INLEIDING.
De vergadering van de Gedeputeerden der Staten van Brabant. Vlaanderen en Henegouwen, op 25 September 1576 te Brussel bijeengekomen om maatregelen te nemen tegen het wanbedrijf der Spaansche soldaten, ontwikkelde zich geleidelijk door de deelneming der gedeputeerden van andere gewesten, volgens de bedoeling der convocatie, tot eene samenkomst van de Etats-Generaux. Aanvankelijk noemden de vergaderde gedeputeerden zich: "Députés des Etats du Pays-Bas, assemblés à Bruxelles", "Gedeputeerden van de Staten der Landen van Herwaartsover". Na midden October 1576 wordt geregeld in de resolutiën de term "Etats-Généraux" gebruikt, wanneer de vergadering gemeenschappelijke geldelijke verplichtingen behandelt. Voor de onderteekening van brieven en bij andere stukken blijkt de benaming "Etats-Généraux du Pays-Bas", "Generale Staten" in zwang te zijn gekomen sedert circa 17 November, dus eerst nadat bij de Pacificatie, te Gent op 8 November 1576 gesloten, ook de gewesten Holland en Zeeland bondgenoot waren geworden.
De vergaderde Staten werden geacht eene Unie te vormen; union, conjunction, association - aldus noemt de akte der Unie van Brussel de van het begin af bestaan hebbende onderlinge betrekking, die door de Pacificatie van Gent bevestiging kreeg. Bij de Pacificatie werd het doel, dat de bondgenooten zich stelden, omschreven als een wederzijdsche bijstand met "raad en daad, goed en bloed" om uit de landen te verdrijven de Spaansche soldaten en andere vreemdelingen; de bondgenooten en geallieerden verklaarden zich bereid daartoe de noodige contributiën en imposten op te brengen. Het "raad en daad, goed en bloed" luidt in den franschen text van de akte de Pacificatie "avec conseil et fait, y employant corps et biens", in de Unie van Brussel zeggen de contractanten, dat zij gedwongen waren geweest "de nous unir et joindre par ensemble et avec armes, conseil, gens et deniers assister l'un l'autre contre les Espagnols et adhérens, declarés rebelles à Sa Majesté et nos ennemis".
In een resolutie van 14 November 1570 ontmoeten wij den term "Généralité" ter aanduiding van de eenheid der geüniëerde gewesten; "Généralité", "Generaliteit" zijn sindsdien herhaaldelijk gebruikte termen gebleven.
Nadat in Januari 1579 te Utrecht de "Nadere Unie" door de Noord-Nederlandsche gewesten is gesloten, wordt de Unie der Generale Staten duidelijkheidshalve wel als "Generale Unie" aangeduid.
De benaming "Etats-Generaux des (du) Pays-Bas", "Generale Staten der (dezer) Nederlanden" bleef ter griffie de gebruikelijke tot het scheiden van de Staten-Generaal in Augustus 1581. In de administratie van den audiencier Asseliers uit de periode, dat hij te Amsterdam-'s Gravenhage in Juni-Augustus 1581 bij de Staten-Generaal dienst deed, ontmoeten wij meest de benaming: "Staten-Generaal der Geüniëerde Nederlanden".
Toen in 1580 voor de onderhandelingen van de Staten-Generaal met den Hertog van Anjou stukken werden opgemaakt, waarin de gezamenlijke gewesten afzonderlijk vermeld stonden, bevatten deze documenten de formule: "Etats des Provinces unies (et associées) des (du) Pays-Bas", waarmede de Staten der afzonderlijke gewesten gezamenlijk werden bedoeld. In Juli 1581 treffen wij dan een document aan, dat de benaming bevat, waarin het woord "Etats généraux" in combinatie met het woord "Provinces" gebruikt wordt: het is de obligatie van 29 Juli 1581 voor den Hertog van Anjou benevens de daarop betrekking hebbende resolutie, in welke gesproken wordt van: "Etats-Généraux des Provinces Unies des Pays-Bas, nommément de Brabant etc..."
De akte van wederkeerige vrijwaring der provinciën, dienzelfden dag in Nederlandschen text opgemaakt, bevat echter deze benaming niet, maar spreekt van: "Generale Staten van de Geüniëerde Nederlanden, namelijk van Brabant enz.".
. Een volgend stadium in de geschiedenis der benaming vangt dan aan in 1582, wanneer de Staten-Generaal wederom bijeen zijn gekomen; de griffie zal van nu af de benaming "Etats-Généraux des Provinces Unies des Pays-Bas", "Generale Staten der Geüniëerde Nederlandsche Provinciën" voor goed blijven gebruiken.
Voor de historie van het gezag der Staten-Generaal in de periode 1576-1588 kan hier verwezen worden naar de uitgave van de "Resolutiën der Staten Generaal" door dr. N. Japikse. Slechts één onderdeel daarvan wil ik hier ter sprake brengen, omdat het een aanmerkelijke uitwerking had op de administratie der Staten. Nadat tengevolge van den breuk met Gouverneur-Generaal Don Juan het gouvernement, bij hetwelk het gezag der Hooge Overigheid berustte, uitgeschakeld was, kwam dit gezag aan de Staten-Generaal te vallen. Deze oefenden de regeering uit tot de aanvaarding van het gouvernement door Aartshertog Matthias. Tijdens hunne regeerings-uitoefening benoemden de Staten-Generaal in December 1577 een audiencier; deze ambtenaar, die stukken opmaakte, welke van de Hooge Regeering uitgingen, deed nu dienst voor de Staten-Generaal, totdat Gouverneur-Generaal Matthias was opgetreden.
Eene herhaling van dezen toestand deed zich voor toen de Staten-Generaal in Juni 1581, na de resignatie van Aartshertog Matthias als gouverneur-generaal, het gouvernement aanvaardden. De audiencier, die zich destijds als afgevaardigde van Matthias bij de Staten-Generaal had vervoegd, kon nu bij de Staten dienst gaan doen voor het depecheeren der stukken, welke van de Staten-Generaal, als het gezag der Hooge Regeering hebbend, uitgingen.
Het gezag der Hooge Overigheid kwam ten derden male aan de Staten-Generaal, nadat de Hertog van Anjou zich in Januari 1583 teruggetrokken had. Sindsdien bleef de audiencier in dienst van de Staten-Generaal. Het overlijden van audiencier Asseliers begin September 1584 en de vereeniging van het audienciersambt met het griffierschap der Staten-Generaal had tengevolge, dat nadien geen afzonderlijke administratie meer werkzaam was, speciaal belast met het opmaken van stukken, welke van de Staten-Generaal, als hebbend het gezag der Hooge Overigheid uitgingen.
Toen de Staten van Brabant, Vlaanderen en Henegouwen op 25 September 1576 te Brussel in vergadering bijeenkwamen, hadden zij voor hunne administratie vooreerst den bijstand van den griffier der Staten van Brabant, Cornelis Weellemans. Op 5 October werd een besluit van orde voor de vergaderingen genomen: uit de geestelijkheid van elk der drie vergaderende gewesten werd één persoon aangewezen, ten einde om beurten telkens voor een week te presideeren, voorstellen te doen en brieven en stukken te ontvangen. Daarbij zouden een of twee der pensionarissen uit de gedeputeerden den president bijstaan. De pensionarissen zouden voorts elken namiddag bijëenkomen om te zorgen voor de uitvoering der resolutiën, het stellen en verzenden der brieven, en het opmaken van de punten voor de volgende vergadering. Over de zorg voor de uitvoering der Staten-resolutiën handelt verder een besluit van 16 October, waarbij daartoe gecommitteerd werd Jean de Bourgogne, heer van Froidmont, geassisteerd door een 4-tal pensionarissen-griffiers uit de gedeputeerden. De pensionarissen uit de vergaderende gewesten kregen bij resolutie van 16 November opdracht in de namiddagen te zorgen voor de afdoening der rekwesten.
In Februari 1577 volgde eene verdeeling der werkzaamheden door de oprichting van eene Kamer der Beden en eene Kamer der Depechen; de eerste kreeg eene afzonderlijke administratie; de laatste zou al de volgende maand worden opgeheven. Bij resolutie van 27 Maart 1577 arresteerden de Staten-Generaal een "Reglement sur l'ordre à observer dans leurs assemblées"
Gedrukt bij Gachard. Actes des Etats-Generaux des Pays-Bas, I, p. 440.
. Volgens dit reglement zou de voorzitter twee assesseurs mogen kiezen; president en assessoren zouden zorg moeten dragen voor de expediëering der resolutiën; alle resolutiën zouden op schrift gesteld en voor het uiteengaan in de volle vergadering gelezen moeten worden.
De hoofdpersoon in de administratie der Staten-Generaal, door wien het resolutieregister gehouden werd, bleef Cornelis Weellemans, de griffier der Staten van Brabant, die de Staten-Generaal als "griffier" zou blijven dienen. Eene resolutie van 15 April 1577 betreft zijne bevoegdheid om de obligatiën en akten der Staten-Generaal te onderteekenen.
Over de notuleering der resolutiën is gehandeld door dr. Japikse in zijne Inleiding tot de Resolutiën der Staten-Generaal 1576-1577. Op pag. LXV bespreekt de schrijver nog in het bijzonder het memoriaal van resolutiën, dat over het tijdperk 9 October 1577 tot 20 April 1578 bewaard is gebleven en thans bekend staat als Staten-Generaal-archief n°. 3. Het bleek mij, dat in dit memoriaal de resolutiën over 9 October-24 October 1577 in dubbele notuleering aanwezig zijn: eene door Weellemans, de tweede door den Antwerpschen secretaris Asseliers en anderen
Door foutieve herbinding is de orde in de drie eerste katerns van dit memoriaal, het tijdperk 9?24 October omvattend, verstoord geworden. De oorspronkelijke volgorde is thans door mij hersteld.
. Het memoriaal bevat verder notuleeringen uit het tijdperk 1577 November-1578 April in het handschrift van pensionarissen enz. als Sille, Houfflin en Asseliers
Zie voor het handschrift der hier genoemden: de notuleeringen van 1577 December 5-14; 1578 Januari 10-16, Februari 21-27, Maart 14-20.
.
Griffier Weellemans had den bijstand van klerken, die ten getale van drie op 20 October 1576 den eed van geheimhouding aflegden. Hetzelfde geschiedde dien dag door de "aultres clereqs", die in dienst der afzonderlijke gewesten afschreven en slechts bij uitzondering voor de Staten-Generaal mochten werken. De klerken van Weellemans waren: Anthoine Leys, Philippe de Zoete, Jehan Walschaerts; de andere klerken, die wij tot Januari 1577 genoemd vinden, heetten: Jehan Spoelberch, Pierre van der Woerden, Pierre Schotelmans, Franchoys de Jonghe, Henry Pasteur, Josse Willems, Gillis Thielemans, Martin Fabri, Franchoys de Borchgrave.
In een resolutie der Staten-Generaal van 14 Augustus 1577 is sprake van het in dienst nemen van een klerk, die Hoogduitsch kan schrijven; met dezen klerk, die voordien in dienst geweest was bij den president van den Secreten Raad, Viglius van Ayta, is vermoedelijk bedoeld Jan van Langen, maar het kan ook zijn, dat de resolutie Melchior Modelius op het oog heeft. Modelius, geboortig van München, die na de instructie voor de klerken van April 1578 het register "Germanien" zou houden, werd bij resolutie van 20 September 1577 door de Staten voor schrijfwerk in dienst genomen
Modelius' herkomst wordt vermeld in Res. St.-Gen. 28 December 1578.
; tot de indienstneming van Jan van Langen besloten de Staten bij resolutie van 26 October 1577.
Het klerkschap van Jan van Langen, geboortig van Münster in Westphalen, zou belangrijke gevolgen hebben voor de administratie der Staten-Generaal
Res. St.-Gen. 16 Jan. 1578 vermeldt: Jan van Langen, geboortig van Münster in Westphalen.
