1. Organisatie
Het is typerend voor de geringe bemoeienis van de overheid met economische aangelegenheden, dat voor beleidsterreinen als handel, nijverheid en landbouw tot in de 20ste eeuw geen afzonderlijk departement werd nodig geacht. Eerst bij de creatie eind 1877 van Waterstaat, Handel en Nijverheid werd (vrijwel) de gehele zorg voor de infrastructuur en de volkswelvaart bij één departement geconcentreerd.
De op 1 december 1813 benoemde commissaris-generaal voor Binnenlandse Zaken was belast met een zeer breed takenpakket, waaronder ook de nijverheid en de landbouw. De buitenlandse handel ressorteerde niet onder Binnenlandse Zaken, maar onder het Secretariaat, vanaf 1815 de Generale Directie voor Koophandel en Koloniën, met aan het hoofd J. Goldberg, die van 1798-1801 de eerste agent voor Nationale Oeconomie was geweest.
Bij een reorganisatie in 1817 werd Nationale Nijverheid en Statistiek een van de zes afdelingen van het departement van Binnenlandse Zaken, maar al in het jaar daarop gingen de nijverheid, de landbouw en de visserij over naar het nieuw opgerichte departement van Publiek Onderwijs, Nationale Nijverheid en Koloniën, waaronder ook de buitenlandse handel ressorteerde. Overigens behield het departement van Binnenlandse Zaken (het bureau Statistiek tot 1820, daarna het bureau Administratieve Politie tot 1823) een zeker toezicht op het bedrijfsleven. In april 1825 keerden landbouw, visserij en nijverheid terug naar Binnenlandse Zaken, waartoe een aparte administrateur werd aangesteld, die van zijn collega voor de Waterstaat onder meer de bemoeienis met de mijnen had overgenomen.
In 1826 werd bij Binnenlandse Zaken een Commissie voor de Statistiek. ingesteld, die toezicht moest houden op het tegelijkertijd opgerichte Bureau ‘voor de bearbeiding eener statistiek des Rijks’, dat tot 1831 heeft bestaan. In 1829 werd de eerste officiële volkstelling gehouden. Vanaf 1832 viel de statistiek onder de 1e afdeling Binnenlands Bestuur.
Als gevolg van de frequente wijzigingen in de departementale organisatie onder Willem I verhuisde de zorg voor nijverheid en landbouw in 1830 naar het nieuw gevormde departement van Waterstaat, Nationale Nijverheid en Koloniën, om met ingang van 1834 te worden overgebracht naar het departement van Buitenlandse Zaken. Bij al die reorganisaties bleef de afzonderlijke administratie voor de Nationale Nijverheid, vanaf 1828 onder leiding van J.T. Netscher, intact tot begin 1841. In dat jaar werden de taken verdeeld over verschillende departementen: Buitenlandse Zaken, Justitie, Financiën en Binnenlandse Zaken, bij welk laatste departement een aparte (9e) afdeling Nationale Nijverheid werd opgericht.
Erg belangrijk was die afdeling kennelijk niet, want in oktober 1849 werd deze als bureau Nijverheid ondergebracht bij de afdeling Generaal Secretariaat en Comptabiliteit. In oktober 1850 echter werd de afdeling heropgericht, vanaf 1854 onder de benaming Nijverheid en Telegrafie, tot in 1868 aparte afdelingen voor respectievelijk Telegrafie en voor Nijverheid werden geformeerd.
Werd onder de regering van koning Willem I een actief welvaartsbeleid gevoerd, in het midden van de 19de eeuw was de bemoeienis van het Rijk met het economisch leven tot het strikt noodzakelijke geslonken. In binnenlandse aangelegenheden gold het beginsel van `laissez-faire' en internationaal domineerde het streven naar vrijhandel. Typerend in dit verband is de reactie van koning Willem III op een verzoek van de ministers Thorbecke en Van Bosse in maart 1851 om verlof voor een bezoek aan de nijverheidstentoonstelling in Londen: de Koning zag niet in welk nut uit de reis kon voortvloeien gezien 'het tegenwoordig volgen van het beginsel, om industrie en handel te laten begaan, en niet meer regtstreeks invloed daarop uit te oefenen'.
