In deze ‘consessie’ ontmoette ik mijn man, die in 1947 Palembang als standplaats kreeg met het bataljon de Gadjah Merah. We trouwden en kregen kinderen. Halverwege 1949 gingen we op verlof naar Soerabaja, naar mijn mans familie. Dit was zijn eerste verlof sinds zijn krijgsgevangenentijd in Birma. In dezelfde tijd werd bekend dat Indonesië onafhankelijk zou worden. We moesten kiezen: of blijven en Indonesiër worden of vertrekken naar Nederland. Omdat mijn man militair was, was het te gevaarlijk om in Indonesië te blijven. Dus kozen we voor vertrek. Het KNIL werd opgeheven en alle militairen ontslagen. Mijn man ging over naar de Koninklijke Landmacht. Hij moest echter helemaal opnieuw beginnen als soldaat. Dat was voor hem zeer frustrerend. De overtocht naar Nederland werd alleen voor hem betaald, niet voor de rest van ons gezin. Later hebben we dit allemaal terug moeten betalen.
We kwamen in Rotterdam aan met de boot. Mijn man moest direct door naar Nijmegen voor zijn militaire opleiding. Samen met andere gezinnen van militairen, kwam ik met mijn kinderen terecht in het contractpension Hof van Oostvoorne. Erg welkom voelde ik me daar niet. De accommodatie en het eten waren slecht. Toen mijn kinderen ziek waren, mocht ik niet eens eten naar de kamers brengen. Iedereen klaagde over de behandeling. Een Surinaamse vrouw was dapper. Ze zei: ‘we gaan mevrouw Spoor schrijven’. Zo gezegd, zo gedaan. Mevrouw Spoor hielp ons. We kregen toen een nieuw contractpension aangeboden, de Sparrenhof in Soestduinen. Onze contractpensionhouder Hendriks was zo aardig! We werden behandeld als prinsessen. We vroegen hem of we ons eigen potje mochten koken en dat mocht. Later zei hij, ‘jullie gaan de hele week Indisch koken, ik betaal alles. Maar in het weekend kook ik Hollands’. Daar waren we heel blij mee.
Na een tijd werd mijn man gestationeerd in Ede. Het huis waarin we zouden gaan wonen, was echter nog niet klaar en opnieuw kwamen we terecht in een contractpension. Omdat ik een baby had, mocht ik van Hendriks met de taxi naar Bennekom. Het nieuwe pension viel echter zo tegen. Weer was het eten bar slecht. Elke dag kregen we ieder een klein gehaktballetje en sla zonder saus. Mijn man zei: ‘ik ben toch geen geit’. Ik heb toen geklaagd bij de pensionhouder Fluit en heb gezegd: ‘ik betaal 60% van mijn salaris en dan wil ik ook beter eten hebben. De andere pensiongasten hoorden dat ik geklaagd had en zeiden: ‘je bent ondankbaar’. Maar dat is niet waar, want in ons vorige pension kregen we voor hetzelfde geld wel goed te eten. Ook de accommodatie was slecht. Het waren vakantiehuisjes. Het was er erg koud in de winter en als het regende, lekte het dak. We moesten dan overal potjes en pannetjes neerzetten om de regen op te vangen. Ik was blij toen ons huis klaar was en na jaren eindelijk ons eigen plek kregen.