. Langen ging eene afzonderlijke administratie aanleggen, welke zelfstandig naast die van den griffier gehouden zou worden; deze administratie zou in eene van den Staatssecretaris voor Hoogduitsche zaken overgaan, nadat Langen in Mei 1578 bevorderd was tot dezen rang, welk ambt de Staten-Generaal in navolging van het ambt van den Hoogduitschen Staatssecretaris der Spaansch-Nederlandsche regeering, Urban Scharenberger, instelden.
Uit de bewaard gebleven papieren in de Langen-collectie blijkt, dat in het Hoogduitsch ook de briefwisseling gevoerd werd met Gelderland en de andere het meest noordelijk gelegen gewesten.
Nog een ander ambt hebben de Staten-Generaal in navolging van de administratie der Spaansch-Nederlandsche regeering ingesteld: dat van audiencier. Nadat de Staten-Generaal bij resolutie van 9 December 1577 de voorwaarden voor de aanneming van Aartshertog Matthias van Oostenrijk als gouverneur-generaal der Nederlanden hadden geärresteerd, gaven zij het ambt van audiencier op 12 December provisioneel aan Corneille de Pottelsberghe, destijds buitengewoon secretaris van den Secreten Raad (Conseil Privé). De Staten bepaalden bij deze benoeming, dat Pottelsberghe het ambt van audiencier op dezelfde wijze zou bedienen als geschied was door Pierre d'Overloope, den audiencier der Spaansch-Nederlandsche regeering, die zich na de breuk tusschen de Staten-Generaal en Don Juan, tengevolge van diens bezetting van Namen, bij dezen gevoegd had. Alvorens Gouverneur-Generaal Matthias het bewind aanvaardde, deed de audiencier Pottelsberghe, die op 18 December den eed aflegde, dienst bij de Staten-Generaal voor het opmaken van bepaalde stukken, als hoedanig in een akte van 15 December 1577 worden aangegeven "lettres patentes, placcars et autres semblables mandemens".
De nederlaag, het Staalsche leger bij Gembloux toegebracht, noopte de Staten-Generaal in begin Februari 1578 Brussel te verlaten en hunne vergadering in Antwerpen te gaan houden. Bij de resolutiën van 8 Februari 1578 heeft Weellemans aangeteekend: "En Anvers. Au monastère de St. Middel".
Hoofdzakelijk voor de huishoudelijke aangelegenheden der Staten-Generaal was van den beginne af werkzaam geweest Guillaume Ramet, in de functie van "Agent"
Over zijn dienst sedert 27 September 1576 zie resolutie St.-Gen. 18 November 1577.
; aan dezen ambtenaar blijken echter ook administratieve werkzaamheden te zijn opgedragen; zoo werd hem bij resolutie van 11 Februari 1578 gelast aanteekening te houden van alle brieven, gezonden door of te zenden aan de provinciën.
Het aantal aan de griffie verbonden klerken blijkt in verloop van tijd zeer te zijn toegenomen, zoodat de Staten hun aantal bij resolutie van 28 Februari 1578 tot negen terugbrachten.
Nadat reeds in de vergadering van 31 Januari 1578 een verzoek van Weellemans, die door de Staten-Generaal tot raadsheer in den Raad van Brabant was benoemd, om ontslagen te worden uit zijn griffiersambt, was behandeld, besloten de Staten op 9 April Weellemans als griffier der Staten-Generaal door twee secretarissen te vervangen. Op verzoek van Weellemans namen de Staten op 16 April het besluit aan den Magistraat van Brussel te schrijven ten einde hem te laten volgen "ses pieches touchans son office de greffier de Messieurs les Etats pour en faire et dresser ung inventoire". Toen Weellemans op 18 April afwezig was, droegen de Staten de onderteekening van brieven op aan den griffier van de Kamer der Beden. Toch heeft Weellemans nog eene aanteekening gesteld onder de tot 20 April 1578 ingeschreven resolutiën, welk werk over de periode van 28 Maart af tot dien datum verricht is door den klerk Franchoys de Jonghe. In de namiddag-vergadering van 19 April 1578 benoemden de Staten de beide secretarissen, die griffier Weellemans zouden opvolgen.
Uit den reeds vermelden brief van 16 April 1578 valt op te maken, dat verschillende papieren van het griffie-archief te Brussel waren blijven berusten. Betreffende de overdracht van het griffie-archief door den afgetreden griffier aan zijn opvolgers blijkt, dat het grootste gedeelte ervan op 24 Mei 1578 door Blyleven en Houfflin onder inventaris werd overgenomen
Zie Weellemans' brief aan de Staten-Generaal d.d. 19 Januari 1579 in St.-Gen. Lias Loopende 1579.
.
Op 9 Januari 1579 besloten de Staten-Generaal, naar aanleiding van een rekwest van Weellemans, dezen te gelasten over te dragen "tous les papiers, lettriages et munimens concernans tant la Généralité que les Estatz de Brabant"; 15 Januari zonden zij een brief daarover af. Weellemans antwoordde uitvoerig bij schrijven van 19 Januari 1579, hetwelk op 23 Januari ter tafel kwant
Zie voorgaande noot. Het schrijven met bijlage is gedrukt bij: Gachard. Actes des Etats-Généraux, I, p. XIX?XXI.
. Weellemans herinnert in dit schrijven aan de overdracht van 24 Mei 1578. In deze overdracht waren evenwel niet begrepen geweest vooreerst de manualen of registers der resolutiën van de Staten-Generaal, die in gebruik waren geweest bij den tresorier-generaal Van der Beken; volgens bijgevoegde verklaring had deze ambtenaar van Weellemans ontvangen: drie registers of manualen van ordonnantiën, akten en resolutiën der Staten-Generaal sedert 1 October 1576 tot de maand Mei 1578. Deze verklaring is merkwaardig, omdat zij uitwijst, dat in het resolutieregister de besluiten der te Brussel vergaderde Staten eerst van af 1 October 1576 zijn ingeschreven geweest, juist zooals het resolutieregister tot ons is gekomen.
Ter aanduiding van het resolutieregister bevat de verklaring denzelfden uitvoerigen titel, die ook voorkomt in de instructie voor de secretarissen van 19 April 1578 en die dus blijkbaar een gewone was.
Weellemans had zelf onder zich gehouden eenige memorialen van resolutiën der Staten-Generaal, om deze over te schrijven in de manualen of registers der resolutiën. Deze memorialen worden nader aangeduid als afkomstig te zijn van de presidenten der vergaderingen, die de resolutiën en ordonnantiën opteekenden, wanneer Weellemans geen gelegenheid had voor alles te vaceeren. Deze memorialen zond hij thans over. Weellemans meldde verder, dat hij indertijd bij het haastig vertrek der Staten-Generaal uit Brussel naar Antwerpen niet alles had kunnen medenemen. Eene verzameling bij de Staten-Generaal ingediende rekwesten benevens dergelijke stukken had hij twee maanden geleden overgedragen aan meester Daniel Scharlants, om ze desgewenscht aan de secretarissen der Staten-Generaal te doen toekomen
Daniel Scharlants, solliciteur (auditeur) te Brussel, wordt ook bij andere gelegenheid genoemd als bewaarder van archiefstukken, aan de Generaliteit toekomend.
. Blijkens resolutie der Staten-Generaal van 25 Maart 1579 had deze toezending kort daarop plaats.
In hunne vergadering van Zaterdag 19 April 1578 des namiddags werd door de Staten-Generaal geëxamineerd en geärresteerd de "instruction, dressée pour le reiglemant et conduicte des deux secretaires des Estatz Generaulx pour la retraicte de Cornelis Weellemans"; vervolgens benoemden de Staten tot secretarissen Adolf Blyleven, schepen der stad Antwerpen, en meester Jean Houfflin, licentiaat in de rechten, gedeputeerde van het Doorniksche. Onmiddellijk daarop werd Houfflin reeds beëedigd en aanvaardde hij het secretarisambt
De commissiën voor de beide secretarissen werden eerst gearresteerd ingevolge resolutie van 30 October 1578; een afschrift van Houfflin's commissie bevindt zich bij de Saroels-papieren in Loketkas Loopende 52.
.
De instructie, op dezen dag gearresteerd voor de secretarissen, is met een instructie voor den agent en de beëedigde klerken ter griffie der Staten-Generaal ons bekend uit een afschrift, bewaard in een recueil te Brussel, waaruit Gachard het aan het licht heeft gebracht. De in dit afschrift ongedateerde instructiën zijn afgedrukt bij Gachard. Artes des Etats Généraux I p. 442-448
De instructiën zijn eveneens gepubliceerd bij: Jhr. mr. Th. van Riemsdijk. De Griffie van Hare Hoog Mogenden, p. 167?174.
. De instructie voor de secretarissen bevat o. a. voorschriften over: het teekenen van depeches, schuldrentebrieven, akten van retentie en contracten; de bewaring der origineele stukken; het noteeren en registreeren van hetgeen door de Staten verhandeld wordt en het depecheeren der missiven; het zitting nemen van één der secretarissen in de vergadering bij den president, om aan te teekenen en te registreeren alle "ordonnances, resolutions et actes" der Staten en om mede te zorgen voor het afdoen der zaken en het aangeven der nog te behandelen punten; het vaceeren van den anderen secretaris voor het depecheeren van brieven en andere zaken. Voorts schreef de instructie nog het houden der volgende registers voor (behalve het reeds genoemde Register van ordonnantiën, resolutiën en akten):
- un pour y reprendre au neste toutes lesdictes résolutions, ordonnances et actes des Estatz;
- un troysiesme el particulier pour y annoter et coucher tous accords d'ayde faicts et des deniers furnis par les provinces, ensemble les ordonnances et assignations
- des payemens;
- un quattriesme où que seront enregistrées les lettres et pieches d'affaires d'importance, selon leur occurence;
- un cinquiesme particulier pour les affaires concernans le duc d'Alençon;
- un sixiesme pour les affaires de la royne d'Angleterre.
Ten slotte bevatte de instructie nog een tarief voor de te depecheeren stukken.
De tweede, op 19 April 1578 vastgestelde, instructie was voor den "Agent, premier et aultres clercqs sermentéz de la greffe des Estatz Généraulx". Aan den agent werd o. a. opgedragen het vertalen van stukken van het Nederlandsch in het Fransch of omgekeerd. De bijzondere taak van den eersten klerk (voor welk ambt de klerk Philips de Zoete blijkt te zijn aangewezen) werd omschreven als: "bien garder tous les régistres, munimens, titles et lettriages desdicts Estatz et les in ventorier et enfiller par ordre et selon leur date". Bij de taak der klerken geeft de instructie o. a. aan: het bijhouden der registers, die men afzonderlijk houdt "pour l'importance des affaires concernans l'Empire, le duc d'Alençon, la royne d'Angleterre, les commissions, retenues et expéditions de guerre et aultres semblables".
Betreffende verschillende registers, waarvan het houden in de twee instructiën wordt voorgeschreven, blijkt, dat zij inderdaad volgens het gegeven voorschrift zijn aangelegd.
Vooreerst kwam er naast het resolutiënregister een netregister. Aangaande deze net-serie valt het volgende op te merken. De inventaris-Verburch van 1635 en die van De Heyde van 1656 wijzen, in onderling verband beschouwd, uit, dat er in het tweede kwartaal der 17de eeuw eene serie van het netregister heeft bestaan, welke geregeld heeft doorgeloopen. De eerste drie deelen zijn copieën geweest naar de drie resolutieregisters van den griffier Weellemans (1576 October-1577 Mei 18; 1577 Mei 20-1577 November 21; 1577 November 22-1578 April 20), terwijl daarbij hebben aangesloten de dubbelen over 1578 April 20-1578 December 31; 1579 Januari-1580 November 15; 1580 November 28-1581 Augustus; enz. Wat nu de copieën naar de registers Weellemans aangaat, werd het bij onderzoek van de twee daarvan thans nog bewaard gebleven deelen duidelijk, dat deze copieën eerst in den aanvang der 17de eeuw vervaardigd zijn. Immers was het handschrift van den klerk, door wien zij zijn geschreven, hetzelfde als dat van den schrijver van de dubbelen der resolutieregisters over de jaren 1601 en 1602, terwijl bovendien de beide papier-soorten, waarop elk der dubbelen 1577 en 1578 geschreven is, in het watermerk overeenkomst met dat van de beide papiersoorten, waarop de dubbelen 1601 en 1602 geschreven zijn. In het tijdperk, voorafgaande aan de instructie van April 1578, is dus blijkbaar geen net-register van resolutiën gehouden.
