Geschiedenis van de archiefvormer
Joan Derk van der Capellen wordt op 2 november 1741 te Tiel geboren uit het huwelijk van Frederik Jacob van der Capellen en Anna Elisabeth van Bassenn. Na zijn studietijd te Utrecht (1758-1763) houdt hij zich bezig met engels, oude talen en filosofie, tot hij zich in 1767 informeert omtrent trent de mogelijkheid tot admissie in de Zutfense ridderschap.
Deze admissie blijkt niet mogelijk, doch dankzij zijn huwelijk met de Overijsselse freule Hillegonda Anna Bentinck kan de baron op 12 maart 1770 een request om admissie in de Ridderschap van Overijssel indienen. Eerst na een slepende procedure wordt Van der Capellen op 20 juni 1772 verschreven van de Breedenhorst, later van de Pol. Hier begint de eigenlijke politieke werkzaamheid van Van der Capellen.
Allereerst vraagt de kwestie van augmentatie en equipage zijn aandacht (1773) ,vervolgens die der Schotse Brigade (1775-1776), waarbij Van der Capellen voor het eerst de drukpers voor zijn doeleinden inschakelt.
Vervolgens houdt hij zich bezig met de zaak rond de regeringsreglementen en de begeving der provinciale commissies (1777), welke kwestie uitloopt op een konflikt om de democratie binnen de Statenvergadering. Het meest geruchtmakend echter, wordt de zaak van de afschaffing der drostendiensten, waaraan Van der Capellen zich wijdt vanaf april 1778. Zijn "Vertoog over de onwettigheid der Drostendiensten" is voor de Ridderschap aanleiding om hem op 27 oktober 1778 voorlopig te schorsen als lid van de Staten van Overijssel.
Tijdens deze voorlopige schorsing ijvert Van der Capellen allereerst voor zijn readmissie. Zo wendt hij zich tot de Stadhouder, mobiliseert de publieke opinie door het stimuleren van requestenbewegingen onder de bevolking ten plattelande en in de kleine en grote steden, en schrijft het anoniem verschenen pamflet: "Aan het Volk van Nederland". Als gevolg van deze acties wordt de Ridderschap gedwongen tot Van der Capellen's readmissie op 1 november 1782.
Tevens biedt de periode van voorlopige schorsing Van der Capellen gelegenheid zijn correspondenties uit te breiden, waarbij de briefwisseling met belanghebbenden in Franse en Amerikaanse zaken - bijvoorbeeld met Adams, Franklin, Livingston - vooropstaat. Zo wordt hem verzocht, de mogelijkheden tot vestiging van een Amerikaans gezantschap in de Republiek te onderzoeken, hetgeen een begin vormt van zijn contacten met de patriotten in Holland. Tevens beijvert Van der Capellen zich, interesse te kweken voor deelname Amerikaanse leningen, waarbij o.m. Diriks, De Neufville en Erkelens binnen zijn gezichtsveld komen.
Dit zijn ook de jaren waarin reizende propagandisten als Paul Jones en Stephen Sayre contacten leggen met amerikaansgezinden in de Republiek. Met mensen als Bérenger, De Breteuil en De la Vauguyon tenslotte, handelt de correspondentie bovendien over een mogelijke alliantie met Frankrijk.
Van november 1782 tot april 1783 breidt Van der Capellen zijn provinciale akties uit, en bevordert de instelling van burgercommissies en de oprichting van vrijcorpsen. Zijn handelingen in de Statenvergadering blijven beperkt tot de opnieuw te verwachten begeving der commissies. In de zomer van 1783 kan Van der Capellen tijdens een reis door Utrecht en Holland zijn contacten met de patriotten aldaar enigszins uitbreiden, doch op de regentenvergaderingen, dat najaar in Amsterdam gehouden, heeft hij weinig in te brengen.
Het advies over de mogelijke alliantie met Frankrijk, op 12 december 1783 is Van der Capellens laatste actie in de Statenvergadering: het conflict rond de overstemming, dat reeds geruime tijd bestond, leidt de dag daarna tot een scheuring tussen Ridderschap en Steden.
De hierop volgende maanden wordt de toch reeds zwakke gezondheid van Van der Capellen, na de inspanningen van laatste jaren, nog extra belast door huiselijke moeilijkheden.
Joan Derk van der Capellen overlijdt op 6 juni 1784.
