,,Boven op zolder had mijn vader zijn eigen domeintje. Net als voor veel mannen, was dat de ruimte waar hij zichzelf kon zijn. Hij ontwikkelde hiers’avondsbijvoorbeeld de foto’s die hij in het weekend had gemaakt. Er stonden wat oude kinderschoentjes, tekeningen van mij en mijn zus en wat oude filmcamera’s. Helemaal achterin op de zolder, achter grote dwarsbalken, lagen nog wat spullen. Na het overlijden van mijn ouders, ging ik in het huis wonen. Toen ik daar op zolder bezig was, vond ik achter de dwarsbalken een stevigleren koffertje. Daarin zat zijn SS-uniform, helemaal aan gort. Je kon hem onmogelijk nog dragen. Al die jaren had mijn vader de jas bewaard. Ik denk dat hij het idee had dat die jas hem in de oorlog beschutting heeft geboden. Vier, vijf jaar is die jas zijn tweede huis geweest en heeft het hem tegen de granatenbeschermd. Ik denk dat hij hem daarom niet heeft durven weggooien. Dat mijn vader zich bij de Waffen SS heeft aangemeld, kan ik me ergens wel voorstellen. Eigenlijk was het onvermijdelijk. Hij kwam uit een middenklasgezin. Toen de oorlog uitbrak, was hij twintig. Hij had geen opleiding en werkte als bakkersknecht in de bakkerij van zijn ouders. Zijn oudere broer zou de bakkerij erven, niet hij. Hij had ook geen diploma en had eigenlijk dus geen toekomstperspectief. Het hele gezin was onder de indruk van wat er in Duitsland gebeurde. Bovendien was mijn grootvader zijn hele familie kwijtgeraakt in de Boerenoorlog in Zuid-Afrika., de oorlog tussen de Zuid-Afrikaanse boeren en de Britse bezetters. De familie was daardoor anti-Engels en dat waren de Duitsers natuurlijk ook. Mijn vader was padvinder en vond die marcherende Nazi’s in strakke uniformen geweldig. Hij werd thuis dus niet tegengehouden toen hij in Duitsland een opleiding tot officier wilde gaan volgen. Wanneer het precies was dat mijn vader vertelde dat hij als soldaat bij de Waffen SS tegen de Russen had gevochten, weet ik niet meer. Ik zat in elk geval nog op de lagere school. Ik geloof dat ik eens in de badkamer zag hoe hij zich stond te scheren. Hij droeg enkeleen hemd en daardoor zag ik zijn pokdalige rug. Zijn huid zat vol met granaatinslagen. Daarop vertelde hij me dat hij in de oorlog gevochten had voor de Waffen-SS. Hij zei dat dat een ander leger was dan de ‘gewone’ SS. Joden had hij niet vervolgd. Nee, hij was een gewone soldaat geweest en was daarvoor gestraft. Ook vertelde hij trots dat hij ook officier was geweest. Uit zijn schouder ontbrak een stukje. Hij liet me eraan voelen. Zo van: je hoeft er niet bang voor te zijn.
Romantisch Mijn ouders kenden elkaar al voor de oorlog. Mijn vader kwam geregeld bij mijn moeder over de vloer om met haar vader over camera´s te praten. Aan het eind van de oorlog ontstond er een relatie. Mijn vader heeft tot aan het einde van de oorlog doorgevochten. Pas op het allerlaatste moment heeft hij zijn uniform uitgetrokken. Na de oorlog zat hijeen aantal jaren ondergedoken in Hamburg.Soms kwam hij in het diepste geheim naar het huis van zijn ouders toe. Op een kamertje boven de bakkerij van mijn vaders ouders, ontmoetten hij mijn moeder dan. Dat moet heel romantisch zijn geweest. Op een gegeven moment vond mijn moeder echter dat het zo niet verder kon. Ze maakte het even uit, maar had al snel heel sterk het gevoel dat ze voor elkaar voorbestemd waren. Toen heeft mijn vader zich op haar aandringen in 1949 aangegeven, hij kreeg drie jaar. Toen hij gevangen zat, hebben ze veel met elkaar geschreven. Al die brieven vond ik later op zolder terug in een filmblik. In die brieven fantaseerden ze over hoe ze samen naar klassieke muziek zouden luisteren en hoe ze de kinderen op zouden voeden. Ik denk dat ze daar heel goed over hebben nagedacht. Toch waren mijn ouders later in veel dingen teleurgesteld. Ze hebben zich nooit thuis gevoeld in het sociale leven. Mijn moeder was bijvoorbeeld doodsbang dat mijn zusje gepest zou worden. Ze liep vaak de hele dag te schreeuwen en te huilen. Ze was boos dat mijn vader er zo weinig was. Op de radio had je het programma ‘de muzikale fruitmand’. Hier konden mensen dan plaatjes aanvragen voor hun moeder. Dat was dan alweer een aanleiding voor haar om te huilen. Ze was eigenlijk jaloers op die moeders en vond dat ze zelf tekort schoot. De eerste maanden van de tijd dat ik uit huis was, kwam ik nog wel eens uit mijn werk naar haar toe. Mijn moeder had toen eens servies voor mij gekocht. Elke keer dat ik jarig was, zou ik iets van het servies krijgen. Ik wilde dat eigenlijk niet. Dat was bijna niet te bespreken. Ik durfde dat niet te vertellen, want dan zou ze weer gaan huilen. En als ik het dan zei, deed ze alsof het prima was. s’Avonds belde mijn vader me dan op dat hij mijn moeder altijd in alle staten aantrof nadat ik langs was geweest. Als het zo doorging, zou hij mij de toegang tot het huis moeten ontzeggen.