Aangaande de net- of dubbelregisters der resolutiën uit de periode Blyleven-Houfflin kon geconstateerd worden, dat zij in het handschrift geschreven waren van klerken, die destijds gediend hebben. Daarbij is het noodig te vermelden, dat het eerste der dubbelen uit den tijd der secretarissen Blyleven-Houfflin, het dubbelregister der resolutiën over 1578 April-December, thans verloren is. Dat dit te loor gegane dubbel reeds destijds vervaardigd is, valt af te leiden uit de opschriften van de twee dubbel-registers 1579 Januari-1580 November en 1580 November-1581 Augustus, die met blijkbaar bij de herbinding overgenomen titels, als "Second registre des résolutions des Etats Généraux" en "Troisiesme registre des résolutions ordinaires" zijn gemerkt.
Het bestaan hebben van dit te loor gegane dubbel 1578 April-1578 December valt ook op andere wijze aan te toonen. In de achttiende eeuw is ter griffie der Staten-Generaal een afschrift vervaardigd van de resolutiën uit de beginperiode, in welk afschrift ook de resolutiën over 1578 April-1578 December zijn opgenomen. Nu blijkt bij onderzoek van de 18de-eeuwsche copie-resolutiën over 1580, dat deze copie vervaardigd is naar het dubbel-register over dit jaar.
De 18de-eeuwsche copie der resolutiën over 1579 is niet bewaard gebleven.
Zulks doet reeds vermoeden, dat ook naar het dubbel-register 1578 April-December de 18de-eeuwsc'he copie gemaakt zal zijn. Bij verder onderzoek worden wij inderdaad tot deze conclusie genoopt. Immers blijkt, dat aan de 18de-eeuwsche copie niet ten grondslag kan liggen het origineele resolutiën-register, daar in den beginne verschillende resolutiën in het 18de-eeuwsch afschrift anders luiden, dan zij in het origineele register staan ingeschreven. Vandaar de noodzakelijke gevolgtrekking, dat het 18de-eeuwsche afschrift vervaardigd is naar het thans niet meer aanwezige dubbel-register over 1578 April-December. En aangezien wij verder langs anderen weg hebben aangetoond, dat dit dubbel-register reeds in de periode der secretarissen Blyleven-Houfflin is geschreven, stijgt daardoor de beteekenis, die wij moeten toekennen aan het 18de-eeuwsche handschrift. Voor het begingedeelte van het verloren dubbelregister 1578 April-December, zoo kunnen wij dan verder zeggen, heeft de 16de-eeuwsehe klerk andere minuut-notulen gebruikt dan die, welke in het origineele resolutieregister door secretaris Blyleven staan geregistreerd.
Vergelijk hierbij o.a. de afwijkende redacties van resolutiën d.d. 26, 27, 28 April en 1 Mei 1578, vermeld bij: Japikse. Resolutiën der Staten-Generaal 1578, p. 313, 177, 14. 45.
De klerk, die aanvankelijk het net-register der resolutiën heeft gehouden, kan met name worden aangewezen: Jean van Spoelberch heeft tot 1 Juni 1580 het register geschreven. Na de resolutiën van dien datum vangt een andere hand aan; op 6 Juli 1580 kenden de Staten-Generaal aan Spoelberch salaris toe tot 1 Juni en blijkens resolutie der Staten van 1 November 1580 had Spoelberch eertijds het "dubbel" der resolutiën gehouden. De klerken, die daarna in de Zuidelijke Nederlanden het dubbelregister hebben gehouden, waren blijkens het handschrift: Jan Piers en, sedert 4 Juli 1580, Jan Bayaert
Zie voor de determineering dezer handschriften hierna pag. 35, 41.
.
De instructiën van April 1578 schrijven verder het houden van verschillende registers van belangrijke stukken voor; als zoodanig noemt - gelijk wij reeds schreven - de instructie voor de secretarissen behalve een register van meer algemeenen aard (registre ou seront enregistrées les lettres et pièches d'affaires d'importance selon leur occurence) nog een registre particulier "pour les affaires concernant le duc d'Alencon" en een dergelijk "pour les affaires de la royne d'Angleterre". De instructie voor de klerken vermeldt, alsvorens deze te noemen, nog een register voor de "affaires concernans l'Empire".
De vier genoemde registers worden in het archief der Staten-Generaal aangetroffen; het zijn het "Registre des dépeches ordinaires" en de registers gemerkt "Germanien. Second Traité du Paix"; "France"; "Angleterre". Ook van deze vier registers is het aannemelijk te maken, dat zij krachtens het voorschrift der instructie van April 1578 zijn aangelegd. Het ordinaris depechenbock vangt eerst aan met 1579; het valt te betwijfelen of er een ouder deel bestaan beeft, daar de reeks op den inventaris Verburch van 1635 eveneens eerst met het Depecheboek 1579 aanvangt en het volgend Depechenboek gemerkt is: Seconde registre des depeches ordinaires 1580. In overeenstemming met deze niet-vermelding is de aanwijzing, welke een resolutie der Stalen van 3 September 1580 verschaft. Het ordinaris depechenboek is tot midden Januari 1580 gehouden in één zelfde handschrift, hetwelk wij kunnen toeschrijven aan den klerk Jehan Fabri, wiens betaling door de Staten bij genoemde resolutie wordt vastgesteld voor het houden van zeker register in de griffie sedert 1 Januari 1579 tot 15 Januari 1580; de resolutie voegt er aan toe, dat het register sindsdien gehouden is en in het vervolg gehouden zal worden door de klerken der secretarissen, eveneens ten laste der Generaliteit. Het ordinaris depechenboek is voor de stukken over het tijdvak na 1580 Januari in de Zuidelijke Nederlanden voortgezet door een klerk, wiens vlot, ruim en rond handschrift wij in 1581, wanneer de Generale Landraad de regeering heeft aanvaard, terugvinden in de stukken der administratie van den audiencier Asseliers; dezen klerk heb ik niet met behulp der Staten-resolutiën op een naam kunnen determineeren
Wellicht is deze klerk genaamd Lucas Durlay. Eene resolutie van den Raad van State van 30 October 1585 maakt melding van Durlay, destijds vertrokken naar Spanje, die vroeger 3 jaren klerk geweest was bij de Staten-Generaal en bij den audiencier Asseliers. Zijn handschrift maakt het intusschen mogelijk het spoor van dezen klerk nog te volgen tot in de Leycester-periode; een door hem voor den Raad van State in December 1586 geschreven stuk is te vinden in Depechenboek St.-Gen. 1586, fol. 147.
.
Het Fransche register begint met stukken van Juli 1578, onder openlating van de eerste helft van het deel, welk papier blijkbaar voor inschrijving van oudere documenten gereserveerd bleef. Dit register is geschreven door den klerk Guilliaume van der Kelen. Bij resolutie der Staten van 1 October 1578 werd hem een bedrag toegekend, verschuldigd voor schrijfwerk, onder voorwaarde, dat hij gehouden was te enregistreeren "toutes les dépeches concernans le faict de France depuis l'union des Estatz Généraulx et celles à l'advenir en dedans trois jours apres quycelles lui seront mis en mains". Van der Kelen's handschrift loopt door tot de stukken van December 1579; bij resolutie van 2 Januari 1580 gelastten de Staten den ontvanger-generaal om aan Guilliaume van der Kelen "clercq de leur greffe" een lettre de décharge te geven. De voortzetting van het "registre de France" droegen de Staten-Generaal bij resolutie van 15 September 1580 op aan den eersten klerk Philippe de Zoete. Een resolutie der Staten, van 8 November hield dezelfde opdracht in, met de bijvoeging: tot den tijd toe, dat anders door de Hooge Overigheid of den Landraad zal wezen geordonneerd. De stukken van Januari 1580 af zijn in het register geschreven door Philips de Zoete, wiens handschrift op het midden van folio 46 verso aanvangt.
Het register, dat het opschrift draagt "Germanien-Second Traicté du Paix" is in drieërlei lettersoort geschreven, al naar Fransche, Duitsche of Latijnsche stukken geregistreerd zijn. Het is echter geheel van de hand van den klerk Melchior Modelius, zooals blijkt bij vergelijking met een rekwest door Modelius van October 1580, bewaard in de Lias Loopende. Hoewel dit register stukken van 1576 af bevat, wordt het bij nauwkeurige beschouwing van het deel duidelijk, dat het eerst na de instructie van April 1578 is aangelegd. Op folio's 1-37 staan ingeschreven enkele stukken over het tijdperk 1576 December-1578 Januari; daarna volgen wanordelijk verschillende stukken, welke later in het deel zijn geregistreerd, zooals blijkt uit de tafel voor in het deel, waarop zij slaan tusschengevoegd; en eerst van fol. 77 af begint onder het met groote teekens geschreven hoofd "Aprillis 1578" de regelmatige inschrijving; een en ander maakt het waarschijnlijk, dal Modelius het register na April 1578 is gaan houden. De titel op den band "Germanien. Second Traicté du Paix", hoewel blijkens het lettertype eerst ten tijde van agent Cornelis de Heyde bij de herbinding aangebracht, is ongetwijfeld aan een titel van Modelius ontleend. De woorden "Second Traicté du Paix" zijn althans door Modelius geschreven in margine van de tafel voor in het register, ongeveer bij het einde der stukken van 1578.
Onder de benaming "Register van Germanien" vinden wij het deel vermeld in eene resolutie der Staten-Generaal van 31 December 1582, waarbij genoemd register ter raadpleging aan den Hoogduitschen secretaris Langen wordt verstrekt.
In de Staten-resolutiën is bovendien nog sprake van het vervaardigen van een "recueil de toutes les pieches envoyeés et venues de Coulogne"; volgens resolutie van 9 Augustus 1579 zou zoodanig recueil ter justificatie kennen dienen ingeval de oorlog mocht worden voortgezet. Krachtens resolutie van 29 December 1579 ontvingen de gedeputeerden der Staten-Generaal ter vredehandeling te Keulen een duplicaat van "toute la négociation sur la paix".
Van het register "Angleterre", hoewel met stukken van het jaar 1576 beginnend, is het eveneens waarschijnlijk, dat het eerst na April 1578 is aangelegd. Eene resolutie der Staten van 9 October 1578 regelt de betaling van den gezworen klerk ter griffie van de Staten-Generaal Arnoult Fabri, die het register "Engleterre" houdt. De resolutie draagt hem daarbij op, dat hij dit register zal voortzetten "depuis le commencement de l'Union". De opdracht houdt dus hetzelfde in als bij resolutie van 1 October 1578 ten aanzien van het Fransche register was bepaald.
Behalve den klerk Arnoult Fabri heeft blijkens het handschrift de klerk Jan Bayaert mede aan het register gewerkt, door er in te schrijven de Staten-resolutiën welke over Engelsche zaken handelden. De marginalia "Angleterre", door Bayaert in het resolutiënregister geschreven, houden met dezen arbeid verband.
De instructie van 1 April 1578 schreef behalve het houden der hier besproken registers ook nog voor het houden van een register "pour y annoter et coucher tous accords d'ayde faicts et des deniers furniz par les provinces, ensamble les ordonnances et assignations des payemens, sans préjudice de ceulx de la Chambre des aydes". Aanwijzingen ontbreken echter, dat een zoodanig register zoude zijn aangelegd. Daarentegen vernemen wij wel uit eene resolutie van 30 September 1578, dat de griffier van de Kamer der Beden uit het resolutiën-register der Staten-Generaal alle ordonnantiën van betaling zal moeten extraheeren.
