1956
In dit jaar legde H.J. van Meerendonk het examen middelbaar archiefambtenaar af met een rapport over de opzet van een inventaris van het archief van de Afdeling Kunsten en Wetenschappen en een voorstel tot nadere beschrijving van de hoofdrubriek 'Archieven'. Dit rapport bevatte een afweging van de mogelijkheden tot verordening van het archief, die de inventarisator voor ogen stonden, en die als volgt werden opgesomd:
- Zoals oorspronkelijk de bedoeling is geweest, n.l. in tijdrekenkundige orde ingevolge de dagtekeningen en nummer der agenda's' ('herstel van het verbaal' dus, J.B.)
- Perfectioneren van de bestaande rubrieken. Het restant in een bevredigend rubriekenstelsel brengen.
- De toestand waarin het archief is geraakt accepteren. De beschrijving verbeteren. Foutief geplaatste rubrieken omzetten. Het onderlinge verband logischer bepalen.'
H.J. van Meerendonk, Inleiding op de inventaris..., p. 6/7.
Van Meerendonk koos voor mogelijkheid 3, beschreef de rubrieken volgens een schematische indeling en hield een grote rubriek 'Archieven-varia' over, die hij niet nader benoemde. Verder stelde hij een lijst op van de zich in het archief bevindende monumenten-dossiers en stelde hij een hoofdindeling van het gehele archief voor met de volgende hoofdstukken: I. Monumentenzorg, II. Zorg voor de Rijksgebouwen III. Museumwezen (= roerende monumenten), IV. Archeologische school in Athene, V. Bevordering van de beeldende kunst, VI. Bevordering van toonkunst, VII. Archiefwezen, VIII, Publicatiën, IX. Bibliotheek- en leeszaalwezen, X. Tentoonstellingen, XI. Congressen, XII. Zoölogische stations te Den Helder en Napels.
1973
Aan de hand van dit schema werd in 1973 door de Tweede Afdeling een werkplan vastgesteld voor een door meer personen uit te voeren inventarisatieproject
Correspondentie van de Tweede Afdeling van het Algemeen Rijksarchief, 1973, D 10.50.
. Geconstateerd werd dat bij de indeling van Van Meerendonk de ca. 15 m' grote rubriek 'Algemeen' - het rudiment van de oude chronologische serie - buiten beschouwing was gelaten. De veronderstelling van Van Meerendonk dat deze chronologisch geborgen stukken via klapper en agenda nog konden worden opgespoord, werd gelogenstraft door de structuur van de rubriek zelf, waar 'dossiers' met uit verscheidende jaren samengevoegde stukken de bedoelde orde hadden verstoord: de rubriek was een ontoegankelijke vergaarbak geworden. Daarnaast bleek dat niet zelden stukken over één bepaalde zaak over verschillende rubrieken verspreid waren geraakt, ook al hadden zij onderling verband. Men moest dus tot een nieuwe indeling kome en men gebruikte het schema van Van Meerendonk als uitgangspunt: I. Monumenten II. Gebouwen, III. Musea, IV. Beeldende kunsten, V. Uitvoerende kunsten, VI. Archieven, VII. Wetenschap, VIII. 'Algemeen-diversen' of nader in te delen stukken. Door de verschillende medewerkers zouden deel-inventarissen worden vervaardigd, die later zouden worden samengevoegd. Zo ontstond in 1974 het examenstuk van S.F.M. Plantinga: de beschrijving van stukken die waren ondergebracht in de rubriek 'Rijksmuseum' over de jaren 1875-1918)
S.F.M. Plantinga, Inventaris van de archiefbestanddelen van de Afdeling Kunsten en Wetenschappen van het Departement van Binnenlandse Zaken met betrekking tot het Rijksmuseum te Amsterdam, 1875-1918. (Den Haag, 1974).
. Ook hier werden de bestaande rubrieken als uitgangspunt van de beschrijving genomen, maar bij de beschrijving werd de door Van Meerendonk aangegeven 'mogelijkheid 2' toegepast.
