1.13.01 Inventaris van het archief van G.J. Beeldsnijder van Voshol [levensjaren 1791-1853], 1413-1849

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Ik heb het begrepen

Inhoud en structuur van het archief

Inhoud

Volgens de nog bestaande Aanwinstenlijst bestond het uit de huidige inv.nrs. 1-132 en 142-143 en later overgebrachte stukken
Aanwinstenlijst Eerste Afdeling (inventariskamer)
. De stukken die het Rijksarchief ontving werden door Algemeen Rijksarchivaris L.P. van den Bergh over het algemeen als onbelangrijk aangemerkt ('beter geschikt voor bibliotheken'). Als belangrijk zag hij stukken uit het archief van de Admiraliteit van Zeeland ('uit het door brand en roof jammerlijk geschonden archief van het Ministerie van Marine'), stukken betreffende Buren, brieven van Jacoba van Beijeren, Philips II, Michiel A. de Ruyter en Willem de Groot, de briefwisseling van de graven van Mansveld en enkele historische oorkonden; een ondertekende brief van Jacoba van Beijeren uit 1436, een handvest van dezelfde Jacoba voor de Grote Waard van Zuid-Holland uit 1417 en enkele brieven van de hertogen van Gelre (o.a. een brief aan Paus Urbanus)
Er ontbreken enkele stukken.

Verantwoording van de bewerking

In 1921 vroeg de Algemene Rijksarchivaris R. Fruin aan de minister machtiging om de 'daar nog altijd berustende autografenverzameling Beeldsnijder van Voshol ' op te ruimen. Volgens Fruin waren slechts betrekkelijk weinig stukken van de collectie archiefstukken die 'natuurlijk met de archieven waaruit zij afkomstig zijn, vereenigd moeten worden'. De overige stukken vond hij van meer waarde voor de handschriftencollecties van de verschillende Rijksarchieven in de provincie of bibliotheken ('brieven van geleerden en professoren'). Hij liet de verzameling in twee delen splitsen; 'stukken die in Rijksarchieven thuis behooren of er althans kunnen worden geplaatst, en andere voor bibliotheken bestemd'. De laatst genoemde stukken werden aan de bibliothecaris Molhuyzen van de Koninklijke Bibliotheek gestuurd met het verzoek er uit te halen wat voor bibliotheken van waarde was
VROA, 1921, 1e deel, p. 77.
.
Molhuyzen gaf aan hoe de stukken verdeeld moesten worden en na machtiging van de minister stuurde Fruin de stukken naar de Koninklijke Bibliotheek en de universiteitsbibliotheken van Leiden, Utrecht, Groningen en Amsterdam.
De overgebleven stukken werden tenslotte beschreven door Fruin; de inventaris verscheen in de VROA van 1922.
VROA 1922, p. 41 en p. 69 e.v.
Deze inventaris liep echter slechts tot inv.nr. 131, terwijl de collectie in het depot pas bij inv.nr. 152 eindigde. Het blijkt nu, volgens de oude Aanwinstenlijst, dat de overige inventarisnummers gewoon deel hebben uitgemaakt van de collectie en om onduidelijke redenen niet in de oude inventaris zijn opgenomen
Inv.nr. 132, het adelsdiploma van Van Oldenbarnevelt zou volgens de oude Aanwinstenlijst zijn geplaatst in de handschriftencollectie van de Derde Afdeling (RAZH). Dit is echter niet gebeurd.
.
Van de door Fruin beschreven inventarisnummers zijn later nog enkele overgebracht naar andere archieven. Deze nummers zijn in deze inventaris gemerkt.
Tot inv.nr. 131 is de oude inventaris van Fruin bijna integraal overgenomen. Alleen wat al te uitvoerige N.B. 's zijn verwijderd of ingekort en hier en daar is de spelling aangepast .
Overgebrachte inventarisnummers zijn herkenbaar aan het doorgehaalde nummer. In een N.B. wordt de nieuwe vindplaats genoemd.