2. Taken
In de eerste helft van de 19de eeuw werd de term 'nijverheid' vaak gehanteerd in de ruime zin voor elke economische activiteit behalve de handel, maar inclusief landbouw en visserij. De term 'fabriek' was synoniem met bedrijf in het algemeen. Hoewel handel en nijverheid nauw met elkaar samenhangen is in deze paragraaf toch gepoogd deze onderdelen gescheiden te behandelen.
2.1. Handel
Als adviescolleges van de regering fungeerden de Kamers van Koophandel, die in Nederland al onder het Franse bestuur waren opgericht. De leden van deze in de grotere steden gevestigde colleges werden tot 1851 door de Koning benoemd, daarna gekozen door patentplichtige ondernemers. Wel bleef koninklijke goedkeuring vereist voor oprichting van een Kamer.
Tot 1841 was de administratie van de Nijverheid belast met de goedkeuring (bij KB) van de statuten van naamloze vennootschappen van koophandel; daarna lag deze taak bij Justitie en beperkte de rol van Nijverheid zich tot advisering.
Het toezicht op maten, gewichten en weegwerktuigen werd in Nederland pas mogelijk na de invoering van het metrieke stelsel onder het Franse bestuur. In 1816 werd dit stelsel formeel overgenomen en de ijk geregeld. De wet van 1869 voorzag in de oprichting van een aparte dienst op dit gebied, de Inspectie voor het IJkwezen. Tot 1868 vielen de voorbereiding van de wet- en regelgeving en het toezicht op de ijk van maten en gewichten onder de afdeling Binnenlands Bestuur, daarna onder de afdeling Nijverheid.
Op het terrein van de buitenlandse handel poogde de regering van Willem I de handelsbelangen van het Noorden te verzoenen met die van de opkomende industrie in België, die protectie verlangde. De oprichting van de Nederlandsche Handel-Maatschappij (1824) had primair als doel de export van Nederlandse producten te bevorderen.
De administratie van de Nijverheid was betrokken bij de consulaire dienst en de via deze ingewonnen handelsberichten. Bij de opheffing, begin 1841, van de toen onder Buitenlandse Zaken vallende Administratie van de Nijverheid raakte het handelsbeleid verbrokkeld over verschillende departementen: zo bleven de handelsberichten en de 'commerciële negotiatien' (handelspolitiek en handelsverdragen) vallen onder Buitenlandse Zaken, maar gingen de in- en uitgaande rechten, de Rijn-, Maas- en Scheldevaart over naar Financiën, de vennootschappen van koophandel naar Justitie en de contacten met de Kamers van Koophandel alsmede de premieverlening en het viseren van certificaten van oorsprong voor goederen bestemd voor Indië naar Binnenlandse Zaken.
Rond het midden van de 19de eeuw domineerde internationaal en ook in ons land het streven naar vrijhandel. Bij de tariefwetten van 1845 en 1862 werden de invoerrechten fors neerwaarts herzien. Voorzover van een economisch beleid kan worden gesproken, stond dit in deze decennia voornamelijk ten dienste van de handel met het buitenland.
2.2. Nijverheid
Onder de regering van koning Willem I is, zeker ten tijde van het Verenigd Koninkrijk (1815-1830), een actief nijverheidsbeleid gevoerd. Dit werd mogelijk met behulp van gelden uit het in 1825 opgerichte Fonds voor de Nationale Nijverheid dat schenkingen, subsidies en leningen of voorschotten verstrekte. Vooral ondernemers in de Zuid-Nederlandse provincies, zoals Cockerill in Luik, profiteerden van dit beleid. De scheepsbouw werd gestimuleerd door subsidies, maar ook door bij de vaart op Indië exclusief van Nederlandse schepen gebruik te maken.
Het Fonds voor de Nijverheid verkreeg zijn middelen uit de opbrengst van de in-, uit- en doorvoerrechten en voorts uit een lening van het Amortisatiesyndicaat, welke instelling ook het geldelijk beheer van het Fonds voerde. Rond 1840 was de rol van het Fonds goeddeels uitgespeeld. Wel verleende de overheid incidenteel steun aan tentoonstellingen op het gebied van de nijverheid.