1978-1979
In die jaren werd in het kader van de voorbereiding van de verhuizing van het Algemeen Rijksarchief in 1980 de grote rubriek 'Algemeen' geselecteerd en voorlopig geordend door M.G.H.A. de Graaff en H.A.J. van Schie. Zij stelden een lijst op aan de hand waarvan de stukken mogelijkerwijs in de bestaande rubrieken konden worden ingevoegd. In die periode voltooide ondergetekende voorlopige inventarissen betreffende 'Archieven', 'Gebouwen', 'Beeldende kunsten', 'uitvoerende Kunsten', 'Letterkunde' en 'Wetenschap en Kennisverbreiding'. Hij beschreef hierin slechts de stukken die in 1954 als afkomstig van de Afdeling Kunsten en Wetenschappen werden overgedragen. Tegelijkertijd echter stelde de Tweede Afdeling een beleidsplan op, waarin werd besloten om alle archivalia van de Ministeries van Binnenlandse Zaken, van Waterstaat, Handel en Nijverheid, van Landbouw, Nijverheid en Handel en de daaropvolgende ministeries zoveel mogelijk volgens het bestemmingsbeginsel te herordenen.
Dit betekende dat het archief van de Afdeling Kunsten en Wetenschappen in de jaren 1980-1982 alsnog werd aangevuld met de stukken betreffende de universiteitsgebouwen, de Koninklijke Akademie van Wetenschappen en de Rijkscommissie voor Graadmeting en Waterpassing (in 1954 aangetroffen in het archief van de Afdeling Hoger Onderwijs)
Van Meerendonk nam aan, dat deze stukken aan de Rijksgebouwendienst waren overgedragen.
, de tekenscholen en kunstacademies (in 1954 aangetroffen in het archief van de Afdeling Nijverheidsonderwijs), de gebouwen van Landbouwscholen (in het archief van de Directie van de Landbouw aangetroffen) en de Rijksveeartsenijschool, de Rijkskweekscholen voor Vroedvrouwen en de Rijksquarantaine- inrichting (in het oud-archief van het Ministerie van Volksgezondheid en Milieuhygiëne aangetroffen). AI deze stukken waren geagendeerd door de Afdeling Kunsten en Wetenschappen en droegen haar registratuurkenmerken.
Ook werden er stukken uit het archief verwijderd. De begrenzing werd vastgesteld in overeenstemming met de periode waarin de Afdeling Kunsten en Wetenschappen binnen het Ministerie van Binnenlandse Zaken functioneerde: stukken uit de periode voor 1 juli 1875 werden in het archief van de Afdeling Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen terug geborgen op de plaats waar soms de aanvraagbriefjes van de ambtenaren nog werden aangetroffen. De totale omvang hiervan was ca. 2 meter. Daarnaast gingen enige decimeters archief terug naar de archieven van de Afdelingen Algemene Zaken en Comptabiliteit, Kabinet en Waterstaat. Stukken over de periode na 1918 werden geruild met wat er nog in het oud-archief van het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen berustte. De omvang hiervan was 0,5 meter. Slechts één uitzondering werd gemaakt: de concept-archiefverslagen, die door Victor de Stuers werden verzameld en tot één bundel geordend, konden niet meer worden teruggevoerd, zijn bijeengehouden en in de rubriek Archiefwezen ondergebracht.
Op dezelfde manier werden de rubrieken intern behandeld. De stukken betreffende het Rijksmuseum over de jaren 1875-1885 werden uit deze rubriek verwijderd en onderverdeeld in nieuwe rubrieken betreffende de musea die aan het Rijksmuseum voorafgingen. Dit betekende een fundamentele wijziging van de 'inventaris-Plantinga'. Op die manier ontstond een rubrieksgewijze ordening, waarin zoveel mogelijk de objecten onderwerp van beschrijving werden. Een volledige aanpassing van de ordening aan de indeling van de standaardcode van de Algemene Classificatiecommissie voor de Overheidsadministratie (ACCO) werd afgewezen. In de moderne code zouden stukken betreffende de organisatie en het personeel van de afdeling stukken betreffende onder de afdeling vallende instellingen die over hetzelfde onderwerp gaan in één of twee rubrieken worden ondergebracht (07/08). De oorspronkelijke rubriekvorming zou erdoor worden verbroken.
