De Republiek en Marokko
De betrekkingen tussen de Republiek en Marokko stonden vanaf het begin van de zeventiende eeuw in het teken van de scheepvaart. Marokko grenst voor het overgrote deel aan de Atlantische Oceaan en haar noordkust vormt de zuidoever van de Straat van Gibraltar. Daarmee beheerste het de voor de Republiek zeer belangrijke vaart op de Middellandse zee. De ligging van Marokko zou men kunnen vergelijken met die van Denemarken aan de Sont, maar de machtsverhoudingen en de betrekkingen zijn verder totaal verschillend.
De Marokkaanse sultans - sinds 1650 afkomstig uit het sjarifenhuis der Filaliërs - konden geen tolgeld afdwingen om de tekorten van de staatskas aan te zuiveren zoals hun koninklijke kollega's in het noorden, noch waren zij machtig genoeg om de Straat geheel af te sluiten. Wél konden zij met oorlog dreigen om vervolgens die dreiging af te laten kopen met schenkingen in geld of goederen (wapens). Werd hier niet op ingegaan dan verklaarden zij op gezette tijden al dan niet in samenwerking met de bey van Algiers en de dey van Tunis, de oorlog aan (één van) de Europese zeemogendheden, waarmee kaapvaart en confiscatie van koopvaarders van op dat moment vijandige mogenheden gerechtvaardigd was. Vaak was het zenden van een vlooteskader voldoende om de sultan van gedachten te doen veranderen en de vrede te herstellen maar het kwaad was dan al geschied.
De kontakten met Marokko in de zeventiende en achttiende eeuw worden als gevolg hiervan gekenmerkt door een voortdurend balanceren tussen oorlog en vrede. Voor de Republiek betekende het een afweging van de kosten: diende men zijn macht te tonen en een vlooteskader te zenden of kon volstaan worden met een redelijke afkoopsom.
Hoewel daar, gezien het bovenstaande misschien wel aanleiding toe had kunnen zijn, bewogen de betrekkingen tussen beide staten zich niet op werkelijk diplomatiek niveau en heeft er geen permanente uitwisseling van ambassadeurs plaats gehad. Wel bevonden zich in Marokko consulaire vertegenwoordigers maar hun aktiviteiten beperkten zich in principe tot het behartigen van handels- en scheepvaartbelangen.
In landen waar geen ambassadeursuitwisseling plaats had, zoals Marokko, kreeg de consulaire vertegenwoordiger echter een ruimere taak toegewezen en trad hij op namens en op instruktie van de Staten-Generaal aan het hof van de sultan. Geregeld bracht hij verslag uit van de economische en politieke situatie. Zijn belangrijkste taak was erin gelegen de sultan gunstig gestemd te houden en diens wensen te beperken, soms middels vleierij, soms door met geweld te dreigen. Werd de situatie te ingewikkeld, dan zonden de Staten-Generaal speciale afgezanten naar de sultan en in dergelijke gevallen diende de consul deze afgezanten met raad en daad bij te staan.
Hoewel de standplaatsen soms wisselden, waren deze zonder uitzondering alle in kustplaatsen gelegen. Ook het consulaat-generaal bevond zich niet in het landinwaarts gelegen Fez, waar de sultan hof hield. Dit onderstreept de primaire taak van de consulaire vertegenwoordiger: het behartigen van handels- en scheepvaartbelangen. Tot slot trad de consul-generaal op als hoofd van de Nederlandse natie. Uit dien hoofde gaf hij paspoorten uit, stelde hij testamenten op en vervaardigde hij allerhande juridische stukken.
In 1605 is er voor het eerst sprake van een consulaire vertegenwoordiger. In dat jaar wordt bij resoluties van 18 en 29 maart Pieter Martensz Coy tot agent in Marokko benoemd. Sindsdien zijn er, soms met korte onderbrekingen, Nederlandse vertegenwoordigers in Marokko geweest. Sedert 1753 werd de Republiek vertegenwoordigd door een consul-generaal en enige vice-consuls. In 1771 werd het aantal vice-consulaten tot één teruggebracht en na 1793 opereerde er naast de consul-generaal nog slechts een agent. Financiële overwegingen speelden hierbij een rol.
De aanstelling geschiedde door de Staten-Generaal en daarna door hun rechtsopvolgers respektievelijk de Nationale Vergadering (1796), het Uitvoerend Bewind (1798), het Staatsbewind (1801), de Raadpensionaris (1805) en de koning (1810). In 1810 werd het koninkrijk Holland ingelijfd bij het Franse Rijk en werden de diplomatieke en consulaire posten opgeheven. De aanstelling geschiedde, evenals dat het geval was voor de consuls in het Middellandse zeegebied, op voordracht van de Directie van de Levantsche Handel.
Consulaire vertegenwoordigers behoefden, in tegenstelling tot diplomatieke vertegenwoordigers geen ingezetenen van de Republiek te zijn. Het waren veelal buitenlanders - Engelsen, Fransen of Italianen - en naast hun betrouwbaarheid speelde hun invloed, positie en kontakten in het land waar zij benoemd moesten worden een belangrijke rol. Ten tijde van hun benoeming verbleven zij meestal al geruime tijd in het land en vrijwel altijd dreven zij er een belangrijk handelshuis of waren zij daar deelgenoot van. De verdiensten waren gering maar een consulaire positie kon in kombinatie met het bezit van een handelshuis voordelig zijn.