Een kwartje voor Hitlers verjaardag

“Ik heb er een groot deel van mijn leven mee geworsteld, natuurlijk was ik bang dat mijn vader iets ergs had gedaan”, zegt Mara de Vrijer uit Schiedam. “Ik heb gewacht tot na zijn dood voor ik op zoek ging naar de aanklacht tegen hem. Ik heb er zelf nooit met mijn vader over kunnen praten, hij heeft het nooit meer over de oorlog gehad.”

Samen met haar jongste zusje ging Mara 25 jaar geleden naar het RIOD in Amsterdam, op zoek naar de waarheid over het verleden van haar vader. Erg zenuwachtig was ze niet. “Ik was vooral erg nieuwsgierig. Je weet dat er in een oorlog vreselijke dingen gebeuren. Dat is gewoon zo. Ik heb altijd in mijn achterhoofd gehouden dat het heel goed mogelijk was dat mijn vader daaraan deelgenomen had. Ik had me voorbereid op het ergste. Toevallig was het in mijn geval niet zo. Maar oorlog is zoiets ontzettend smerigs, dan veranderen mensen. Ze willen overleven, ten koste van alles.”

In het dossier vond ze zijn aanklacht. “Hij is aangeklaagd voor zijn lidmaatschap van de NSB, deelname aan de Nederlandse Landstorm en het storten van een kwartje ter ere van Hitlers verjaardag. Natuurlijk, mijn vader heeft de foute keuze gemaakt, maar dat kwartje sloeg alles,” lacht Mara. “Ik vond het zo grappig dat ik er een kopie van heb gemaakt. Mijn zoon heeft dat later uitvergroot en boven zijn bed gehangen.”   

Hoewel ze er geen begrip voor heeft dat haar vader zich bij de NSB heeft aangesloten, kan ze zich wel enigszins inleven in zijn situatie. “Het waren andere tijden. Ik denk dat hij zich heeft aangesloten bij de NSB vanwege de hoop die Hitler gaf in tijden van crisis en de kameraadschap die er heerste. Dan ben je wel sneller geneigd je bij zo’n organisatie aan te sluiten. Mijn vader heeft na de oorlog nog een hele tijd contact gehad met vrienden die hij daar heeft ontmoet.”

Vegetarische slager

De crisis raakte J.P. de Vrijer hard. Hij werkte als slager in het bedrijf van zijn vader, maar hij was niet echt een zakenman. Mara vertelt dat hij na de oorlog voor de hele buurt konijnen moest slachten. “Hij had er eigenlijk een hekel aan. Hij had er veel begrip voor als ik geen vlees wilde eten, ik denk dat hij stiekem een vegetarische slager was.”

Mara’s vader trouwde in 1938 en kreeg in februari 1939 zijn eerste kind, dochter Henny. Twee jaar later sloot hij zich vrijwillig aan bij de NSB. In 1941 wordt Mara geboren.  Tijdens de oorlog meldt hij zich aan voor de Nederlandse Landstorm, een eenheid van de Waffen-SS. Hij werd uitgezonden naar Hasselt om te vechten aan het front, waar de Britse troepen het Albertkanaal over dreigden te steken. Daar is hij opgepakt door de Amerikanen een gevangen gezet in verschillende kampen in Frankrijk en België. Tijdens zijn proces heeft hij verklaard dat hij zich toen met opzet krijgsgevangene heeft laten maken. Terug in Nederland is hij opgepakt in Vught en geïnterneerd in kamp Domburg. 

Het gezin woonde in Rotterdam, in de wijk Blijdorp. “Toen de oorlog uitbrak en mijn vader doorkreeg  dat hij de verkeerde keuze had gemaakt, kon hij niet meer terug omdat hij een gezin had. Ik denk niet dat hij zich ooit aangetrokken voelde tot de idealen van Hitler, daarvoor hadden we teveel Joden in de familie. Mijn oom was getrouwd met een Jodin en een tante met een Joodse man. Ik heb nooit gemerkt dat daar spanningen waren.”

