Ik voelde toen een sterke roeping ´´ Ik ben het enige kind van mijn vader die iets van die geschiedenis weet, en dan ook nog maar alleen van mijn oom. Ik moet het verder uitzoeken, opschrijven en getuigenis afleggen. Voelde dat toen als een soort levensopdracht. Een week later kwam ik bij mijn ouders. En mijn vader zei dat hij precies wist waar Oegstgeest was en de weg langs de kliniek ook wel kende. Hij had vaak over die Endegeesterstraatweg gefietst vroeger, toen hij nog in die prille naoorlogse jaren met zijn vader, broer Piet en huishoudster Diny in Noordwijk woonde. Ik heb mijn vader nooit als zo dichtbij ervaren als toen! En mijn oom Piet heeft mij samen met mijn tante nog een keer opgezocht in die kliniek. Mijn oom kende het daar ook nog wel!
Mijn vader is in december 1991 aan longkanker overleden. Mijn oom is ook wel een paar keer bijna dood geweest maar leeft gelukkig nog , als 83-jarige , op het oude vertrouwde adres in Alkmaar. Ik hoop hem binnenkort te kunnen opzoeken. Wellicht mag ik dan ook nog een keer zijn oude jeugdalbums zien, waar ook nog oude foto´s van mijn vader in moeten zitten.
In mijn leven heb ik al in veel verschillende steden en een dorp gewoond. Ook ben ik al zeer vele jaren arbeidsongeschikt door depressies, mijn autisme en wat daar zoal bijkomt vanuit een beschadigde jeugd. Sinds ruim vijf jaar woon ik in Den Haag, en draag hier mijn vader en oom ook steeds met me mee. Ik krijg ook geleidelijk aan een steeds beter beeld van mijn vader´s geschiedenis en zijn familie. Ik vind hier in Den Haag en in de omliggende dorpen nog de sfeer en de plekjes waarin mijn vader en zijn familie destijds geleefd hebben. En mede daardoor voel ik mij hier ook heel erg op mijn plek. Het lotgenotencontact bij de Stichting Kombi en de Werkgroep Herkenning hebben daar zeker ook aan bijgedragen.
Ook heb ik kortgeleden bericht gekregen van het Nationaal Archief over de oude juridische dossiers van mijn vader. Ik heb binnenkort een afspraak daar voor inzage. Misschien komt er dan nog een klein vervolg op dit verhaal.