Oogappeltje Ik verwijt mijn vader dat hij er niet voor mijn moeder was. Ik heb het idee gehad dat ik daar mee zat, ik moest haar opvangen. Hij was er niet. Ook s’avonds niet. Dan kluste hij bij of was hij bezig met zijn hobbies: foto’s en filmpjes ontwikkelen en knutselen aan zijn oude Volvo. Mijn moeder was jaloers op de aandacht die hij gaf aan die auto. Toen ik uit huis was, had ik eigenlijk iets naar mijn vader toe van: nu moet jij er voor haar zijn, zoek het maar uit. Maar dat was lastig, mijn vader was er niet en ik bleef mijn moeders oogappeltje. Ik kon haar blij maken, zei ze. Mijn vader was een vriend, een unieke persoon, maar ook iemand met een fout verleden. Ik heb zeker van hem gehouden, maar heb hem ook verafschuwd en veroordeeld. Toen ik een kind was, ging mijn vader bijvoorbeeld nooit met me voetballen. Ik mocht ook niet op voetbal, want dan zouden alle dorpelingen over mij spreken als de zoon van die foute man. We gingen ook niet vaak met het gezin op stap. We zijn wel eens met z’n allen naar het strand geweest, maar dat zal hoogstens twee keer zijn geweest. Door de pokdalige huid van mijn vader liet hij zich daar liever niet zien. Mijn vader zat in de ouderraad van school. Toen ze daar achter zijn verleden kwamen, werd hij niet meer gekozen. Op vaders werk werden nieuwe werknemers altijd apart genomen. Daarna wilden die mensen dan plots niet meer naast hem zitten. Één collega floot altijd een verzetsliedje naar mijn vader. Hij zei er echter niets van; hij was blij dat hij überhaupt werk had. Hij zweeg. Altijd maar zwijgen. Hij zweeg altijd. Op verjaardagen kon hij zich nooit in politieke discussies mengen, zei hij. Anders zouden mensen gelijk over zijn oorlogsverleden beginnen. Als hij thuis ergens boos over was, dan zei hij het ook niet. Dan ging hij chagrijnig voor zich uit zitten staren om zo druk uit te oefenen. Als hij eens ergens meezat, klapte hij dicht. Dan lag hij urenlang op de bank. Mijn moeder vond dat heel moeilijk en kon er ook bijna niet achter komen wat er nou aan de hand was. Zelf denk ik dat het te maken had met de tijdsgeest van de jaren zeventig. Het was de tijd van de affaire-Menten en van Den Uyl. Iedereen was goed en de mensen uit de oorlog waren gewoon fout. Ik denk dat hij het daar heel moeilijk mee heeft gehad. Mijn zusje raakte in die tijd in een psychose en werd opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Zij was misschien nog wel meer beschermd opgevoed dan ik. Zij was heel passief, vond het moeilijk om relaties aan te gaan en verschuilde zich in de relatie met haar man. Een dominant ouder type. Ze leefde te geïsoleerd bleek later. Dat zij een psychose kreeg was natuurlijk heel zielig voor mijn vader, maar ook heel confronterend. Hem werd gevraagd om bij de therapiesessies aanwezig te zijn. Ik denk dat hij zijn wereld toen in duigen zag vallen.