Meer samenhangend met de rol van de overheid bij de handhaving van de openbare veiligheid was het toezicht op de plaatsing van stoomtoestellen en op de oprichting en wijze van inrichting van bedrijven die gevaar, schade of hinder konden veroorzaken. Voor deze zaken, ook wel aangeduid als het 'technisch gedeelte der nijverheid', werden in 1824 regelingen getroffen die lange tijd van kracht zouden blijven. Voor het gebruik van stoomtoestellen was toestemming vereist van de betrokken minister, die zijn besluit baseerde op het rapport van deskundigen en vanaf 1855 van de Dienst voor het Stoomwezen. Bij de hinderwetzaken gold een werkverdeling tussen het Rijk en de lagere overheden (gemeenten en provincies). Het stoomwezen viel tot 1893 onder de administratie van de Nijverheid, de hinderwetzaken tot 1868 onder de afdeling Binnenlands Bestuur en van 1868 tot 1893 eveneens onder Nijverheid.
De verlening van octrooi op uitvindingen van voorwerpen van nijverheid en kunst was tot 1851 binnen het departement van Binnenlandse Zaken een taak van de afdeling Onderwijs, vanaf dat jaar van de afdeling Nijverheid. Het octrooirecht was in 1817 wettelijk geregeld, waarbij werd bepaald dat de verlening door de Koning zou worden verleend. In 1869 werd het octrooirecht als in strijd met het beginsel van vrijheid van bedrijf afgeschaft. Wel hield de overheid, in casu het departement van Justitie (2e afdeling) een taak bij de regeling van en het toezicht op het gebruik van fabrieks- en handelsmerken.
3. Archieven
Stukken betreffende de nijverheid uit de jaren 1813-1817 (dus vóór de oprichting van een aparte afdeling Nijverheid) berusten in het algemeen verbaal van Binnenlandse Zaken (toegang 2.04.01). Beleidsstukken over de gehele periode 1813-1877 kunnen ook voorkomen in de kabinetsarchieven van de departementen, waaronder nijverheid en handel ressorteerden.
3.1. Periode 1817-1825
Afdeling Nijverheid, bureau Statistiek, bureau Administratieve Politie 1817-1823
De archieven van deze afdelingen zijn geordend volgens het dossierstelsel. De dossiers uit de jaren 1817-1820 zijn genummerd van 1 tot 894, die uit de jaren 1820-1823 van 1 tot 488. Beide series zijn toegankelijk via de klappers op het repertorium. Deze klappers zijn in feite index en klapper tegelijk: het achterste deel bestaat uit een klapper op persoonsnamen, het voorste bevat de korte omschrijvingen van de ingeschreven dossiers onder bepaalde hoofden. In beide gedeelten wordt verwezen naar het dossiernummer in het repertorium. Grotere hoofden of rubrieken zijn: fabrieken en trafieken (vooral 1817-1818), landbouw (idem), marktprijzen, scheeps- en schuitenveren, postwagens, levensmiddelen, visserij.
In het repertorium zijn alle ingekomen en uitgaande stukken betreffende een zelfde zaak onder één (dossier-)nummer ingeschreven. Was er te weinig ruimte, dan vervolgde men de inschrijving verderop in het deel en wel achter het (op dat moment) laatste gebruikte nummer. Daardoor raakte de numerieke volgorde in het repertorium verstoord. Bij de dossiers ontbreken nogal wat nummers: deze zijn soms overgedragen aan het in 1818 gevormde departement van Onderwijs, Nationale Nijverheid en Koloniën. Sommige 'dossiers' zijn in feite verzamelingen, zoals nummer 487: een zestal pakken met staten van geboorten, huwelijken en overlijden in alle provincies uit de jaren 1814-1819.
Het archief van het bureau Administratieve Politie (1820-1823) bevat geen dossiers over landbouw en nijverheid in strikte zin, wel stukken betreffende het toezicht over bepaalde bedrijfstakken (vooral het binnenlands vervoer) naast bescheiden die meer het Binnenlands Bestuur betreffen zoals bevolkingsregistratie, grensscheidingen tussen gemeenten e.d.
Afdeling Nijverheid en Koophandel 1818-1825
Het archief is geordend volgens het agendastelsel (variant A). Wel werd gewerkt met een 'répertoire', dat echter bij nader beschouwing meer weg heeft van een agenda, waarin de ingekomen en uitgaande stukken werden ingeschreven met een over de gehele periode doorlopende nummering (1-15.556). De minuut en het bijbehorende ingekomen stuk hebben hetzelfde (répertoire-)nummer en zijn bij elkaar geborgen. Als in een latere fase opnieuw stukken over een zelfde zaak werden gewisseld, dan kregen deze een nieuw (hoger) répertoire-nummer: in het répertoire werd dan verwezen naar voorgaande en/of volgende nummers. Een klapper op persoons- en plaatsnamen en op zaken verwees naar het volgnummer in het répertoire.
