De papieren in het archief der Staten-Generaal
Wat is er thans nog in het archief van de Staten-Generaal van deze nagelaten papieren van Aitzema over?
Om deze vraag te beantwoorden zal het nodig zijn de zaak nog wat meer in bijzonderheden na te gaan. Op 17 februari 1670 besluiten de Staten-Generaal hun agent Cornelis de Heyde - dezelfde, aan wie wij de inventaris van 1677 en alle verdere inventariseringswerk aan het archief der Staten-Generaal in de 17e eeuw te danken hebben (zie Verslagen omtrent 's-Rijks Oude Archieven (VROA) 1913, blz. 30) - te machtigen zich naar het Hof van Holland te begeven 'ende de originele ende andere stucken, brieven, memoriën ende papieren, tot de griffie van Hunne Hoog Mogenden specterende, die onder 't gemelte Hoff jegenwoordich albereyts berusten, ende die Haer Edele noch souden mogen machtig werden, te visiteren ende inspecteren, oock deselve onder inventaris door last van tgemelte Hoff te maecken, naerdat hetselve Hoff sich daervan soo int reguardt van eenige clerquen, excessen ende malversatiën gepleecht hebbende, als andersints naer behoorden gedient sal hebben, te syner tijt over te nemen ende weder te brengen ter voorscreven griffie van Hunne Hoog Mogenden' Op 18 juni 1670, dus anderhalve maand na de bovengenoemde uitspraak van het Hof van 2 mei, zijn de papieren blijkbaar nog niet in de griffie van Hunne Hoog Mogenden teruggekeerd. Op die datum toch lezen wij in de besluiten van de Staten-Generaal: 'Den agent De Heyde heeft in voldoening van Hunne Hoog Mogenden resolutie van den seventhienden February lestleden ter vergaderinge geëxhibeert seeckeren Inventaris van verbalen, journalen, registers, cohieren ende bondels van Hunne Hoog Mogenden resolutiën, tractaten, instructiën, brieven ende andere papieren, munimenten ende stucken van wylen den resident Aitzema, soo secrete als andere, van verscheydene jaren, alle den staet concernerende, door ordre van den Hove van Hollandt uyt den huyse van den clercq Lelienbergh gehaelt ende onder den voorschreven Hove gebracht; gelijck hy oock geëxhibeert heeft seeckere naerdere Memorie van originele brieven ende andere stucken, uyt de griffie van Hunne Hoog Mogenden by Willem Hoppevelt, buyten kennisse van yemant, gelicht; waerop gedelibereert sijnde, is goetgevonden ende verstaen, dat den voorschreven Inventaris met ende nevens de voorschreven Memorie gestelt sal werden in handen van de heeren Schimmelpenningh ende andere Hunne Hoog Mogenden gedeputeerden tot de saecken van de griffie om deselven Inventaris ende Memorie te visiteren, oock toverleggen, wat met de voorschreven stucken gedaen, ende waer deselve gebracht sullen dienen te werden, doende daervan rapport aan Hunne Hoog Mogenden.' Dit rapport werd uitgebracht in de vergadering van de Staten-Generaal van 23 juli daaraanvolgend en op die datum werd in overeenstemming daarmede besloten 'te versoecken de heeren Gecommitteerde Raden van Hollandt, dat H.E. omtrent den voornoemden Hove van Hollandt soodanigen ordre willen stellen ende die voorsieninge doen, ten eynde dat alle de stucken ende papieren, in den voorschreven Inventaris ende naerdere Memorie gespecificeert, ter voorschreven griffie van Hunne Hoog Mogenden onder d'opsicht van den voornoemden agent ten spoedichsten gebracht mogen werden'.
Het resultaat van een en ander vernemen we eerst bijna een jaar later. In de vergadering van de Staten-Generaal van 9 juli 1671 wordt gelezen een 'remonstrantie van den agent De Heyde, houdende, dat hy remonstrant achtervolgens Hunne Hoog Mogenden resolutie van den 23 July 1670 van den Hove van Hollandt nu machtich geworden is ende ter griffie gebracht heeft' de papieren van Aitzema. Hij verzoekt tevens, dat hij zelf en enige personen, die hem daarbij en bij het maken van de inventaris hebben geholpen, naar behoren zullen gehonoreerd worden. Op 14 juli wordt dat verzoek door de Staten-Generaal toegestaan en tevens, zoals reeds boven gezegd, besloten, dat de stukken tot nader order op de griffie van Hunne Hoog Mogenden zullen blijven.