Trouw Onlangs kreeg ik bezoek van twee journalisten die een documentaire maken over de Waffen SS. Die documentaire heet ‘MeineEhreheißtTreue’, naar het motto van de Waffen SS: Ik schep er eer in om trouw te blijven. Toen ik dat hoorde, dacht ik: ja, mijn vader bleef inderdaad trouw aan zijn idealen en de relaties die hij was aangegaan. Misschien nog wel meer dat hij wilde toegeven aan mij. Hij ging altijd, jaar in, jaar uit, op vakantie naar Bad Tölz, de plaats waar hij zijn SS-opleiding had gevolgd. Hij hield ook contact met sommige mensen uit die tijd. Er was hier een man in het dorp, waarvan ook gezegd werd dat hij ‘fout’ was. Die kwam hier vaak langs. Mijn vader vond dat eigenlijk niet prettig, maar durfde die vriendschap niet stop te zetten. Zelf heeft hij nooit spijt getoond over zijn deelname aan het Nazisme. Hij zei altijd dat hij gerehabiliteerd was. Maar daarmee bedoelde hij meer dat hij een bestaan had opgebouwd, dan dat hij spijt van zijn daden had en het nooit meer zou doen. Daar heb ik hem voor verafschuwd. Met de wetenschap van nu zou je je toch kapot schamen dat je aan zo iets hebt meegewerkt? Maar ook dat heeft hij niet gezegd. Hij deed wel aan 4 mei, maar dan herdacht hij zijn ‘eigen’ doden. Dat zwijgen en trouw zijn, heb ik van hem overgenomen. Ik werk net als mijn vader al jaren bij dezelfde baas en geef relaties niet snel op. Toen ik een jaar of 22 was, had ik al enige tijd een serieuze relatie. Mijn beste vriend biechtte toen op dat hij naar bed was geweest met mijn vriendin. Ik heb toen gebroken met mijn vriendin en ben enorm tegen haar uitgevallen. Ik voelde echter helemaal niets. Geen boosheid, niets. Ik liet het gewoon gebeuren. Mijn beste vriend ben ik trouw gebleven, ik ben verdomme nog jaren met hem bevriend gebleven. Dat kan ik me nu eigenlijk niet meer voorstellen. Ik had hem eigenlijk gewoon op zijn bek moeten slaan. Als je dat jaren later met andere ogen gaat bekijken, dan denk je: hoe heb ik dat kunnen laten gebeuren? Ik vond het heel moeilijk om voor mezelf te kiezen. Ik was opgevoed met het idee van: je moet nederig zijn, je mag niet voor jezelf opkomen, anders word je misschien geconfronteerd met het oorlogsverleden. Toen ik een jaar of veertien was, werd ik eens zo maar geslagen door een meisje. Ik deed helemaal niets terug.Ik heb haar jarenlang gewoon vriendelijke gedag gezegd, tot ik op een gegeven moment dacht: iemand kan alles met me doen, ik blijf maar groeten.Dat doe ik nu dus niet meer, daar heb ik geen zin meer in. Als ik die vrouw nu tegenkom, dan gaan de haren in mijn nek nog steeds omhoog staan en steek ik mijn neus in de lucht. Als iemand mij een beetje het gevoel gaf dat ze me niet zagen zitten, dan trok ik me vaak terug uit een relatie. Bij mensen die er wel voor me zijn, blijf ik juist heel lang hangen. Ik stel me vaak passief op en heb de neiging om een teruggetrokken bestaan te leiden. Ik heb echt moeten leren om sociale contacten aan te knopen. Vroeger als ik mijn zoontje van school haalde, zag hij mij daar alleen staan zonder dat ik een praatje maakte met de andere ouders. Ik heb echt moeten leren om gezellig te doen. Ik heb de neiging om geen initiatief te nemen in een relatie. Sinds een aantal jaren speel ik trompet. S´avonds trek ik mij dan terug om notenbalkjes te oefenen. Daar moet ik echt wel voor opkomen, want de neiging is om samen dingen met het gezin te doen. Ik heb het echt voor mezelf veilig moeten stellen om s’avonds te kunnen oefenen. Die nederigheid en het niet voor jezelf opkomen, zie ik ook terug bij mijn eigen kinderen. Dat doet pijn. Mijn zoon is ooit eens van school gestuurd voor iets dat niet hij, maar een vriend van hem had gedaan. Hij heeft toen niets gezegd en nam de schuld op zich. Hij wist niet hoe hij voor zichzelf moest opkomen. Ook ik voelde me volkomen machteloos, wist totaal niet hoe ik hem moest steunen.
Winst Doordat ik de zoon van een foute vader ben, kijk ik wel anders naar mensen. Ik zal bijvoorbeeld Maxima, ook het kind van foute ouders, nooit veroordelen. Ik wil zelf namelijk ook niet afgerekend worden op het verleden van mijn vader. De man die destijds mijn zoon van school heeft verwijderd, daar heb ik natuurlijk wel een hekel aan. In mijn gezin is die man helemaal fout. Zijn dochter is toevalligerwijs een collega van mijn vrouw. Al snel had mijn vrouw iets van: die dochter deugt niet. Daarop zei ik: Ho even, je kunt denken wat je wilt van die man, maar het is zijn dochter en die heeft er niets mee te maken. Dat kan een hele aardige vrouw zijn. Dat is de winst van mijn kant.”