Mara heeft zelf weinig herinneringen aan de oorlog, maar toch zijn een paar gebeurtenissen haar bijgebleven. “Mijn moeder zat op een dag te huilen op bed en zei: “ Jan, wat heb je ons aangedaan?” Het was Dolle Dinsdag, begreep ik later. We moesten vluchten. In de Hongerwinter zijn we uit Rotterdam vertrokken, ik denk dat mijn moeder toen al zwanger was. We gingen richting het noorden, richting Drenthe.”

Mara, zus Henny en hun moeder hebben de tocht te voet en in open treinen afgelegd. Na een paar dagen bij een boer te hebben overnacht,  werden ze overgebracht naar een huishoudschool in Emmen. Hier werden alleen ouderen, vrouwen en kinderen opgevangen. “Daar is mijn moeder bevallen. Een paar dagen later overleed mijn zusje aan dysenterie, dat heerste daar. Iedereen had het, de kinderen waren vervuild en zaten onder de luis. Het ontbrak ons aan alles. Mijn moeder is in die school ook een keer ondervraagd terwijl er een geweer op haar gericht was. Ik weet nog dat ik toen heel hard ben gaan gillen, daar was ik goed in.”

In 1945 werden de moeders en kinderen van elkaar gescheiden. De kinderen werden ingedeeld naar leeftijd. Mara werd van haar zus gescheiden en ging naar een kleuterschooltje. “We werden daar naartoe gebracht in vrachtwagens met soldaten. Ze hadden het geweer in de aanslag. Dat voelde toen heel bedreigend, maar nu denk ik dat ze er juist waren om de kinderen te beschermen.” In het schooltje werden de kinderen ingeënt. “Toen ben ik ook vreselijk gaan gillen, ze hebben mijn zus er zelfs bijgehaald. Ik hoorde de begeleiders toen zeggen: laat maar, het is maar een NSB’ersjong.”

In de herfst van 1945 werden alle kinderen overgeplaatst naar het Noorderhuis in Hoogeveen. “Daar heb ik geen nare herinneringen aan, het was er goed. Er was veel speelgoed.” In 1946 werden alle kinderen weer opgehaald. Het kostte Mara’s moeder veel tijd haar terug te vinden, omdat er geen administratie werd bijgehouden. Haar vader zat ondertussen geïnterneerd in Domburg, waar hij iedere dag ging werken op de scheepswerf "De Schelde" in Vlissingen. In 1949 kwam hij vrij.

Het gezin werd herenigd en kreeg een huis toegewezen in Rotterdam-West. In 1951 werd er nog een meisje geboren. Ondertussen begonnen de gevolgen van de internering zich bij Mara’s oudste zus af te tekenen. “Ze was waarschijnlijk geestelijk wat minder sterk en was tijdens het verblijf in de kindertehuizen 6 jaar. Dat blijkt achteraf de meest heftige leeftijd te zijn geweest. Je begrijpt meer, maar nog niet alles. Ze werd in haar puberteit langzaam gek.”

Vluchten

Mara begon in haar tienerjaren steeds meer te begrijpen over haar vaders verleden en keerde zich van hem af. “Op school leer je steeds meer over NSB’ers. Dat het landverraders waren en dat ze doodgeschoten hadden moeten worden. Ik heb toen lange tijd niet meer met mijn vader gepraat omdat ik zo boos op hem was. Ik denk dat mijn ouders destijds mijn frustratie wel begrepen, dus die lieten me mijn gang gaan. Het maakte de situatie thuis wel heel vreemd. Ik praatte niet met mijn vader, met mijn oudste zus was niets te beginnen en mijn jongste zusje wist van niks. De sfeer was verschrikkelijk, er was constante spanning. Daarom ontvluchtte ik het huis zo vaak ik kon.”

Als vrouw van NSB’er kon je na de oorlog scheiden, maar dat heeft Mara’s moeder nooit gedaan. Dat neemt ze haar achteraf best kwalijk. “Omdat ze bij hem bleef klopte ze zichzelf haar hele leven op de borst, maar hij moest dat ook zijn hele leven aanhoren. Ik heb later tegen mijn moeder gezegd: ”Je had van hem moeten scheiden, want dan had hij ook nog een leven gehad.”  Ik weet niet of ze van elkaar hielden. Als mensen lang samen zijn wordt het vaak meer vriendschap, een gewoonte. Nee, echt liefdevol was het niet.” Haar vader vond een nieuwe baan bij een bakker in Schiedam. “Hij ging met een kar door de straten en werkte zes dagen per week.”

