Verantwoording van de bewerking
In de loop der jaren zijn de legatiearchieven enkele malen geordend hetgeen de toegankelijkheid niet altijd heeft bevorderd door het nogal eens voorkomen van onjuiste beschrijvingen, met name in het Legatiearchief Turkije.
Het gedeelte 1785-1811 was al in 1932 beschreven door mr. H. Hardenberg. Deze inventaris is op ondergeschikte punten gewijzigd om met het voorgaande gedeelte één geheel te vormen.
Het komt als juist voor in de inventaris van de legatiearchieven alleen te beschrijven datgene wat in het eigenlijke legatiearchief aanwezig was en dus geen pogingen te doen om achteraf archieven te reconstrueren die in werkelijkheid nooit bestaan hebben. De archieven van het secretariaat waren ook in de tijd zelf niet geordend op een wijze die een basis kon vormen voor een bruikbare inventarisatie. Zelfs waren de archieven van de onderscheiden ambassadeurs niet altijd van elkaar onderscheiden, een gevolg van het feit dat menig ambassadeur stukken raadpleegde uit het archief van zijn voorganger zonder ze terug te leggen en door het optreden van secretarissen die onder meer dan één ambassadeur dienst deden en veelvuldig correspondentie onder zich hielden. De secretaris Jean Louis Rigo, die van 1721-1756 dienst deed, riep bijzondere problemen op doordat zijn archief (waaronder veel persoonlijke stukken) na zijn overlijden in 1756 geheel opging in het archief van de ambassadeur De Hochepied. Gedeeltelijk zijn deze stukken nu weer afgesplitst en in een afzonderlijke rubriek Rigo ondergebracht. Dit is echter niet gebeurd met correspondenten die zowel aan De Hochepied als aan Rigo schreven en waarvan de brieven vaak tot één bundeltje waren gemaakt. Ook stukken die onder Rigo waren blijven berusten doch kennelijk tot het archief van Des Bordes of Calkoen hadden behoord werden in de regel teruggeplaatst.
Het Kanselarijarchief was in grote trekken geordend op een wijze die als basis kon dienen voor deze inventarisatie. Enkele stukken die in het Secretariaatsarchief werden aangetroffen, maar duidelijk betrekking hadden op kanselarijzaken werden naar het Kanselarijarchief overgebracht. Dit is echter niet gebeurd wanneer het duidelijke stukken betroffen die onder een bepaalde ambassadeur of secretaris hadden berust.
Nadat de inventaris in 1974 in getypte vorm gereedgekomen was, zijn nog een aantal correcties aangebracht. Dit is steeds gebeurd zonder de nummering te veranderen. Voor het oog is deze oplossing minder fraai: de nummering was echter reeds enige malen in publikaties gebruikt.
Dat de nu gereed gekomen inventaris grote onvolkomenheden bevat, beseft niemand beter dan ikzelf. Het gecompliceerde karakter van de legatiearchieven maakt echter dat een modelinventaris wel nooit te leveren zal zijn. De geschiedenis van het archief met al zijn lotgevallen, de diverse inventarisaties die in het verleden hebben plaatsgevonden hebben het werk van de inventarisator niet vereenvoudigd. Daar komt nog als complicatie bij dat de stukken in verschillende, ook minder toegankelijke talen, geschreven zijn.
Tenslotte dien ik degenen die mij bij deze inventarisatie behulpzaam zijn geweest mijn dank te betuigen voor de verleende hulp. De meeste dank ben ik verschuldigd aan drs. B.J. Slot die aanvankelijk als onderzoeker, later ook als collega, ontelbare adviezen heeft gegeven die mij voor veel dwaalsporen hebben behoed. Voor de vele tekortkomingen die ongetwijfeld aan dit werk zijn blijven kleven, ben ik zelf verantwoordelijk.