Geschiedenis van het archiefbeheer
Omtrent het lot van Van der Capellen's nagelaten papieren worden ons de oudste gegevens verstrekt door W.H. de Beaufort,
de Beaufort: Brieven, pp. V, VI.
die melding maakt van de belangstelling van Jacobus Scheltema (1767-1835) voor deze stukken, en van de bereidheld van Capellen's enig kind, de latere gravin van Rechteren Westerveld, om de schrijver hierin tegemoet te komen. Scheltema meldt in 1805 evenwel, dat vele geschriften en andere stukken van Van der Capellen reeds vernietigd blijken te zijn.
J. Scheltema: Staatkundig Nederland, Amsterdam, 1805. I, p. 231.
De meeste stukken komen tenslotte in handen van Godert W. graaf van Rechteren van Appeltern, een achterkleinzoon van Van der Capellen; een gedeelte komt in het bezit van een andere achterkleinzoon, J.D. van Hasselt, welke evenwel omstreeks 1875 alle stukken van zijn overgrootvader schenkt aan de Vereeniging tot Beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis.1) Het zijn deze beide verzamelingan welke de Beaufort heeft gebruikt voor zijn publicatie van een keuze uit Capellen's correspondentie (1879).
De stukken welke in 1891 door het Algemeen Rijksarchief werden aangekocht, zijn afkomstig van de graaf van Rechteren; van die, welke men in 1889 verwierf, mag worden aangenomen dat zij eveneens van deze afkomstig zijn.
Archief van het Algemeen Rijksarchief, no.630. Brief van graaf van Rechteren d.d. 21 april 1891, aan Van Riemsdijk.
Op 21 maart 1889 bericht de rijksarchivaris in de provincie Overijssel J.I. van Doorninck aan algemeen rijksarchivaris Van Riemsdijk, dat "de brieven van Van der Capellen" welke aan boekhandelaar Gouda Quint te Arnhem ter verkoop zijn aangeboden, naar hun inhoud niet in zijn provinciaal archief behoren. Derhalve zal Van Doorninck dusdanig manipuleren, dat de stukken niet door de Vereeniging tot Beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis, maar door Van Riemsdijk ten bate van het rijk gekocht zullen kunnen worden.
Het is echter Frederik Muller & Co. te Amsterdam, die dankzij een hoger bod de papieren bemachtigt
zie 3), waar Van Rechteren tevens meldt dat Muller kocht in opdracht van "eene familie die ook Van der Capelle heet".
, doch deze firma toont zich achteraf bereid, de collectie voor f.350,- aan het rijk te verkopen, op welk aanbod de algemeen rijksarchivaris op 9 april 1889 ingaat
Arch. v.h. A.R.A., no. 629.
. Een voorlopige inventaris verschijnt in de Verslagen omtrent 's Rijks Oude Archieven, 1889: de stukken worden vermeld als Aanwinsten 1889, 29a-dd. Over de stukken welke het Algemeen Rijksarchief in 1891 verwierf is het volgende bekend. Op 21 maart 1891 meldt de rijksarchivaris in de provincie Gelderland, J.F. Bijleveld, aan Van Riemsdijk de te verwachten verkoop van papieren uit het bezit van Mr. Godard W. graaf van Rechteren van Appeltern, waaronder stukken, afkomstig van Van Bassenn en Van der Capellen. Op 21 april 1891 bericht Van Rechteren aan Van Riemsdijk dat de te verkopen collectie stukken van wel zeer uiteenlopende herkomst en aard bevat. "Het gebeurde met Muller" heeft Van Rechteren ontstemd en doet hem ertoe besluiten, ditmaal de gehele verzameling, gelijk hij zegt "bruto", door Gouda Quint te laten verkopen5). Op 27 april 1891 geeft Bijleveld aan Van Riemsdijk schriftelijke adviezen naar aanleiding van de plannen van Van Rechteren.
Nadere gegevens over de aankoop door het Algemeen Rijksarchief, welke tenslotte op 26 oktober 1891 tot stand komt
Arch. v.h. A.R.A., no. 630.
, ontbreken vooralsnog. Een voorlopige inventaris verschijnt in bovengenoemde "Verslagen", 1891, waar de stukken worden vermeld als Aanwinsten 1891, no.211 1-6
De verwerving van het archief
Het archief is door aankoop verworven.