1.02.17 Inventaris van het archief van de Legatie in de Oostenrijkse Nederlanden, 1717-1810

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Ik heb het begrepen

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

In de Spaanse, na 1713 Oostenrijkse Nederlanden, was de Republiek vanaf 1656 officieel vertegenwoordigd. De eerste gezant had de rang van resident; vanaf 1749 werd dit de rang van minister plenipotentiaris. De laatste minister plenipotentiaris, Hendrik Hop, verliet Brussel in 1794. De verhouding tussen de Republiek en de Oostenrijkse Nederlanden werd in de achttiende eeuw voornamelijk bepaald door de kwestie van het Barrièretractaat. Het Barrièretractaat werd in 1715 tussen Oostenrijk, Engeland en de Republiek gesloten. De bedoeling was van de Oostenrijkse Nederlanden een soort bufferzone tegen Frankrijk te maken. Het Barrièretractaat bleef in de verdere loop van de achttiende eeuw een voortdurende bron van twist. De verschillende achttiende-eeuwse gezanten te Brussel zijn allen zeer nauw betrokken geweest bij de verwikkelingen rondom het Barrièretractaat. Van Assendelft vertegenwoordigde de Republiek op de conferentie te Antwerpen van 1737-1740. Van Haren nam samen met zijn collega's Van Citters en Van der Heim van 1751 tot 1755 deel aan besprekingen. Hop voerde met Lestevenon, Van de Perre en Van Leyden op een vredescongres te Parijs onderhandelingen die in 1785 tot het Tractaat van Fontainebleau leidden. Een belangrijk deel van de papieren neerslag van deze onderhandelingen treft men in dit legatiearchief aan. De betrokkenheid van de gezanten te Brussel met het Barrière-tractaat kwam ook tot uiting in hun bemoeienis met de Staatse militairen in de Barrière-steden. Ook hierover treft men vooral voor de periode van het gezantschap van Van Haren en Geelvinck veel stukken aan in dit legatiearchief.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Het legatiearchief Oostenrijkse Nederlanden met een omvang van 5,5 m. bestaat uit vier gedeeltes, te weten:
  1. Het archief gevormd door de gezanten Pesters (1717-1728), Travest (1728-1729), Van Assendelft (1729-1740) en Van Kinschot (1740-1749).
  2. Het archief hoofdzakelijk gevormd door de gezanten Van Haren (1749-1768) en Geelvinck (1768-1773).
  3. Het archief van de commissarissen van de Staten Generaal op de conferentie te Brussel gewijd aan besprekingen over het Barrièretractaat (1751-1755).
  4. Het archief van Daniël Thuret, consul en commissaris van commercie te Antwerpen (1806-1810).
Verreweg het grootste deel van het archief wordt gevormd door de twee eerste gedeeltes. Deze stukken kunnen worden beschouwd als secretariaatsarchieven. Wat het eerste deel betreft, in deze periode fungeerde Travest als gezantschapssecretaris, afgezien van de jaren 1728 en 1729 toen hij zelf als gezant optrad. Hij droeg zorg voor het archief, ordende de stukken en bracht er een nummering op aan. Dit deel van het legatiearchief heeft hierdoor het karakter van een secretariaatsarchief. Dit secretariaatsarchief werd op 4 augustus 1752 door de oud-gezant Van Kinschot naar de griffie van de Staten-Generaal gestuurd. Hij deed dit op verzoek van de toenmalige gezant Van Haren die zich tegenover de Staten Generaal had beklaagd over het feit dat " ... bij sijn vertreck van daar aan hem geen de minste papieren of archiven had overhandight, weshalven in sijne secretary niet nietwes kon worden nagesien...".
Archief Staten Generaal, inv. nr. 7435. Hierin bevindt zich ook de zogenaamde lijst Travest.
Van Haren heeft deze stukken nooit in Brussel ontvangen aangezien de griffier Hendrik Fagel om onduidelijke redenen verzuimde ze door te sturen. Ook het tweede deel van de hier beschreven stukken uit de periode 1749-1773 kan beschouwd worden als een secretariaatsarchief. In deze jaren was Ernst secretaris van drie achtereenvolgende gezanten: Van Haren, Geelvinck en Hop. Daarnaast was hij zelf in 1768 en 1769 tijdelijk zaakgelastigde. Een duidelijk bewijs voor de stelling dat het hier om een secretariaatsarchief gaat vormt het feit dat er in de kopieboeken van uitgaande brieven geen sprake is van een cesuur tussen de ambtsperioden van de gezanten Van Haren en Geelvinck.
Het secretariaatsarchief Travest kwam met de archieven van de Staten-Generaal op het Rijksarchief terecht. Het secretariaatsarchief Ernst werd in 1854 door het ministerie van Buitenlandse Zaken overgedragen. Naast de papieren van de gezanten Van Haren en Geelvinck bevatte het ook het gedeponeerd archief van de commissarissen van de Staten Generaal Van Haren, Van der Heim en Van Citters op de conferentie te Antwerpen van 1752 tot 1755. Bovendien werden door Buitenlandse Zaken enkele stukken uit de periode van de laatste gezant Hendrik Hop overgedragen, waaronder zijn verbaal over de jaren 1773-1784. Hoe de stukken van het consulaat te Antwerpen op het Rijksarchief terecht zijn gekomen is onopgehelderd gebleven.
Het archief is bij Koninklijk Besluit of ministeriële beschikking overgebracht.

De verwerving van het archief

Het archief is bij Koninklijk Besluit of ministeriële beschikking overgebracht.