De historische achtergronden en ontwikkelingen van de Bescherming Bevolking zijn uitgebreid beschreven in de volgende publicatie: 49. Van pro-actie tot nazorg. Een institutioneel onderzoek naar het deelbeleidsterrein brandweerzorg, rampenbestrijding en crisisbeheersing vanaf 1952 (samenstelling: W.D. Küller; ISBN 90-74442-57-9) 's-Gravenhage 1998.
Beknopt overzicht van de organisatie van de bescherming van de bevolking
Om tot een goede uitvoering van de taken op het gebied van de bescherming van de bevolking te komen moesten vrijwilligers aangetrokken worden die ten tijde van een ramp als noodwachters ingezet zouden worden. Aan de werving werd met steun van de regering gestalte gegeven door oprichting van de stichting tot Bevordering van de Bescherming van de Bevolking in januari 1952. De stafschool van de BB, de Schaffelaar te Barneveld, werd in 1952 in gebruik genomen. De werving van vrijwilligers begon officieel op 1 januari 1953. Toen op 31 januari 1953 in Zeeland en Zuid-Holland de watersnoodramp plaats vond, was de organisatie BB nog in een ontwikkelingsfase en kon weinig uitrichten. Wel kreeg de werving van vrijwilligers hierdoor een extra impuls.
De organisatie van de BB lag vooral bij de lagere overheden, al of niet in kringverband. Een kring werd gevormd door een aantal gemeenten samen en bestuurd door een kringbestuur. De rijksoverheid had een coördinerende taak, de lagere overheden organiseerden de uitvoering. De Wet op de noodwachten van 10 juli 1952 regelde de voorzieningen aangaande de noodwachten voor de bescherming van de bevolking, de personeelsvoorziening van deze noodwachten en de rechtstoestand van dit personeel. Naast vrijwilligers werden de plaatsen bij de noodwachten opgevuld door noodwachtplichtigen. Wanneer de omstandigheden dat zouden vereisen, zouden de noodwachtplichtigen bij Koninklijk Besluit worden opgeroepen voor de dienstverplichting bij de noodwachten en de noodwachtstaven. Noodwachten hadden tot taak op te treden in het belang van de bescherming van de bevolking. De noodwachtplicht rustte in regel op alle inwoners van het Rijk tussen de leeftijd van 18 en 65 jaar, met uitzondering van degenen die in werkelijke militaire dienst waren, hun militaire dienstplicht vervulden, moesten vervullen of vervuld hadden. De rechtstoestand van de noodwachters werd uitputtend in deze wet en de bijbehorende besluiten beschreven. Deze wet regelde uniform onder meer de aanspraken terzake van ziekte, invaliditeit, overlijden en vermissing en was van toepassing op alle groepen BB-personeel: beroepspersoneel, noodwachtplichtigen, vrijwillige noodwachters en degenen die na opdracht van de burgemeester deel uitmaakten van de noodwachtorganisatie.
Vanaf de tweede helft van de jaren vijftig daalde de populariteit van de BB in toenemende mate. Ook in andere landen werd de animo voor vrijwillige civiele verdediging minder. In Engeland bijvoorbeeld, werd de Civil Defense al in de jaren zestig opgeheven. Bij de behandeling van de Nota Hulpverlening bij Rampen en Ongevallen en de Nota Civiele Verdediging in de Tweede Kamer in 1975 bleek opnieuw dat de populariteit van de BB gedaald was. Als gevolg van de ontspanning bij de Koude Oorlog, het uitblijven van grote rampen en het toenemen van een anti-oorlogsstemming, daalde ook bij politici de belangstelling voor de civiele verdedigingsvoorbereiding en de BB. Mede als gevolg van de verplichte kringvorming en centrale gedetailleerde regeling door de rijksoverheid, kregen de kringbesturen en BB-hoofden steeds minder ruimte voor een eigen beleid en hadden de provinciale en gemeentebestuurders nauwelijks nog binding met de organisatie.
In maart 1980 kwam de minister van Binnenlandse Zaken met het plan om de gewondenverzorging bij rampen over te brengen van de BB naar de brandweer, het Rode Kruis en het Korps Mobiele Colonnes. De rest van de noodwachtorganisatie zou kunnen worden opgeheven. Intussen was aan het eind van de jaren '70 de brandweerzorg van de BB al geheel overgedragen aan de Hoofdafdeling Brandweer. De vaste Kamercommissie voor de civiele Verdediging was het in grote lijnen eens met het plan. De minister besloot de organisatie aan het nieuwe beleid aan te passen. In het land zou de brandweer het belangrijkste deel van de BB-taken overnemen dus werd op het ministerie de hoofdafdeling Organisatie BB samengevoegd met de Hoofdafdeling Brandweer tot de Directie Brandweer. Dit werd in 1982 gerealiseerd.
In 1983 besloot de minister, als gevolg van de bezuinigingen, de opheffingsdatum te zetten op 1 januari 1984. Het verschijnen van maandbladen, o.a. van de "Maandelijkse Mededelingen", werd stopgezet. Tevens werd in 1984 een begin gemaakt met het afstoten van de brandweercolonnes van het Korps Mobiele Colonnes (KMC), zodat dit korps uiteindelijk vanaf dat jaar alleen nog werd gevormd door de colonnes van de reddings- en geneeskundige dienst, de ziekenauto-compagnieën en de nooddrinkwatervoorziening. Ook werd begonnen met de dumpverkoop van BB- en KMC-voertuigen en met distributie van motorspuiten onder de regionale brandweren. Bij de opheffing van de organisatie BB werd een aantal overgangsregelingen getroffen ten aanzien van de noodwachters, onder andere het Koninklijk Besluit van 18 maart 1987. Hierin werd een overgangsregeling vastgesteld met betrekking tot enige rechtspositionele voorzieningen voor vrijwillige rampenbestrijders. De Wet op de noodwachten werd in 1992 op grond van artikel 47 van de Wet rechtspositionele voorzieningen rampbestrijders ingetrokken.