Hoewel het huwelijk van haar ouders er na de oorlog niet zo rooskleurig uitzag, heeft Mara ook begrip voor haar moeder. “Het is de eerste jaren een soort overlevingstocht geweest, voor iedereen. Ik denk dat ze veel verdriet had. Haar man zat bij een foute organisatie en dus zat ze met haar kinderen in zo’n interneringskamp terwijl ze zelf niet fout was. Ze heeft een kind verloren en de psychische problemen van mijn oudste zus gaven een hoop ellende en zorgen. Ik denk dat iedereen destijds heel erg met zichzelf bezig was, om voor zichzelf een oplossing te vinden. Het gezin is nooit tot rust gekomen.”

Mara belandde in de jaren zestig en zeventig in progressieve en artistieke kringen en heeft daar veel van zich af kunnen praten. “Ik las heel veel en praatte heel veel met anderen. Vooral met Joden. Ik heb wel schaamte voor mijn vader gevoeld en wilde zijn ‘schuld’ wegnemen door me te identificeren met Joden. Ik wilde zelf bijna Joods worden, maar ik ben daar weer overheen gegroeid. Toen heb ik gezien dat de wereld niet zwart/wit is, maar grijs.” Ook heeft ze veel met haar zus Henny kunnen praten over de oorlog.

Ruimdenkend

Mara is nooit aangesproken op het NSB-verleden van haar vader. “We woonden in een grote stad, mensen zijn daar over het algemeen ruimdenkender. Niemand heeft me ooit genegeerd of veroordeeld vanwege het verleden van mijn vader. Toen ik nog op de lagere school zat, heeft een juf over concentratiekampen verteld. Het schijnt dat ik door de klas heb geroepen dat ik daar ook had gezeten, omdat ik de omschrijving vaag herkende. De juf reageerde toen alleen maar heel netjes en zei: Nee Mara, daar heb jij niet gezeten, jij zat ergens anders.” Mara was altijd geïnteresseerd in het communisme, maar had het idee dat mensen dat erger vonden dan banden met de NSB. “Ik ben nooit van mijn leven lid geworden van een politieke organisatie, te bang dat het fout zou gaan.”

Ze vertelt openlijk over haar verleden en dat van haar vader. “Ik heb dat altijd gedaan en in principe mag iedereen het van me weten. Ik loop er natuurlijk ook weer niet mee te koop, maar ik vind het een slechte zaak als het doodgezwegen wordt.”  Ze kan er inmiddels wel om lachen. “We zijn een tijdje stateloos geweest omdat vader bij de NSB zat. Kan je het je voorstellen? Ik was op mijn zesde al een gevaar voor de staat!”

Mara’s ouders zijn allebei overleden, haar vader eerder dan haar moeder. Met haar oudste zus gaat het slecht. Vorig jaar zomer heeft ze geprobeerd zelfmoord te plegen. Inmiddels wil ze niet meer over de oorlog praten. Ze zit in een tehuis voor ouderen met een geestesziekte. “Hoewel ik altijd heel goed met haar kon praten heb ik nooit geweten wat zij nu van mijn vader vond.”

Naast alle vervelende verhalen over thuis heeft Mara toch nog een hoop leuke herinneringen aan haar vader. “Hij was een hele vriendelijke man. Altijd bereid om iedereen te helpen. We zaten als gezin totaal niet in een isolement. Als dat al zo was kwam dat eerder door mijn moeder. Ze was bijvoorbeeld hartstikke jaloers als mijn vader de buurvrouw hielp. We fietsten ook altijd veel. Had je als kind leren fietsen, dan maakte vader een fiets voor je. En als het mooi weer was op zondag  maakten we tochtjes. Naar Hoek van Holland bijvoorbeeld. Niemand deed dat nog in de buurt, fietsen voor je plezier. En ik weet nog dat hij met Pasen en kerst altijd het ontbijt maakte, compleet met salades. De man deed veel voor zijn gezin, hij heeft het eigenlijk best nog wel goed gemaakt.”