3.2. Periode 1825-1841
In deze periode werd bij de archiefvorming het verbaalstelsel-1823 aangehouden. Verbaal en agenda's bestaan uit twee series: de serie gemerkt A betreft de stukken die formeel door de minister zelf zijn afgedaan, de serie gemerkt G de stukken waarbij de afdoening aan de administrateur van de Nationale Nijverheid was gedelegeerd. De indices 1825-1831 en répertoires (1832-1841) waren wel gemeenschappelijk: ze geven tevens aan of een stuk in verbaal-A of verbaal-G is geborgen. Tot en met het jaar 1831 is sprake van klassieke indices met registratie van stukken onder hoofden, vanaf 1832 zijn de répertoires in feite agenda's met een doorlopende nummering. De klappers verwijzen tot en met 1831 naar de pagina van de index, vanaf 1832 naar het répertoirenummer.
Over de gehele periode zijn de ingekomen stukken, te herkennen aan het in rode inkt geschreven exhibitumnummer, geborgen op datum en nummer van de minuut waarbij de afdoening plaats vond. Soms bevinden zich daarbij tevens stukken uit een eerdere fase van behandeling. Het is dus zaak in de indices vooral te letten op de minuten, dus de stukken waarvan de registratie begint met het woord 'Aan'. Binnen het verbaal zijn de minuten te herkennen aan het kenmerk 'Gearresteerd' (gevolgd door datum en nummer).
Veel stukken, ingeschreven in de A-agenda van de minister, gingen om rapport naar de administrateur (en werden na ontvangst van diens advies als A-stuk afgedaan) of werden aan de administrateur ter afhandeling overgedragen. Ook in de agenda's A en G werd deze overdracht van de stukken van A naar G en vice versa aangetekend. Het verbaal van de laatste is omvangrijker dan dat van de minister.
Over de periode 1825-1831 werd een afzonderlijk verbaal 'Mijnen' gevormd, met agenda's, indices en klappers. Vanaf juli 1831 zijn de stukken betreffende het mijnwezen opgenomen in het verbaal Nijverheid: een aparte administratie was na de afscheiding van België overbodig geworden.
In het archief zijn bepaalde stukken buiten verbaal gehouden, waaronder die betreffende de goedkeuring van de statuten van naamloze vennootschappen (1816-1841) en registers van verleende octrooien op de terreinen nijverheid en landbouw (1817-1869).
3.3. Periode 1841-1877
In deze periode, waarin de afdeling ressorteerde onder Binnenlandse Zaken, werd het verbaalstelsel-1823 toegepast. De indices vertonen vanaf 1842 het klassieke model, met inschrijving van stukken onder hoofden; voorin zit een nummerlijst en een enkele keer ook een hoofdenlijst. Grotere rubrieken in het willekeurig genomen peiljaar 1860 zijn: fabrieken (beroepen tegen besluiten van Gedeputeerde Staten inzake oprichting of uitbreiding), handel en scheepvaart, Kamers van Koophandel, meteorologie (toezicht op het KNMI), middelen van vervoer, mijnen, octrooiverlening, postwagens (verlening vergunningen), stoomboten, stoomwezen (verlening vergunningen voor plaatsing van stoomketels), visserij. De klappers, overigens niet over alle jaren bewaard gebleven, hebben aparte kolommen voor persoonsnamen en voor geografische namen en zaken.
De gewoonte om twee verbalen aan te houden, voor de minister en de chef van deafdeling, kwam vanaf 1841 te vervallen: er kwam nu één verbaal. De wijze van berging bleef goeddeels dezelfde als in de jaren 1825-1841, al is er enige neiging om meerdere voorstukken bij de minuut van afdoening te plaatsen. Ook in deze jaren werd op de ingekomen stukken in rode inkt datum en nummer van ontvangst genoteerd, voorafgegaan door de afkorting Exh(ibitum); op het uitgaande stuk, met het kenmerk 'Gearresteerd', werd in de marge naar dit exhibitummer verwezen. Ook in deze periode bleven bepaalde stukken buiten verbaal, waaronder bescheiden betreffende de openbare middelen van vervoer.