Voor eene goede bewaring van hun archief gelastten de Staten-Generaal op 18 December 1578 aan den eersten deurwaarder 2 koffers te koopen ter berging van de "instrumens, escriptz et lettriages concernans les affaires de la Généralité". Bij resolutie van 9 Januari 1579 ordonneerden de Staten aan hun oud-griffier Weellemans om uit te leveren alle "papiers, lettriages et munimens concernans tant la Généralité que les Estatz de Brabant". Op 15 Januari 1579 gaven de Staten-Generaal opdracht" aan den pensionaris van Brugge, Yman, den pensionaris van Antwerpen, Van de Warck, en den griffier der Staten van Brabant, Andries Hessels van Dinther, "pour mectre l'ordre que convient en la greffe des Estatz". Over het redressement van de griffie viel een besluit op 20 Mei 1579, inhoudend, dat alle klerken binnen één maand nadien ontslagen zouden zijn, tenzij zij in dienst gehouden werden door de provinciën of door de secretarissen der Staten-Generaal, in welk geval zij zich zouden moeten gedragen volgens de te maken instructie.
Het aantal klerken, dat in het tijdperk der secretarissen Blyleven en Houfflin te Antwerpen ter griffie heeft gearbeid, was vrij groot. Als klerken, die aan het net-resolutiënregister, het depechen-register en de registers "Germanien", "France" en "Angleterre" hebben gewerkt, noemden wij reeds den eersten klerk Philips de Zoete en de klerken Jan van Spoelberch, Jean Fabri, Melchior Modelius, Guilliaume van der Kelen, Arnout Fabri, Jan Piers, Jan Bayaert, benevens den lateren audienceklerk (Lucas Durlay?). In de Staten-resolutiën dezer periode komen wij den naam van Jan Bayart niet tegen; maar zijn handschrift kon gedetermineerd worden met behulp van een door hem geschreven stuk (bewaard in de Loketkas Loopende 330), dat door Bayart als notarius opgemaakt en onderteekend is.
Als notaris wordt Jehan Bayaert le jeune vernield in het resolutieregister van den Generalen Landraad 18 Januari 1582.
Blijkens eene resolutie der Staten-Generaal van 4 Mei 1582 was Bayart geboortig van Vlissingen.
Van de andere klerken, die in het tijdperk Blyleven-Houfflin te Antwerpen ter griffie gearbeid hebben, noemen wij vervolgens Jan Meganck; bij resolutie der Stalen van 20 Juni 1579 werd Jan Meganck, geboortig uit Brussel, door de Staten aangenomen als klerk ter griffie, ten laste van Zeeland. Meganck's handschrift kon gedetermineerd worden met behulp der stukken uit de periode sedert 1582; daar van de toen werkzame twee klerken voor Bayaert's schrift het bewijs voorhanden was, bleef voor het andere veelvuldig voorkomende klerkenschrift slechts eene toewijzing aan Meganck over. Deze toewijzing vindt dan verder steun in het feit, dat het handschrift duurt zoolang Meganck ter griffie werkzaam bleef; zijn dienst voor de Staten-Generaal duurde totdat hij in het jaar 1604 kwam te overlijden.
Zijn overlijden wordt vermeld in resolutie Staten-Generaal 14 November 1604.
Verder ontmoeten wij in de resolutiën de namen van de volgende klerken, dienst doende in het tijdperk 1578 April-1580 November, waarbij wij tevens, voor zoover hiervan blijkt, de betaalsheeren voegen: Pierre de Backere alias de Ophem (Lille, Douay; Orchies), Philippe Bourgeois (Antwerpen), Lieven de Brye, Otto van Bruhesen (Generaliteit of secretaris Blyleven), Cornelis Fannius (Antwerpen), Jean Goederthuys, Jacques van Male (secretaris Blyleven), Jean de Monstruel (Artois), Jean Walschart (Artois).
Aan de klerken, solliciteurs en agent der griffie verboden de Staten-Generaal bij resolutie van 26 October 1579 om afschrift te maken naar de stukken, die bewaard werden aan de liassen, en naar de geregistreerde resolutiën; eveneens verboden de Staten het brengen van origineele stukken buiten de griffie zonder medeweten van de secretarissen of den eersten klerk. Aangaande de bewaring van het archief namen de Staten op 30 November 1579 een besluit, dat de "escripts et papiers concernans les affaires de la Généralité" zouden worden geborgen en opgesloten in de zaal der vergadering onder de hoede der secretarissen. Aan den eersten klerk Philippe de Zoete werd dienzelfden dag gelast zijne sleutels terug te brengen op het "bureau" der Staten-Generaal.
Tegen het midden van Januari 1580 verlieten de Gedeputeerden ter Staten-Generaal met uitzondering van die van Brabant en Vlaanderen de vergadering; de gedeputeerden dezer beide gewesten bleven te Antwerpen en vergaderden aldaar met den Raad van State. In het resolutiënregister staat bij 15 Januari 1580 aangeteekend: "Aux Conseil d'Etat. présens Brabant et Flandres". Op 9 Mei 1580 werd de vergadering van de gedeputeerden der gezamenlijke gewesten hervat; bij de notulen van dezen dag staat aangeteekend: "Aux Estatz Généraulx". Tot midden November 1580 bleven de Staten te Antwerpen, om vervolgens tegen het einde der maand in Holland bijeen te komen.
In het tijdperk der secretarissen Blyleven-Houfflin zou naast de griffie nog eene zelfstandige administratie ten dienste der Staten-Generaal gevoerd worden. De Staten continueerden namelijk Jan van Langen, den klerk, die in October 1577 in dienst was gekomen voor de Hoogduitsche briefwisseling.
Bij resolutie van 22 Mei 1578 accepteerden de Staten provisioneel Langen tot secretaris van den Raad van State; bij de regeling van zijn bezoldiging op 6 Juni 1578 namen de Staten als voorbeeld het ambt van Scharenbergher, den Hoogduitschen secretaris der Spaansche-Nederlandsche regeering, en tevens bepaalden zij, dat Langen gehouden zou zijn daarvoor te dienen Zijne Hoogheid Gouverneur-Generaal Aartshertog Matthias, den Raad van State en de Staten-Generaal.
Naast deze beide colleges noemt Langen zelf nog de Kamer der Beden, (Remonstrantie met bijlagen, door Langen in 1589 bij de Staten-Generaal ingediend. St.-Gen. Loketkas, Particuliere stukken 15).
De resolutie stond Langen het houden van klerken toe. De Hoogduitsche secretaris blijkt, volgens het handschrift der stukken van zijne administratie, inderdaad door klerken te zijn bijgestaan.
Het zenden van een van Langen's klerken wordt verzocht door dengriffier van de Kamer der Beden in zijn brief van 20 November 1578 (Lias Loopende 1578).
Einde November 1580 kwamen de Staten-Generaal te Delft in vergadering bijeen. Beide secretarissen. Blyleven en Houfflin, vergezelden de Staten naar Holland
De Staten-Generaal hadden den eersten klerk Philips de Zoete gelast de secretarissen naar Delft te volgen.
.
De vergadering te Delft duurde tot einde Januari 1581. Behalve de beide genoemde secretarissen heeft blijkbaar ook de Hoogduitsche secretaris Langen zich althans voor eenigen tijd bij de Staten vervoegd. Hierop wijzen enkele brieven der Staten-Generaal uit de tweede helft van Januari 1581, welke ingeschreven staan in het Hoogduitsche missivenboek, in verband met enkele aanwijzingen, te ontleenen aan de resolutiën, o. a. aan een besluit van 23 Januari betreffende de arresteering van een brief, waarvan de minuut in handen is van den Duitschen secretaris.
Op 9 Mei 1581 kwamen de Staten-Generaal in Amsterdam bijëen; uit deze stad vertrokken zij op 25 Juni om op 28 Juni weder te 's Gravenhage samen te komen. In deze plaats scheidden de Staten op 2 Agustus 1581, waarna, de Generale Landraad de regeering aanvaardde. Kort nadat de Staten-Generaal hunne vergadering te Amsterdam zijn begonnen, houdt het handschrift van secretaris Blyleven op; tijdens hun verblijf in deze stad is hij komen te overlijden. Op 24 Juni kwam een rekwest der weduwe Blyleven in behandeling; volgens resolutie van 29 Juli 1581 werd de weduwe aangeschreven, het cachet der Generaliteit over te zenden benevens alle papieren en documenten, de Generaliteit toebehoorend.
De resignatie van het gouvernement door Aartshertog Matthias zou tengevolge hebben, dat voor de Staten-Generaal ook de audiencier en eerste staatssecretaris Jan van Asseliers dienst ging doen. Hij was uit Antwerpen naar Holland gekomen als een der afgevaardigden van den Aartshertog ter overbrenging van diens akte van resignatie. Bij de aanneming dezer akte van afstand besloten de Staten-Generaal op 7 Juni 1581 het gouvernement der Nederlanden aan zich te nemen tezamen met den Prins van Oranje, totdat de Generale Landraad in functie zoude zijn getreden. De Prins verklaarde de resolutie goed te keuren, doch excuseerde zich van de mede-aanneming van het gouvernement.
Matthias' resignatie had tengevolge, dat ook de Raden van State hun ambt op 19 Juni nederlegden, tegelijk met Asseliers en Sille, als secretarissen van dit college. Aan Asseliers als audiencier kwam nu de taak de stukken op te maken, welke van de Staten-Generaal, als het hooge regeeringsgezag uitoefenend, zouden uitgaan. Onmiddellijk na 19 Juni 1581 blijkt hij hiermede te zijn begonnen, en totdat de Staten op 2 Augustus uiteengingen, bleef Asseliers belast met het depecheeren der placaten, commissiebrieven enz.
Zie mijn opstel: Over de audience der Nederlandsche regeering Mei?Augustus 1581: Nederl. Archievenblad 1924?1925.
Van de klerken, die op de vergadering te Amsterdam-'s Gravenhage ter griffie gewerkt hebben, wordt in de resolutiën alleen Philips de Zoete genoemd. De audiencier Asseliers blijkt te zijn bijgestaan door den klerk, over wien hiervoor het vermoeden is uitgesproken, dat bij Lucas Durlay heeft geheeten.
De derde administratie, welke te 's Gravenhage voor de Staten gewerkt heeft, was die van den Hoogduitschen secretaris; uit diens missivenboek valt op te maken, dat Langen althans midden Juli in Holland was; op zijne werkzaamheid daar wijst verder een resolutie van 1 Augustus 1581, welke zijn aanwezigheid te 's Gravenhage vermeldt.
Van de registers, welke sedert de instructie van April 1578 ter griffie gehouden werden, blijken die betreffende Duitschland en Engeland niet te zijn voortgezet door het afschrijven der stukken uit de Noord-Nederlandsche periode. Wel was dit het geval met het net-resolutiënregister, het register der ordinaris Depechen en het Fransche register. De voltooiïng van dit laatste heeft echter niet plaats gehad, terwijl de Generale Staten nog te 's Gravenhage vergaderd waren, maar is eerst geschied door de zorgen van den Generalen Landraad, vergaderd te Gent sedert midden Augustus 1581. Daarheen had zich ook de secretaris der Staten Houfflin begeven, om als een der secretarissen van den Generalen Landraad te fungeeren; het griffie-archief blijkt Houfflin mede te hebben genomen uit 's Gravenhage.
Het handschrift der griffie-registers wijst uit, dat éénzelfde klerk zoowel geschreven heeft het net-resolutiënregister der vergadering te Delft en te Amsterdam-'s Gravenhage als het Depechenregister der stukken over het tijdperk 1580 September-1581 Januari. In dit deel zijn dan de stukken van de vergadering te Amsterdam-'s Gravenhage 1581 Mei-Augustus blijkens het handschrift door den klerk Jan Piers ingeschreven
De klerk Piers vervolgde ook het net-resolutiënregister door inschrijving van enkele resolutiën van den Generalen Landraad (1581 Augustus 14?24). Het handschrift van den anderen klerk is vermoedelijk dat van Pieter de Backer, wiens werkzaamheid hierna nog te sprake zal komen.