De in de laatstgenoemde remonstrantie van De Heyde bedoelde, door hemzelf blijkbaar in 1670 gemaakte inventaris, waarin zowel de in de bovenaangehaalde resolutie van de Staten-Generaal van 18 juni 1670 vermelde 'verbalen, journalen, registers, cohieren ende bondels van Hunne Hoog Mogenden resolutiën, tractaten, instructiën, brieven ende andere papieren, munimenten ende strucken van wylen den resident Aitzema, soo secrete als andere, van verscheyden jaren, alle den staet concernerende, door ordre van den Hove van Hollandt uyt den huyse van den clercq Lelienbergh gehaelt ende onder den voorschreven Hove gebracht', alsook de in dezelfde resolutie voorkomende 'originele brieven ende andere stucken uyt Hunne Hoog Mogenden griffie by Willem Hoppevelt buyten kennisse van yemant gelicht' moeten opgenomen geweest zijn, is ondanks alle aangewende moeite niet in het archief der Staten-Generaal teruggevonden. Evenmin de 'Memorie', waarvan in dezelfde resolutie sprake is
De Loketkas 'Loopende' nr. 428
Wel berust in de Loketkas van de Staten-Generaal 'Loopende' 428 een stuk, dat blijkbaar is een afschrift van de in 1669 op het Hof van Holland gemaakte inventaris der zoëven in de eerste plaats genoemde 'verbalen, journalen enz.'. De hierboven letterlijk aangehaalde bewoordingen toch, waarin die inventaris in de resolutie van 18 juni 1670 vermeld wordt, komen geheel overeen met de titel van het genoemde stuk zelf; alleen zijn in dat stuk nog de woorden 'ende naderhant vandaer (d.i. het Hof) alhier (d.i. de griffie van Hunne Hoog Mogenden) herbracht' er aan toegevoegd.
Behalve de inventaris zelf bevatte Loketkas 'Loopende' 428 oorspronkelijk ook al de in die inventaris vermelde stukken, gelijk blijkt uit de aantekening in dorso van het stuk: 'Alle de bondels sijn te vinden op de plancke achter de letter A', welke aantekening er op geplaatst is door dezelfde klerk, die voor De Heyde, blijkbaar in 1677, toen deze de inventaris van de Loketkas geheel heeft herzien en bijgewerkt, ook dit stuk zelf heeft overgeschreven. Men moet aannemen, dat gedurende een eeuw, of wellicht nog langer, al deze papieren, 'op de plancke achter de letter A' zijn blijven berusten. In de loop van de achttiende eeuw moet er echter een verandering in de opberging van het archief der Staten-Generaal, en bepaaldelijk van de tot de Loketkas behorende stukken hebben plaatsgehad. Waren deze stukken oorspronkelijk, gelijk de inventaris van het archief der Staten-Generaal van 1677 in bijzonderheden kan uitwijzen, verdeeld over verschillende vertrekken van de griffie der Staten-Generaal, later is men alle stukken in twee loketkassen - tevens komt thans voor het eerst de term 'loketkas' voor, waarnaar dit gedeelte van het archief der Staten-Generaal sedert steeds genoemd is - gaan opbergen. Die 'loketkassen' waren natuurlijk uitermate geschikt voor het opbergen van enkele of kleine verzamelingen van in de lengte gevouwen losse stukken. Het laat zich echter zeer goed denken, dat grote verzamelingen, als de papieren van Aitzema er een vormden, bij deze wijze van opberging in het gedrang moesten komen. Zo werd de in de Loketkas 'Loopende' 428 beschreven verzameling-Aitzema - gelukkig op de inventaris van die verzameling na, die nu alleen als 'Loopende' 428 bewaard bleef - naar de zolder verbannen. Immers in de memorie over het archief van de Staten-Generaal van de klerk Nieuwenhuisen, opgesteld in 1793, worden op fo. 9vo. als 'op de zolder' verblijvende vermeld: 'Eenige stukken en gedeeltens van de papieren van wijlen den historieschrijver van Aitzema'.
Aldus was de toestand, toen in 1852 een Duits geleerde het archief bezocht om studie te maken over de betrekkingen van ons land met de Hanze en bepaaldelijk ook over Foppe van Aitzema, de oom, die in de eerste helft van de zeventiende eeuw gedurende een aantal jaren ons land bij de Hanzesteden vertegenwoordigde, en over Leo van Aitzema, de neef, die omgekeerd gezant van de Hanzesteden in ons land was, en op welke laatste onze verzameling betrekking heeft. Bij die gelegenheid zijn nog geheel onverwacht, slechts enige dagen vóór het vertrek van de vreemde bezoeker, de stukken, waarover hiervoren werd gehandeld, door de commies-chartermeester De Zwaan uit hun schuilhoek op de zolder van het Rijksarchief - immers in dezelfde vertrekken, waar vroeger de Staten-Generaal hadden gezeteld, was thans het Rijksarchief gevestigd - te voorschijn gebracht.
Straks nader over de Duitse geleerde. Thans eerst nog een enkel woord over de andere in de resolutie van de Staten-Generaal van 18 juni 1670 genoemde papieren van Aitzema, die aldaar en bovendien nog iets uitvoeriger in de remonstrantie van De Heyde, vermeld in de resolutie van 9 juli 1671
Deze remonstrantie is in haar geheel opgenomen in het brievenboek van de Staten-Generaal van 1671, fo. 643.