Vorming van personeelsdossiers op naam bleek onmogelijk: veelvuldig werden in één beschikking meer personen benoemd, bevorderd of ontslagen en niet zelden ging het ontslag van een persoon gepaard met de benoeming van zijn opvolger. Personeelsgegevens tot en met 1911 kunnen via de tractementsregisters van het Ministerie van Binnenlandse Zaken worden opgespoord.
De hoofdindeling kreeg derhalve een functioneel karakter: nadat agenda's, indices en klappers in een afzonderlijke afdeling zijn ondergebracht, is de correspondentie zelf ('het gewijzigd verbaal') onderverdeeld in een kleine rubriek organisatie (namelijk van de afdeling zelf) en een elftal taakrubrieken. De taken bepalen de indeling, zoals zij in de inhoudsopgave is aangegeven. Stukken betreffende instellingen en organen die op grond van deze taken in het leven geroepen waren en betreffende personeelszaken van deze instellingen, zijn onder de desbetreffende hoofdrubrieken ondergebracht. Dit geldt ook voor de objecten, die onder de competentie van de desbetreffende instellingen vielen: de personeelsaangelegenheden van het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden zoeke men onder de rubriek Musea, maar stukken over het gebouw onder de rubriek Zorg voor gebouwen, omdat het museumlokaal een universiteitsgebouw was, dat onder toezicht viel van de rijksbouwkundige voor gebouwen van onderwijs. Daarentegen zijn de talrijke stukken betreffende de bouw van het Rijksmuseum, die geschiedde door de architect voor de rijksmusea, alle onder de rubriek zorg voor musea geplaatst.
Dit indelingsbeginsel op grond van bemoeienis of taak bleek het enige hanteerbare criterium te zijn voor een wederzijds uitsluitende classificatie van de beschrijvingen. Hoe anders bijvoorbeeld overheidsgebouwen te plaatsen, die tevens een monumentaal karakter hebben gehad of een onderscheid te maken tussen roerende monumenten die al dan niet in een museum zijn opgenomen? Het Amsterdamse Trippenhuis was rijksmuseum (tot 1885), monumentaal pand en zetel van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen. Stukken hierover werden oorspronkelijk aangetroffen in de drie rubrieken Rijksmuseum, Monumenten en Koninklijke Akademie etc. en zijn nu ondergebracht onder Zorg voor monumenten, Zorg voor musea en Zorg voor wetenschap en kennisverbreiding
En wel in inventarisnummers 776, 777, 1630, 1631 en 3307.
. In de beschrijving van de verschillende inventarisnummers zijn daarom over en weer verwijzingen aangebracht. Dit verklaart ook het naast elkaar bestaan van 'acquisitiedossiers' van het Nederlands Museum in Den Haag en van de Afdeling Nederlands Museum in het Rijksmuseum in Amsterdam over de periode 1875-1885: De Stuers en Cuypers legden namelijk verzamelingen aan die in het Rijksmuseum zouden worden geplaatst, maar waarvoor in Den Haag kennelijk nog geen plaats was
Vgl. inventarisnummers- 1774-1777
. De inhoudsopgave van de gehele inventaris moest zich tot de hoofdindeling beperken. Een weergave van het gehele schema zou een twintigtal pagina's vergen en de overzichtelijkheid niet verhogen. Voor de nadere indeling wordt de raadpleger verwezen naar het begin van de beschrijving van de desbetreffende rubriek, hetgeen als bijkomend voordeel heeft, dat indeling en beschrijving in dezelfde band van deze meerdelige inventaris voorkomen. Ogenschijnlijke inconsequenties in de indeling die het gevolg zijn van de taakverdeling binnen het ministerie worden in een N.B. onder het hoofdstuk in de inhoudsopgave nader verklaard, hetgeen ook het geval is met enkele eigentijdse termen als 'landsgebouwen'.
De inventaris werd in 1984 voltooid door drs J.A.A. Bervoets, chartermeester I bij de Tweede Afdeling van het Algemeen Rijksarchief.