.
Betreffende het "register van Frankrijk", dat door den eersten klerk Philips de Zoete gehouden was, vernemen wij uit een resolutie van den Generalen Landraad van 2 September 1581, dat dit deel met de daarbij beboerende stukken medegenomen was door De Zoete, die zich destijds niet bij den Landraad te Gent bevond maar blijkbaar te Brussel. De Landraad verzocht aan de Staten van Brabant een en ander aan den Raad te doen toekomen. Op de overzending derzelfde stukken heeft betrekking een resolutie van den Landraad van 8 September, bij welke daartoe aan Philips de Zoete opdracht wordt gegeven, onder mededeeling, dat de secretarissen van den Raad van State gewoon waren hun eigen klerken te houden en de registers zelf ten hunne laste te nemen. Op een rekwest van De Zoete betreffende het voltooien van het register van Frankrijk verwees de Landraad den 13en September naar de voorgaande beschikking. Bij resolutie van 20 September 1581 benoemde de Generale Landraad Philips de Zoete tot secretaris van den Raad van Brabant als opvolger van zijn vader. Aan den Generalen Landraad deed De Zoete toekomen het register van Frankrijk en andere papieren van de Staten-Generaal benevens de sleutels van 2 koffers, met papieren van de Staten-Generaal gevuld, staande te Antwerpen in het huis, waar de Staten vergaderden, in De Zoete's comptoir
Zie Depeches des Rebelles (Rijksarchief te Brussel), Papiers d'Etat et de l'audience, n°. 555, fol. 131 (geciteerd bij: De Pater. De landraad bewesten Maze: Bijdr. Vad. Gesch. V. 9, p. 34).
. Krachtens besluit van den Landraad van 21 September 1581 werd van deze overdracht aan Philips de Zoete akte gegeven.
Doordat secretaris Houfflin de stukken der Staten-Generaal naar Gent had medegenomen, was de Landraad aan de Oostzijde der Maze, in Augustus 1581 te 's Gravenhage vergaderend, van alle documenten verstoken; daarom verzocht dit college aan den Generalen Landraad om het dubbel van het resolutieregister over te zenden naar Holland
Zie Resol. Gen. Landraad 17 Aug 1581 en brief van den Landraad aan den Prins van Oranje 20 Aug. 1581 (Depeches des Rebelles 1581 Jan.?Sept. Rijksarchief te Brussel, Papiers d'Etat et de l'audience n°. 554).
. Een nieuw verzoek, dat tevens het duplicaat van de depechen omvatte, kwam op 3 September bij den Generalen Landraad in. Dit college antwoordde den volgenden dag, dat de Landraad van Overmaze een klerk naar Gent zoude zenden voor het doubleeren van de verzochte registers. Op 23 September 1581 zond echter de Generale Landraad aan den Landraad beoosten Maze het dubbel-resolutiënregister der Staten-Generaal ten einde het zoo spoedig mogelijk te doen copiëeren, met de bijvoeging, dat een klerk te Gent het register der depechen zoude overschrijven
Brief Generale Landraad aan Landraad beoosten Maze, in Depeches des Rebelles 1581 September?December. Rijksarchief Brussel. Papiers d'Etats et de l'audience n°. 555, fol. 43. (Geciteerd bij: De Pater. De Landrand bewesten Maze.)
. Denzelfden dag droeg de Landraad het voltooien van het "Registre de France" aan den klerk Jan Piers op, het copiëeren van het "Registre des depeches" aan den klerk Pieter de Backere. Dit besluit werd gewijzigd op 12 October, toen de Landraad de zorg hiervoor overdroeg aan den audiencier en de andere secretarissen, die daartoe hunne klerken zouden kunnen gebruiken. Op het "registre de France" heeft voorts betrekking eene resolutie van 4 November 1581, waarbij de Landraad secretaris Houfflin gerechtigd verklaarde tot de bewaring van de "pieces originelles en traicté de France despechées, recues et tenues aux Estatz Généraulx avec le Registre y tenu".
Op 12 Februari 1582 konden de Staten-Generaal besluiten het dubbel van de depechen van de Generaliteit, geresolveerd te Delft, Amsterdam en 's Gravenhage, te doen toekomen aan Raden van State van Overmaze, met verzoek om het dubbel der resolutiën van dit college aan de Staten te zenden. Het ontvangst-bericht van den Landraad van Overmaze kwam op 26 Maart bij de Staten ter tafel.
In het archief der Staten-Generaal is behalve het oorspronkelijke Depechenboek over 1580 September-1581 Augustus bewaard een copie-depechenregister over dit tijdperk, geschreven door den klerk Jan Meganck. Dit copie-depechenregister is bij de inventarisatiën door de agenten Verburch en De Heyde, blijkens de nummers op den band (23 door Verbuch, 3 door De Heyde), als het oorspronkelijke depechenregister beschouwd en dientengevolge in de negentiende eeuw op het Rijksarchief te 's Gravenhage als zoodanig geïnventariseerd (het is thans bekend onder n°. 3773, terwijl het oorspronkelijke register het nr.. 3774 draagt). Het karakter der beide deelen kon worden vastgesteld, doordat in 3774 correctiën voorkomen van de hand van secretaris Houfflin (bijv. fol. 114-vlg., 138-vlg.), welke correcties mede in den gewoon loopenden text van 3773 zijn overgeschreven; bovendien vond ik in 3773 uitlatingen van regels, welke de klerk Meganck bij het copiëeren foutief had overgeslagen.
Het copie-depechenregister n°. 3773 heb ik beschreven in den inventaris van het archief der Staten-Generaal, omdat niet bleek, dat dit copie-exemplaar afkomstig is uit het archief van den Landraad beoosten Maze. In het archief der Staten van Holland wordt bewaard een copie der resolutiën Staten-Generaal te Delft, Amsterdam, 's Gravenhage, Nov. 1580?Aug. 1581, geschreven door den klerk Jan Piers.
In het jaar 1582 kwamen de Staten-Generaal tegen het einde van Louwmaand wederom te Antwerpen in vergadering bijeen. Hun secretaris Houfflin, die intusschen gefungeerd had als een der secretarissen van den Generalen Landraad, staakte deze werkzaamheid en hervatte zijn administratie in dienst der Staten-Generaal.
De notuleering der resolutiën zette Houfflin voort in het vroeger gehouden deel, in hetwelk intusschen de resolutiën van den Generalen Landraad waren gecopiëerd. Eveneens werd het bijhouden van de laatstelijk gehouden registers van stukken betreffende importante zaken (ordinaris en Fransche depechenboek) voortgezet. Het register der ordinaris depechen blijkt volgens het handschrift te zijn gehouden door den klerk Jan Bayaert, dat der Fransche depechen door den klerk Jan Meganck. In dezen tijd diende tevens als klerk ter griffie Jan Piers, van wien wij mogen aannemen, dat hij de lijst der gedeputeerden bij de resolutiën van 28 Februari 1582 geschreven heeft. Betreffende de ordre te houden in de griffie namen de Staten op 5 April 1582 het volgende besluit:
"De Staeten Generaal, geleth hebbende op de ordre die gehouden sonde moghen werdden in de greffie van de Generaliteyt, ordonneren hunnen secretaris te nemen twee clercken om de depechen, de Generaliteyt aengaende, te schrijven, dewelcke sullen zijn tot zijn denominatie, dispositie ende onder sijn bedwanck, bohoudelijck dat hy sal schuldich zijn te kiesen bequame persoenen de Staeten aengenaem ende die de Staeten sullen eedt doen van getrouwicheyt ende secret te houden tghene sal occureeren; ende sal belaelt wordden naer advenant van bladeren die zy sullen scriven zoowel in de registers als andersseins tot twee stuyvers elck blat, behalvens dat zy hunne specificatie sullen verificeren by eede. Ende sullen voorts elck provincie zoo verre hun tselve belieft, mogen eenen clerek in de greffie stellen, oock de Generaliteyt aengenaem ende geëedt als boven, die by die particuliere provinciën sullen betaelt worden."
Onder datum van 6 April 1582 staat in het resolutiënregister te lezen dat Houfflin voor zijn twee klerken gedenomineerd heeft Jan Piers en Jan Meganck. Later heeft Houfflin hierbij geschreven, dat na het vertrek van Jan Piers benoemd is Jan Bayaert. In eene resolutie van 4 Mei 1582 wordt gehandeld over de betaling der twee gezworen clercken Jan Meganck van Brussel en Jan Bayaert van Vlissingen.
Houfflin zou de Staten-Generaal als secretaris blijven dienen tot de vergadering in Mei 1582 uiteenging. In het resolutiënregister staat onder de resolutiën van 4 Mei ingeschreven de volgende beschikking, op 2 Mei gegeven op een rekwest van secretaris Houfflin:
"Myne Heeren de Generaele Staten wel genegen wesende tot het versouck van den suppliant ende hem zeer wel gunnende vermits zyne voergaende goede dyensten het secretarisschap van den Raede van State, daertoe hy eertijds verkoren ende hem heeft laeten gebruycken ettelijcke maenden geduerende, sullen then eynde van dyen doen schryven aen Zijn Hoocheyt favorable bryeven; Ende sal den suppliant metten eersten de segel, contra-segel, munimenten ende charters van de Generaliteyt, dye van enige importantie zijn, onder behoorlijcke inventaris stellen in handen van de magistraet van Antwerpen ofte dengenen, dye by denzelven uuyt den heuren daertoe gedelegueert sullen worden, tenwelcken eynde up den magistraat voorsz. sal worden gemaect acte van authorisatie ende commissie om de voorsz. segel, contresegel, munimenten ende charters onder behoorlijcke inventaris als boven over te nemen ende provisionelijck te bewaeren ende te doen maecken een bequaem coffer met vyer ofte vijf sloten, dyenende tot bewaernisse van saken van soedanige importancie, waervan de sloetelen sullen worden gedistribueert volgende den recesse, in 's Gravenhage genomen, ende sal ther naestaenstaende vergaderinge up de voerder bewaernisse ende plaetse werden geordonneert."
Eene gelijke bepaling betreffende het griffie-archief kwam voor in artikel 40 van het reces, dat op 4 Mei 1582 door de Staten werd gearresteerd.
Toen de Staten-Generaal begin Juli wederom te Antwerpen bijeengekomen waren, gingen zij al spoedig over tot de benoeming van een opvolger van Houfflin. Bij resolutie van 5 Juli 1582 werd Mattheus de Hennin, doctor in de rechten, aangenomen als griffier der Generale Staten. Den volgenden dag gelastten de Staten, dat secretaris Houfflin aan griffier Hennin onder behoorlijken inventaris zoude overleveren al de boeken, stukken en papieren onder hem berustend, de Generale Staten eenigzins rakende, mitsgaders de sleutels van den koffer van de Staten.
Nadat de Staten tot 17 Juli 1582 te Antwerpen vergaderd hadden, brachten zij hunne bijeenkomst naar Brugge over, naar welke stad de Hertog van Anjou zich begeven had. Aldaar vergaderden zij van 1 tot 14 Augustus. Daarop gingen zij met Zijne Hoogheid naar Gent, waar de Staten van 23 tot 28 Augustus bijeenkwamen. Op 8 September 1582 werd de vergadering te Antwerpen hervat.
Betreffende het mede-nemen van het archief naar Brugge en Gent komen verschillende posten voor op de rekening van den griffier Hennin over het tijdperk 1582 Juli-1583 December
De rekening is bewaard: Loketkas Loopende n°. 330.
