Instelling
Na de verlening van surséance van betaling aan het Rijn-Schelde-Verolme-concern (RSV) op 9 februari 1983 door de Arrondissementsrechtbank in Rotterdam hielden de vaste commissies voor Economische Zaken en voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 9 en 10 februari 1983 openbare hoorzittingen, waarbij betrokkenen bij RSV gehoord werden. Deze hoorzittingen vormden de aanzet tot het houden van een parlementaire enquête inzake RSV.
Op 16 maart 1983 deed de vaste Commissie voor Economische Zaken een formeel voorstel aan de voorzitter van de Tweede Kamer tot het instellen van een enquête over RSV. De openbare behandeling van het voorstel geschiedde op 23 maart 1983. De instelling van de Enquêtecommissie RSV vond op 24 maart 1983 plaats.
TK Bijlagen, 17817 nrs. 1-2; TK Handelingen 1982-1983, p. 3270-3287 en 3332-3333.
Dezelfde dag is de commissie met haar werkzaamheden begonnen. Het Kamerbesluit werd op 30 maart 1983 in de Nederlandse Staatscourant, nr. 63 gepubliceerd. Op 7 april 1983 werd de aanvang van de werkzaamheden van de commissie in een aantal landelijke dagbladen bekendgemaakt.
Organisatie en werkwijze
De voorzitter van de Tweede Kamer heeft, in overleg met de fracties, negen leden, elk met een plaatsvervanger, tot de Parlementaire Enquêtecommissie RSV benoemd.
TK Handelingen 1982-1983, p. 3332-3333. Lijst van de leden en medewerkers van de Parlementaire Enquêtecommissie RSV is opgenomen in bijlage 1 van deze inventaris
Na de aanvang van de werkzaamheden heeft de Enquêtecommissie in de brief van 14 april 1983 de opvattingen over haar taakopdracht weergegeven.
TK Bijlagen, 17817 nr. 5
De commissie heeft haar werk in twee fasen ingedeeld: de eerste fase bestond uit het houden van een vooronderzoek aan de hand van schriftelijke informatie en informele gesprekken, en de tweede fase uit het houden van de openbare verhoren.
Voor het voorbereidend onderzoek (eerste fase) heeft de RSV-commissie een functionele opdeling in twee subcommissies toegepast: subcommissie I (subcommissie RSV) werd belast met de studie naar de gang van zaken bij het RSV-concern zelf en subcommissie II (subcommissie Overheid) ging het overheidshandelen in de RSV-zaak onderzoeken.
TK Bijlagen, 17817 nr. 7
In het vooronderzoek werd de commissie ondersteund door twee groepen medewerkers: de externe onderzoekers belast met onderzoek naar het functioneren van het RSV-concern (subcommissie I) en de interne onderzoekers voor het onderzoek naar het functioneren van de overheid (subcommissie II). De benaming "externe onderzoekers" werd gebruikt omdat ze in tegenstelling tot de "interne onderzoekers" niet afkomstig waren uit de overheidsinstellingen.
De werkwijze van de Enquêtecommissie RSV is uitvoerig in het 'Verslag', band 3, behandeld; TK Bijlagen, 17817 nr. 17.
Op basis van het vooronderzoek dat bijna één jaar duurde, werd een programma van verhoren samengesteld. Hierop trad de tweede fase van het enquêteonderzoek in werking, de openbare verhoren.
TK Bijlagen, 17817 nr. 11.
De openbare verhoren werden in drie series gehouden volgens de indeling in perioden:
- commissie Keyzer tot en met de grote fusie (1965-1971);
- de fusie tot en met het kabinet Den Uyl (1971-1977);
- kabinet Van Agt I tot en met de surséance (1977-1983).
Het eerste verhoor werd op 12 januari 1984 en het laatste op 17 oktober 1984 afgenomen.
Op 10 december 1984 bracht de Parlementaire Enquêtecommissie RSV haar eindrapport uit. De hoofdrapportage bestaat uit twee verslagen (A en B). In verslag A zijn de onderzoeksresultaten verwerkt en verslag B beschrijft de uitgevoerde werkzaamheden.
Daarnaast zijn afzonderlijke bijlagen, rapporten van interne en externe deskundigen en verslagen van verhoren gepubliceerd (zie de inventarisnummers 633-641).
Het geheel is in de Handelingen van de Tweede Kamer opgenomen.
Verslag van de Enquêtecommissie Rijn-Schelde-Verolme (RSV) in: TK Bijlagen, 17817 nrs. 16-21.
16 delen: 1-2: Opkomst en ondergang van Rijn-Schelde-Verolme; 3: Werkwijze en procedures; 4-7: Bijlagen; 8: Rapport interne deskundigen; 9-12: Rapport externe deskundigen; 13-16: Verhoren