, worden aangeduid als 'originele brieven ende andere stucken ende papieren, uyt H.H.M. griffie door de klercken Willem Hoppevelt ende Kayser buyten kennisse van yemant gelicht'. Gelijk ik al zei, uit besluit van de Staten-Generaal van 9 juli 1671 blijkt duidelijk, dat er, waarschijnlijk in 1670, een inventaris is opgemaakt van alle stukken van Aitzema tezamen, maar deze inventaris is tot heden toe nog niet teruggevonden. Wel heb ik gemeend sporen van de inventarisatie te kunnen herkennen in geheel gelijksoortige nummers, die buiten op de stukken zijn aangebracht en dat wel niet alleen op de stukken van ouds beschreven als Loketkas 'Loopende' 428 en voor een deel in 1852 van de zolder voor de dag gekomen, maar ook op een groot aantal andere stukken in het archief der Staten-Generaal. Sommige van deze zijn in de achttiende eeuw, blijkbaar tegelijk met de stukken, behorende tot Loketkas 'Loopende' 428, naar de zolder verbannen: immers onder de in 1852 teruggevondene komen een aantal voor, die niet vermeld zijn op de als 'Loopende' 428 bewaard wordende inventaris van 1669, terwijl er wel opschriften en nummers als boven bedoeld op worden aangetroffen. Andere daarentegen zijn steeds met het archief van de Staten-Generaal vermengd gebleven, echter zodanig, dat men toch altijd ze als van Aitzema afkomstige papieren is blijven beschouwen. Blijkbaar vormen al deze andere stukken in het archief der Staten-Generaal tezamen de als 'originele brieven ende andere stucken ende papieren uyt Hunne Hoog Mogenden griffie door de klercken Hoppevelt ende Kaiser buyten kennisse van yemant gelicht' aangeduide rest van de verzameling Aitzema, en dat gedeelte daarvan, dat niet op de zolder terechtkwam, maar met het eigenlijke archief der Staten-Generaal vermengd bleef, vormde blijkbaar de verzameling van stukken betreffende Aitzema, die dadelijk bij de komst van het Rijksarchief van prof. C.F. Wurm - zo heette de Duitse geleerde - in september 1852 aan hem konden worden voorgelegd. Zoals Wurm zelf in zijn artikel getiteld: 'Studien in den Archiven von Braunschweig, Bremen, Haag (niederländ. Reichsarchiv) und Wolfenbüttel, über die Lebensschicksale des Foppius van Aitzema, ersten niederländischen Residenten bei den Hansestädten und über den Nachlass des Leo van Aitzema, ersten hansischen Residenten im Haag', opgenomen in Verzeichnis der Vorlesungen, welche am Hamburgischen akademischen Gymnasium von Ostern 1854 bis Ostern 1855 gehalten werden, blz. 1 en blz. 61 mededeelt, was het reeds vroeger; ook in Duitsland, bekend, dat het 'gezantschapsarchief' van Leo van Aitzema op het Rijksarchief in Den Haag berustte, en grondde zich deze wetenschap op een brief daarover van de Rijksarchivaris De Jonge aan de consul van Hamburg te Amsterdam, S.G. Broekman, uit het jaar 1845. Met dit 'gezantschapsarchief van Aitzema' kunnen, dunkt mij, moeilijk anders bedoeld worden dan de bovengenoemde delen uit het archief der Staten-Generaal, die dadelijk in september 1852 aan Wurm konden getoond worden.
Volledig was de verzameling Aitzema daarmee echter niet. Dit kan - uit het voorafgaande bleek het reeds voldoende - alleen dan het geval zijn, wanneer de bovenbedoelde in 1852 enige dagen vóór Wurms vertrek van de zolder te voorschijn gekomen stukken, voor een gedeelte beschreven in de inventaris van 1669, zich bevindende in de Loketkas der Staten-Generaal 'Loopende' 428, en mogelijk nog andere stukken, gemerkt met de nummers van de tot heden niet teruggevonden inventaris van De Heyde van 1670, met de reeds eerder bekend zijnde delen in het archief der Staten-Generaal zullen zijn herenigd.
In de hierna volgende inventaris heeft die hereniging zo volledig als met de thans ten dienste staande gegevens mogelijk was, plaatsgehad. Ware de meer genoemde inventaris van 1670 teruggevonden, ongetwijfeld zouden dan nog verscheiden stukken als behorende tot de verzameling Aitzema herkend zijn. Om het belang van de zaak heb ik echter gemeend de inventaris reeds thans in deze vorm te moeten afdrukken. Het gehele archief der Staten-Generaal en dat van het zogenaamde Legatiearchief - zie Verslagen omtrent 's Rijks Oude Archieven over 1915, blz. 41 - is, althans wat betreft de delen, in alle richtingen nagegaan. Natuurlijk was het ondoenlijk de duizenden losse stukken uit die tijd - een periode van bijkans vijftig jaar - met hetzelfde doel na te zien. Het is dus zeer wel mogelijk, dat bij de definitieve ordening van dat gedeelte van het archief der Staten-Generaal nog stukken te voorschijn komen, die blijkens de er op geplaatste nummers of anderszins tot de verzameling zullen moeten gerekend worden. Wellicht dat ook de 'Verspreide collecties' nog enkele stukken opleveren. Een der thans beschreven nummers (inv.nr. 82) kon reeds daarvan worden ontleend.