. Hennin deed uilgaven voor het vermaken van ijzeren banden aan den koffer, dienend tot bewaring van de papieren der Generale Staten (18 Juli), het brengen van den koffer uit de Kamer der Generaliteit in de St.-Michielsabdij te Antwerpen naar het huis van den griffier; het transport van koffers en papieren van Antwerpen via Vlissingen en Sluis naar Brugge, van daar naar Gent en voorts naar Antwerpen ten huize van den griffier.
Het zich terugtrekken van den Hertog van Anjou in Januari 1583, na de Fransche furie te Antwerpen, en het ontslagnemen van de Raden van State had tengevolge, dat het gezag der Hooge Overigheid en Regeering weder aan de Staten-Generaal kwam. De audiencier en eerste staatssecretaris Asseliers ging daarop over naar de Staten-Generaal als de ambtenaar, aan wien werd opgedragen het depecheeren der stukken, welke uitvloeisel waren van de thans weder bij de Staten-Generaal berust ende gouvernementeele bevoegdheid. Nadat de audiencier Asseliers reeds enkele weken voor de Staten-Generaal werkzaam was geweest, namen deze op 22 April 1583 de volgende beslissing:
"Belanghende de propositie, ghedaen nopende de depeschen van de placaten ende commissien, die ghearresteert sullen worden in de verghaderinghe van de Generfde Staten ghedurende den tijt dat men met Zyne Hoogheyt sal handelen totte finale conclusie, es gheresolveert, dat den audieneier sal gheautboriseert worden om deselve te depescheren naer oude gewoonte ende die onderteeckenen: by ordonnantie van mijn voorsz. heeren de Generale Staten; behoudens dal hy alvoren sal doen den behoorlijcken eedt aan de Generale Staten mits oock leverende copie van de commissiën, by hem te depescheren, om te doen aen de liasse van de Generale Staten ende daeraf memorie ende notitie te houden"
Voor stukken in zaken van Hooge Overigheid, die in deze periode uitgingen van het College van de Financiën en Domeinen en van den Secreten Raad, bleef de naam van den Hertog van Anjou in zwang; zulks kan blijken uit de stukken, bewaard in het archief van den audiencier, hierna beschreven in Inv. I, n°. 256.
Denzelfden dag legde de audiencier Asseliers den eed van trouw aan de Staten-Generaal af
Asseliers had reeds in Februari 1583 zijne akte van commissie bij het College van de Financiën en Domeinen ter verifieering ingediend. Zie de extract-resolutie van dit college d.d. 19 Februari 1583 bij de Reyngout-papieren, bewaard in de Loketkas der Staten van Holland (archief Staten van Holland n°. 2581).
.
Tot einde Mei 1583 bleven de Staten-Generaal te Antwerpen in vergadering bijeen. In het reces, op 6 Mei gearresteerd, kwam in artikel 61 de volgende bepaling betreffende het archief voor:
"Eyndelijck belangende van de munimenten, documenten ende chartren, den Generalen Staten concernerende, in versekerde bewaernisse te behouden, es gheresolveert, dat alle de voorscreven minumenten, documenten, contracten ende chartren, van eeniger inportantie wesende, met den zegel ende contrezeghel sullen ghestelt worden in handen van den magistraat der stadt van Antwerpen, onder behoorlijcken inventaris ende recepisse, die deselve sal bewaeren ende een coffer, daertoe bequaem, doen maecken met drye sloten, ende de vergaderinghe elders bescheyden wordende, sullen deselve documenten ende chartren metten coffer worden aldaer ghetransporteert, eys 't noodt, ende altijts blyven ter plaetse, daer het affscheyt zal worden genomen, by zoo verre aldaer goede gelegentheyt ende versekerheyt zy."
Op verzoek van Hennin werd in dezen tijd tevens door gecommitteerden uit de Staten zijne commissie en de instructie belangende de griffie nagezien (zie Resolutie St.G. 5 Mei 1583). Op 12 Mei arresteerden de Staten daarop de commissie van Mattheus de Hennin als griffier van de Generale Staten mitsgeders de instructie. De commissie draagt aan den griffier op "te annoteren ende te enregistreren onse ramingen ende resolutiën, merckelijk die zijn van gewichte ende onzen dienst ende welvaren deser Nederlanden aengaende, midtsgaders oick te depescheren ende onderteekenen alle mandementen, ordonnantiën, besloten brieven, instructiën, acten ende alle andere depeschen, dewelcke bij ons sullen belast worden".
Zie de minuut der commissie, bewaard bij de Asseliers-papieren op het Rijksarchief te Brussel (Papiers d'Etat et de l'audience n°. 579); gedrukt bij: Japikse. Res. St.-G. 1583?1584, p. 25.
Gedurende de periode te Antwerpen 1582-1583 heeft als voorheen ook de Hoogduitsche secretaris in dienst der Staten-Generaal gewerkt; secretaris Jan van Langen depecheerde voor de Staten de Hoogduitsche brieven. Langen zelf verliet in Juli 1582 Antwerpen, daar hij toegevoegd was aan het gezantschap der Staten naar den Rijksdag; op het einde van het jaar was hij op zijn post teruggekeerd. Tijdens zijne afwezigheid zal de Hoogduitsche secretarie bediend zijn door den klerk, wiens naam wij tegenkomen in een rekwest van September 1582 aan Anjou: het is een verzoekschrift van Jehan Corten "secretaire allemand de Son Altesse"
Zie het rekwest met apostille d.d. 10 September in de St.-G. Lias Loopende 1582 I.
.
Na het uiteengaan hunner vergadering te Antwerpen, einde Mei 1583, zouden de Staten-Generaal niet meer in de Zuidelijke Nederlanden bijeenkomen. In de laatste week van Augustus 1583 begon hunne vergadering te Middelburg, waarmede de tweede Noordnederlandsche periode aanving. Uit de Zeeuwsche stad brachten zij hunne vergadering over naar Dordrecht, waar zij in de laatste week van September samen kwamen om er tot begin December te verblijven. Daarop trokken de Staten naar 's Gravenhage, hetwelk tot einde Januari 1584 hunne verblijfplaats was. Vervolgens begaven de Staten-Generaal zich naar Delft, in welke stad zij tot 1 October 1584 vergaderden.
Met de Staten was hun griffier Hennin medegegaan naar de Noord-Nederlandsche gewesten, terwijl ook het archief der Griffie werd medegenomen. In de reeds genoemde rekening van Hennin vinden wij posten betreffende het transport van de koffers met de papieren der Generaliteit van Antwerpen naar Middelburg, vandaar naar Dordrecht en vervolgens naar 's Gravenhage
Zie deze rekening in St.-G. Loketkas Loopende 330.
.
Toen de Staten-Generaal te Dordrecht vergaderden, kon Hennin zijn ambt niet waarnemen wegens zware ziekte. De mededeeling van Hennin, gedateerd 30 September, werd ter vergadering van 5 October gelezen; de brief gaf tevens kennis, dat de audiencier Asseliers was aangekomen, om in Hennin's afwezigheid zijn plaatsvervanger te zijn. Bij resolutie van 6 October 1583 werd de audiencier Asseliers verzocht en gemachtigd om het griffierschap der Generale Staten te bedienen.
Het duurde tot 12 November 1583, voordat Hennin zijne notuleering hervatte. De resolutiën over het tijdperk 25 September-11 November zijn ingeschreven door een klerk, met gebruikmaking van Asseliers minuut-notulen. Eene aanteekening van Hennin in het resolutieregister op 11 November deelt dit aldus mede: "Al tghene bovenscreven es van den XXVen September 1583 tot hiertoe es ghebesoigneert ende gheregistreert in absentie van den greffier De Hennin overmits zijn groote sieckte ende es meestendeel gheminuteerd gheweest by den audiencier d'Asseliers, met welcke minute het voorsz. ghescrift es accorderende.''
Ter vergadering van 17 November 1583 stelden de Staten-Generaal eene regeling van werkzaamheden vast, daartoe strekkend, dat men 's morgens zoude behandelen de "ghemeyne saken" en des achternoens zoude besoigneeren op rekwesten en particuliere zaken.
De tijdelijke werkzaamheid van den audiencier voor de griffie der Staten-Generaal werd bestendigd door eene resolutie van 19 November, waarbij de Staten Asseliers verzochten en machtigden om voortaan den greffier De Hennin te assisteeren. De resolutie luidt als volgt:
"Myne Heeren die Generale Staten hebben versocht den iersten secretaris ende audiencier Asseliers, dat overmits nu dagelijcx in heure vergaderinge voercommen te handelen menichfuldige ende gewichtige saken, dat hy onvermindert de qualiteyt van zijn officie wille hem assisteren neffens hunnen greffier Hennin om de verbalen te houdene, instructiën, brieven ende andere depeschen te doene ende te teeckenen, al ist soe dat die anderssins nyet en souden staen tot zynen laste ende navolgende zijn officie hy nyet en soude schuldich wesen te doene, waerinne hy hen sunderlingen dienst doen sal denwelcken zy in tyden ende wylen sullen bekennen; ende hebben daertoe den voirsz. Asseliers voer soevele het noot is gecommitteert ende geauthorizeert, committeren ende authoriseren mitsdesen. Ende de voirsz. Asseliers heeft vercleert hoe dat, alsoe hy aen Mijn Heeren die Generale Staten ende den lande gebortes ende amptshalven is verplicht, hy nyet alleenlijck in tgene voorsz. is, maer in alle andere saken dair die voorsz. Heeren tot voerderinghe van des lants ende gemeynen saken zal hem believen temployeren, hy hem bereet is te dienen."
De samenwerking van Hennin en Asseliers zou slechts over korte perioden plaats hebben. Reeds op 9 December 1583 werd voor Asseliers de geloofsbrief gearresteerd als gezant der Staten-Generaal naar Frankrijk, waarheen hij toen op het punt stond te vertrekken met Anthoine de Lalaing, heer van La Mouillerie. Op 21 April 1584 compareerden de teruggekeerde gezanten ter Staten-Generaal, doch reeds bij resolutie van 27 April werd Asseliers door de Staten met eene zending naar Brabant belast. In de maanden Mei en Juni is Asseliers dan weder te Delft werkzaam bij de Staten-Generaal, totdat hij op het einde van Zomermaand 1584 opnieuw naar Frankrijk wordt afgezonden.
Terwijl door deze langdurige afwezigheid Asseliers verhinderd was in zijne administratie voor de Staten-Generaal, blijkt de griffier Hennin bij zijne gewone griffie-administratie het werk te hebben verricht, dat anders tot de bevoegdheid en taak van den audiencier behoorde: zoo zijn de placaten, uitgaande van de Staten-Generaal, als het gezag der Hooge Overigheid hebbend, tijdens Asseliers' afwezigheid door Hennin geteekend.
Bij resolutie van 15 Februari 1584 stelden de Staten-Generaal vast, dat voortaan geen brieven van de Generaliteit door den griffier zouden gedepecheerd worden, tenzij geparagrapheerd door den president, bij tijde zijnde, en verder dat al de resolutiën, die door de Generale Staten genomen en te boek gesteld werden, vóór het arresteeren zouden voorgelezen worden alvorens eenige andere zaken te behandelen. Denzelfden dag benoemden de Staten-Generaal eene commissie, die opdracht kreeg, behalve een instructie voor den huissier, tevens orde op de officiers der Staten-Generaal te stellen, of - gelijk de resolutie van 18 Februari zegt - de griffie te redresseeren.
In het Noordnederlandsche tijdperk heeft Hennin aanvankelijk drie klerken van de Generaliteit ter assistentie gehad: Jan Bayaert en Jan Meganck, gezworen klerken der Staten-Generaal, en Huybrecht de Blandere.
Rekening van Hennin en andere stukken in St.-G. Loketkas Loopende 330. Zie ook het stuk op het Rijksarchief te Brussel, afgedrukt bij: Japikse. Resol. St.-G. 1583?1584, p. XXI, noot 1.
Blijkens resolutie der Staten-Generaal van 11 en 30 Juli 1584 waren destijds nog als gezworen klerken van de Generaliteit Bayaert en Meganck in dienst.
Griffier De Hennin werd onder verdenking van correspondentie met den vijand of althans met personen, die de zaak van 't gemeene best van deze landen niet toegedaan waren, bij resolutie der Staten-Generaal van 8 Augustus 1584 uit zijn ambt ontzet.
Van de werkzaamheid van den audiencier Asseliers en diens nauwe samenwerking met den griffier Hennin in deze Noordnederlandsche periode is hierboven reeds melding gemaakt; eveneens van Asseliers' langdurige afwezigheid door zijne zendingen naar Frankrijk
Op deze zendingen werd Asseliers vergezeld door den klerk Lancelot Boote, van wien een rekwest bewaard is bij de Asseliers-papieren in St.-G. Lias Loopende 1583?1584.
.
Voor de Staten-Generaal deed in de Noordelijke Nederlanden ook dienst de Hoogduitsche secretaris Langen. Einde Augustus 1583 vertoefde hij te Antwerpen (blijkens zijn brief aan den Prins van Oranje van 24 Augustus) en nog op 21 October 1583 kwam bij de Staten-Generaal een brief ter tafel, waarin Langen zich verontschuldigde over zijn wegblijven. Begin November vinden wij hem echter te Dordrecht in functie.
Met griffier Hennin had secretaris Langen in Februari 1584 geschil over de bevoegdheid tot het depecheeren der brieven naar Gelderland en Overijsel. De commissarissen, bij resolutie van 15 Februari gedeputeerd "op den orde van de greffie en de officien derzelve" kregen tevens opdracht dit different te behandelen. In dit verband is vermeldenswaardig de aanteekening in de notulen van 28 Maart 1584 betreffende missiven der Staten-Generaal aan den Landraad beoosten Maze, aan de gecommitteerden van den Landraad in Overijsel, en aan de Ridderschap en steden van Overijsel, handelend over de brandschatting in dit gewest, "dewelcke depeschen zijn gelast te doen by den secretaris Langen".
Bij resolutie van 14 April 1581 verhoogden de Staten-Generaal Langen's tractement, onder bepaling, dat hij gehouden zoude zijn te volgen en dienen de Generale Staten, de aanstaande Regeering en Hooge Overigheid, zooverre hij bij dezelve daartoe aangenomen werd. Kort daarop werd Langen belast met eene zending naar den Landdag in Gelderland, waarover hij in de vergadering van 5 Mei rapport uitbracht. Nog dezelfde maand vertrok hij op een dergelijke zending, over welke hij 12 Juli 1584 rapport deed aan de Staten-Generaal.
Na het op 8 Augustus aan den griffier Hennin gegeven ontslag voorzagen de Staten-Generaal onmiddellijk in de vervulling van het griffierschap. Reeds den volgenden dag, 9 Augustus 1584, werd aan mr. Cornelis Aerssens, pensionaris van Brussel, de staat van griffier aangeboden. Aerssens verzocht daarop, onder voorwaardelijke aanneming, nadere inlichtingen, welke hem door de Staten op 10 Augustus werden verstrekt
Het origineele verzoek met de apostille van 10 Augustus is bewaard in de Collectie Van Aerssen van Voshol (Algemeen Rijksarchief) n°. 2. Afschriften van verzoek en apostille zijn ingeschreven in het Resolutiënregister der Staten-Generaal.
. Tevens kreeg Aerssens toen machtiging om alle akten, brieven en depechen te teekenen.
Ondertusschen hadden de Staten op 9 Augustus voor de uitoefening der griffiers-werkzaamheden (daar immers Asseliers nog in Frankrijk vertoefde) aangewezen den Hoogduitschen secretaris Langen. Uit eene aanteekening in het resolutieregister blijkt, dat Langen dien dag in de vergadering de notulen heeft gehouden. Als aanvangsdatum van Aerssen's officie van griffier werd 10 Augustus vastgesteld, zooals staat aangegeven in eene apostille van 29 Augustus op zijn oorspronkelijk ingediend schriftuur. Nog op 11 Augustus droegen de Staten-Generaal eene werkzaamheid aan Langen op "mits het vacerend griffierschap"; hij moest depecheren de commissie voor den Graaf van Meurs, gouverneur van Gelderland, als kapitein-generaal over het krijgsvolk in dat gewest.
De audiencier Asseliers keerde kort daarna van zijne zending uit Frankrijk terug; op 21 Augustus 1584 werd rapport daarover aan de Staten-Generaal uitgebracht. Deze droegen hem bij besluit van 30 Augustus op, om een placaat te ontwerpen betreffende de 1 September 1584 aanvangende nieuwe Regeering. De audiencier zou echter de bestuurswerkzaamheid van den nieuw optredenden Raad van State niet meer medemaken: nog vóór 5 September kwam Asseliers te overlijden, zooals uit het resolutieregister der Staten-Generaal van dien dag blijkt. De Staten besloten de stukken, nagelaten door den audiencier Asseliers, te sequestreeren, aangezien zij de Generaliteit aangingen. Aan de uitvoering van dit besluit is klaarblijkelijk de aanwezigheid van de papieren der audience-administratie in het archief der Staten-Generaal te danken.
Dezelfde week kwam ook in behandeling de overneming der stukken van de griffie, alsnog onder Mattheus de Hennin berustend, waartoe de Staten op 8 September eene commissie benoemden.
Na het overlijden van Asseliers werd geen nieuwe audiencier benoemd, maar het ambt gegund aan den griffier der Staten-Generaal Cornelis Aerssens. Dientengevolge kwam aan de audience als zelfstandige administratie een einde. In de thans aangebroken periode zouden er dus slechts twee afzonderlijke administraties voor de Staten-Generaal werkzaam zijn: die van de griffie en die van de Hoogduitsche secretarie, welke in stand bleef, daar Langen als Hoogduitsche secretaris door den nieuw opgetreden Raad van State werd gecontinueerd. Asseliers was indertijd tot audiencier benoemd door den Gouverneur-Generaal aartshertog Matthias en had op deze benoeming de agreatie der Staten-Generaal gekregen. Bij de vervulling van Asseliers' vacature werd juist andersom gehandeld. Ditmaal waren het de Staten-Generaal, als hebbend het gezag der Hooge Overigheid, die bij besluit van 11 September 1584 hun fiat gaven op het verzoek van mr. Cornelis Aerssens "pensionaris der stad van Brussel", dat hem het officie van audiencier geconfereerd mocht worden. Denzelfden dag verzocht Aerssens, door de Staten-Generaal met het officie van audiencier "voorzien", aan Graaf Maurits en Raden van State om als audiencier aangenomen te worden. De Raad van State was van oordeel, dat het officie van audiencier niet aan de Staten-Generaal te vergeven stond, en nam den volgenden dag het besluit eene remonstrantie tot de Staten-Generaal te richten betreffende de commissie van den griffier der Staten-Generaal Aerssens tot audiencier van Zijne Genade Graaf Maurits en Raden van State
Copie-resolutienregister Raad van State 1584 (thans berustend op het Rijksarchief in Noord-Brabant).
. De Staten-Generaal antwoordden hierop, dat de resolutie nog niet geheel te boek gesteld was. De beschikking op Aerssens' rekwest, zooals deze in afschrift staat ingeschreven in het resolutieregister, is als volgt geformuleerd: "Fiat ut petitur ende dat men Zijne Genade ende Raedt van State hieraff zal veradverteren ten eynde zij 't zelve agreëren". Verdere bijzonderheden over deze altercatie worden niet aangetroffen; het ambt van audiencier ging op in dat van den griffier der Staten-Generaal, die voortaan uitsluitend in dienst van dit college werkzaam blijkt te zijn geweest.
Bij zijne benoeming tot griffier had Aerssens te kennen gegeven, dat hij daartoe de toestemming noodig had van de stad Brussel, in welker dienst hij stond. Deze bewilliging werd aan de Staten-Generaal ter vergadering van 28 September medegedeeld, onder bijvoeging der conditie, dat Aerssens de stad nog zou representeeren tot de onderhandelingen met Frankrijk beeindigd zouden wezen. Onder de namen van Gedeputeerden der Staten-Generaal, welke in het resolutiënregister bij de dagelijksche notulen staan ingeschreven, komt de naam van den griffier Aerssens tot in December 1584 voor. Op 20 December kreeg Aerssens verlof van de Staten-Generaal om voor de stad Brussel deel te mogen uitmaken van het gezantschap naar Frankrijk. Bij resolutie van 29 December wezen de Staten mr. Jan van den Warck, pensionaris van Antwerpen, aan om tijdens Aerssens' afwezigheid het griffierschap te bedienen.
De Staten-Generaal, die tot 1 October 1584 te Delft hadden vergaderd, kwamen van af 5 October te 's Gravenhage bijeen overeenkomstig het verzoek, door Graaf Maurits hun 4 September gedaan.
Op 15 Januari 1585 besloten de Staten-Generaal, aangezien de Staten van Holland of hunne Gedeputeerden te 's Gravenhage continuelijk bleven vergaderd, voorloopig alhier insgelijks hunne vergadering te blijven houden.
Na zijn terugkomst uit Frankrijk hervatte Aerssens op 10 April 1585 zijn ambtswerk. Tijdens zijne afwezigheid was door de Staten-Generaal bij resolutie van 8 Maart 1585 vastgesteld eene "Instructie daernae den agent, clercquen, huyssier ende boden van de Staten-Generaal hen sellen hebben te reguleeren int feyt van henne officiën."
Gedrukt bij: Van Riemsdijk. De Griffie van Hare Hoog Mogenden, p. 175.
Blijkens resolutie van 28 Februari 1585 waren destijds als officieren aan het comptoir der Staten-Generaal verbonden: de agent Guilliaume Ramet en de klerken Jan Bayaert, Jan Meganck en Jasper de Heyst.
De instructie is in het bijzonder van belang voor het griffiearchief der Staten-Generaal, omdat voortaan aan den Agent (die tot dan toe hoofdzakelijk belast was geweest met de zorg voor den huishoudelijken dienst der Staten) werd opgedragen de zorg voor de bewaring van de papieren en stukken van de Heeren Generale Staten, wezende in hunne griffie.
De bemoeiïngen van den agent Guilliaume Ramet met de griffie-papieren zijn dan ook van dezen tijd af in het archief der griffie duidelijk merkbaar.
Het afschrijven van de stukken betreffende importante zaken in een register, het zoogenaamde ordinaris depechenboek, werd in 1585 niet voortgezet, doch in plaats daarvan werden de stukken zelve bijeengebonden in een jaargang. Na 1587 zou men het samenbrengen dezer stukken echter reeds geheel staken. Naast het Fransche depechenboek werd in den loop des jaars, na het sluiten van het tractaat met de koningin van Engeland, wederom een Engelsch depechenboek aangelegd.
Met het oog op de spoedige komst van den Graaf van Leycester besloten de Staten van Holland op 28 November 1585 voor dezen logies op het Binnenhof gereed te maken, maar tevens de Staten-Generaal (die daar dus destijds vergaderden) niet te discommodeeren. Zij verzochten derhalve aan Burgemeesteren van 's Gravenhage om de Staten-Generaal met een tweetal kamers op het Haagsche stadhuis te accommodeeren, waartoe de inwilliging op 18 December ter vergadering der Staten van Holland werd medegedeeld.
Tot 23 Februari 1586 bleven de Staten-Generaal te 's Gravenhage vergaderd. Als officieren ter griffie waren toen nog - blijkens resolutiën van 16 Februari - behalve den agent en de boden twee klerken in dienst; deze klerken zijn geweest Bayaert en Meganck.
Op 11 April 1586 vingen de Staten-Generaal eene nieuwe vergadering aan te Utrecht, waarheen ook de Gouverneur-Generaal Graaf van Leycester met zijn bestuurscolleges zich begeven had. Den 2den Augustus waren de Staten-Generaal in 's Gravenhage teruggekeerd, waar zij op 10 Augustus uiteengingen.
In nieuwe vergadering kwamen de Staten-Generaal op 20 September 1586 te 's Gravenhage bijeen, om eerst van 15 October af dagelijks te besoigneeren.
Bij gelegenheid, dat de Gedeputeerden ter Staten-Generaal krachtens resolutie van 22 October 1586 den eed aflegden, werd de eed van geheimhouding ook afgenomen aan den griffier Aerssens, den agent Ramet en de beide klerken Jan Meganck en Pieter de Brieder. Aangezien het handschrift van den klerk Jan Bayaert sedert October 1586 niet meer in het archief wordt aangetroffen, is Pieter de Brieder blijkbaar in dienst genomen ter vervulling van Bayaert 's plaats.
Als vroeger bleven ook in deze periode de voornaamste papieren of munimenten der Staten-Generaal geborgen in gesloten kisten, waarin eveneens het zegel bewaard werd
Zie resol. St.-G. 2 Juni 1585, 11 Aug. 1586 en 22 Nov. 1586 (over de bewaring van den sleutel).
.
Tot midden Juli 1587 bleven de Staten-Generaal op het stadhuis te 's Gravenhage vergaderen
Vergelijk Resol. van 11 Mei 1587.
. Zij vertrokken toen ter begroeting van den uit Engeland teruggekeerden Graaf van Leycester, bij wien zij 17-19 Juli te Dordrecht verbleven om daarna hunne vergadering naar Middelburg over te brengen, waar zij tot 17 Augustus vergaderden. Vervolgens verbleven de Staten 31 Augustus-11 September te Dordrecht, 15 September-20 October te 's Gravenhage, 22 October-23 November te Haarlem, 3 December 1587-16 Januari 1588 te Delft, om toen naar 's Gravenhage terug te keeren en daar van 20 Januari 1588 af op het stadhuis te vergaderen.
Van het Haagsche stadhuis werd op 13 April 1588 het placaat der Staten betreffende de instelling der Generale Regeering gepubliceerd.
Door de combineering van het ambt van griffier en dat van audiencier in den persoon van Aerssens was het aantal administraties, welke zelfstandig voor de Staten-Generaal werkzaam waren, sedert September 1584 tot twee teruggebracht. De Hoogduitsche secretaris Langen werd als gewoon secretaris door den Raad van State in September overgenomen; bij resolutie van 21 September 1584 bepaalde de Raad, dat Langen daarbij gehouden zou blijven de Staten-Generaal te dienen in de Hoogduitsche taal.
Langen bleef in Holland, totdat hij begin April 1585 dienst ging doen bij Graaf Maurits en Raden van State, vergaderend te Middelburg. In September 1585 was hij met Raden van State te 's Gravenhage teruggekeerd.
In Februari 1586, bij het optreden van den Raad van State nevens Zijne Excellentie den Graaf van Leycester, werd Langen als gewoon secretaris gecontinueerd, terwijl ook zijne verhouding tot de Staten-Generaal dezelfde bleef. In de Hoogduitsche briefwisseling is Langen bijgestaan door een klerk, die in het Hoogduitsche missivenboek vóór de missiven van het jaar 1586 zijn naam Caspar Hopffman heeft gezet.
Toen midden Mei 1588 de nieuwe Raad van State optrad, werd Langen door dit college niet als secretaris in dienst genomen. Hiermede verviel de aan zijn persoon verbonden administratie voor de Hoogduitsche zaken, welke oorspronkelijk eene navolging was geweest van dergelijke instelling der Oostenrijksch-Spaansche regeering te Brussel, de Hoogduitsche Staatssecretaris. Dientengevolge kwam ook aan zijne betrekking tot de Staten-Generaal een einde, zoodat van dat tijdstip af de geheele administratie der Staten-Generaal ter griffie zou gevoerd worden.
In de algemeene inleiding is reeds gezegd, op welke wijze de stukken van de twee administraties, welke zelfstandig naast de griffie gewerkt hebben, die van de Hoogduitsche secretarie en die van de audience, in de 17de eeuw met het griffie-archief vermengd zijn geworden.
In den hierna volgenden inventaris vindt men een overzicht van de stukken dezer drie administraties. Betreffende de ordening van de stukken, behoorend tot de griffie-administratie, wil ik gaarne nog enkele toelichtingen geven.
Hoe het griffie-archief in het tijdperk 1576-1588 ingedeeld is geweest; kan worden opgemaakt uit enkele gelijktijdige aanwijzingen in verband met den toestand, waarin het archief door de inventarisatiën in de 17de eeuw is gebracht. Behalve uit de registers bestond het voornaamste gedeelte van het archief uit de liassen, welke de ingekomen stukken met de minuut-uitgaande stukken bevatten. Van deze is er waarschijnlijk eene hoofdserie geweest, waarvoor wij later den naam van "liassen loopende" in gebruik vinden, eene Nederlandsche benaming, die blijkbaar voor eene oorspronkelijke aanduiding "liaches courantes" in de plaats is gekomen
De term "liaches" wordt o.a. aangetroffen in resol. St.-Gen. 6 November 1576, 27 October 1579.
. Daarnaast zijn althans eene serie stukken Frankrijk en eene Engeland gevormd geweest.
Stukken, die bijv. om hun omvang of formaat kwalijk aan de liassen konden worden gevoegd, werden afzonderlijk bewaard en zijn later opgeborgen in de zoogenaamde Loketkas der Staten-Generaal. In denzelfden trant vinden wij den voorganger van de Secrete kas der 17de eeuw in de gesloten kist, waarin tijdens de 16de eeuw de belangrijke papieren en het Generaliteitszegel werden bewaard.
De stukken der liassen loopende uit de periode 1576-1588 zijn op enkele gedeelten na verloren gegaan. Deze gedeelten zijn - gelijk wij reeds schreven - door den agent De Heyde gebruikt om met stukken uit de collecties Asseliers en Langen nieuwe liaspakken te formeeren. In de 19de eeuw zijn dan deze liassen loopende herordend door de ambtenaren aan het Rijksarchief te 's Gravenhage, J. A. de Zwaan en mr. Van der Burgh.
Gelijk de oude liassen loopende dus eerst gevormd zijn in de 17de eeuw, is ook de onderbrenging der stukken in de Loketkas een werk van dien tijd. Zoo heeft bijvoorbeeld de agent Verburch enkele pakken gevormd, waarin diverse stukken bijëengebracht zijn; dergelijke pakken zijn o. a. die, welke in den inventaris De Heyde van 1678 genummerd zijn Loketkas Loopende 71, 110, 118. In denzelfden trant zijn enkele stukken opgenomen in de Secrete kas, waarvan het zeer onwaarschijnlijk is, dat zij in de periode vóór Mei 1588 in de gesloten kist der Staten-Generaal bewaard zijn geweest.
Met het oog op deze omstandigheden achtte ik het ongewenscht te trachten, in mijn inventaris de brokstukken der liassen benevens de andere losse stukken nauwkeurig volgens de oorspronkelijke orde van het griffie-archief te groepeeren; ik heb er de voorkeur aan gegeven alle losse stukken tot ééne groep te brengen en vervolgens te beschrijven in verband met de dateeringen en de erin behandelde onderwerpen. Daarentegen heb ik in mijne beschrijvingen wel hersteld de resolutie-registers, die door den agent De Heyde uiteengenomen zijn om de jaargangen te vormen voor de alphabetische indiceering ervan. Van deze resolutie-registers komt eene beschrijving volgens hun oorspronkelijken toestand nog voor op den inventaris Verburch van 1635. Eene andere aanwijzing daarover was te ontleenen aan de opgave der resolutiën betreffende Engelsche zaken, welke opgemaakt was voor de samenstelling van het oudste depechenboek Engeland en ingevoegd in dit boek; de oorspronkelijke toestand van het 1ste, 2de en 3de resolutie-register, gehouden door Weellemans, en van het 1ste, 2de, 3de en 4de resolutie-register, geschreven door Houfflin (en Blyleven), viel uit deze opgave af te leiden. Verder konden aan de uiteengenomen registers zelve eveneens aanwijzingen ontleend worden.
Bij de inventarisatie der griffie-stukken had ik zorg te dragen, dat geen documenten, gedateerd vóór midden Mei 1588, doch welke na dien datum in het Staten-archief waren opgenomen, werden vermeld. Om een voorbeeld te noemen: in de Loketkas loopende n°. 58 berust een origineele commissiebrief van 19 Maart 1587, door de Staten-Generaal gegeven aan J. Junius de Jonge, oud-burgemeester van Antwerpen, als afgevaardigde naar Duitschland. Deze commissie bevindt zich bij een brief van Junius dd. 14 April 1590, waarbij hij het stuk toezendt aan de Staten-Generaal. Deze commissie heb ik derhalve niet opgenomen en in aansluiting daaraan heb ik nu evenmin melding gemaakt van een dergelijken commissiebrief, door Leycester in Januari 1587 uitgegeven aan Junius, welk perkament bewaard wordt in de Loketkas Hoogdiutschland n°. 9.
Ook bij ongedateerde copieën van vóór midden Mei 1588 gedagteekende stukken had ik een dergelijk onderzoek in te stellen. Hiervan moge eveneens één geval vermeld worden.
In de Lias Loopende 1580-1581 bevindt zich eene copie der akte van sauvegarde, aan de Portugeesche kooplieden in de Nederlanden door de Staten-Generaal op 19 Juni 1581 gegeven; deze copie is gewaarmerkt door een notaris te Antwerpen; voorts berust eene dergelijke copie van soortgelijke sauvegarde van 22 October 1577 in de Loketkas Loopende 24, een nummer waarin stukken van verschillenden aard zijn samengebracht. Nu blijkt uit eene aanteekening van den rijksarchief-ambtenaar De Zwaan, dat de copie-akte der sauvegarde van 1581 door hem was aangetroffen in de Lias Loopende 1592 en daaruit overgebracht naar de Lias 1580-1581. Het is echter aannemelijk, dat dit notariëele afschrift inderdaad in 1592 bij de Staten-Generaal is ingekomen, daar eene resolutie der Staten van 22 April 1592 uitwijst, hoe destijds kooplieden der Portugeesche natie, te Antwerpen woonachtig, om interpretatie der akte van sauvegarde gevraagd hadden. Evenmin als de Antwerpsche copie der akte van 1581 is nu de copie der sauvegarde van 1577 door mij beschreven, aangezien het waarschijnlijk is, dat beide te Antwerpen vervaardigde afschriften eerst in 1592 zijn ingezonden.
Vergelijk hierbij de stukken in archief Staten-Generaal, Loketkas Portugal 1, in den hierna volgenden inventaris der Staten-Generaal beschreven onder n°. 212.
Tot slot van de inleiding tot het Staten-Generaal-archief wil ik hier nog vermelden, dat enkele stukken uit de jaren 1577-1579, welke blijkbaar afkomstig zijn uit het archief der griffie, worden aangetroffen in de bekende verzameling stukken, getiteld "Acta Statuum Belgii", bijeengebracht door Willem Valerius, kanunnik van St. Bavo te Gent en Gedeputeerde ter Staten-Generaal, welke collectie berust op het Algemeen Rijksarchief
De verzameling is voor het Rijk verworven door aankoop uit de collectie Musschenbroek in het jaar 1826. Reeds Gachard heeft in het voorwoord tot zijne uigave Actes des Etats-Généraux des Pays-Bas, op grond van verschillende stukken, die bij de "Acta Statuum Belgii" waren ingeboden, Valerius als den verzamelaar aangewezen. Gachard's toeschrijving vindt nog steun in het feit, dat op een der stukken een Latijnsch kladbriefje wordt aangetroffen, gericht aan den deken van St. Bavo en onderteekend op 17 Maart 1579 door W. V. Vergelijken wij deze letters en ook het handschrift van verschillende stukken met de onderteekening van Willem Valerius, zooals die voorkomt onder de akte oer Unie van Brussel, dan krijgen wij zekerheid, dat Valerius enkele akten eigenhandig geschreven heeft.
.