Inleiding
In deze inventaris zijn de archiefbescheiden opgenomen van de Nederlandse vertegenwoordiger voor ontwikkelingshulp aan Suriname te Paramaribo over de periode 1965 - 1981.
Hieronder volgt een beschrijving over de Nederlandse vertegenwoordiging voor ontwikkelingshulp aan Suriname. Deze is letterlijk overgenomen uit hoofdstuk van 5 van het institutioneel onderzoek naar het beleidsterrein 'Staatkundige verhoudingen en samenwerking tussen de landen van het Koninkrijk der Nederlanden', 1954 - 1995, PIVOT-rapport nummer 29, 's-Gravenhage, 1996.
Geschiedenis van de vertegenwoordiging voor ontwikkelingshulp aan Suriname
Midden jaren vijftig maakte Nederland een begin met het verstrekken van hulp en bijstand aan de andere Rijksdelen. Het Nederlands beleid was er op gericht de andere twee landen van het Koninkrijk te sturen in de richting van economische onafhankelijkheid. Voor Suriname resulteerde dat in eerste instantie in het Tienjarenplan. De algemene doeleinden die werden beoogd in dit plan waren: vergroting van het nationale product, verbetering van het welzijn van de bevolking en een meer gelijkmatige inkomensverdeling. Meer specifiek was het Tienjarenplan gericht op verbetering en uitbreiding van de infrastructuur van Suriname en op verhoging van de agrarische productiviteit en industriële opbouw. Ter ondersteuning van de beide betrokken Nederlandse ministers, de minister van Zaken Overzee en de minister van Financiën, werd de Interdepartementale Commissie voor het Tienjarenplan op 12 november 1954 ingesteld. Deze commissie had als doel de ministers te adviseren omtrent de deelname in de financiering van de door Suriname voortgebrachte ontwikkelingsplannen en projecten.
De Nederlandse regering besloot deel te nemen aan de financiering van dit Tienjarenplan en regelde dit in 1955 in een eerste machtigingswet. Met deze wet werden bedragen beschikbaar gesteld, deels bestaande uit leningen, deels in de vorm van schenkingen (bijdragen à fonds perdu). Eveneens werd in deze machtigingswet de instelling van de Nederlandse Missie van Deskundigen voor het Tienjarenplan voor Suriname geregeld . De Nederlandse Missie van Deskundigen voor het Tienjarenplan voor Suriname werd vanaf 1966 de vertegenwoordiging van Nederland voor ontwikkelingshulp aan Suriname (VNOS) genoemd. De VNOS adviseerde de Nederlandse regering over de jaarlijks opgestelde werkplannen en hield toezicht op de nakoming van de voor Nederlandse financiële deelneming gestelde voorwaarden.
In 1960 bleek dat dit Tienjarenplan niet voldoende was om alle projecten te kunnen financieren die nodig waren voor de Surinaamse ontwikkeling naar economische onafhankelijkheid. Daarom werd in opdracht van de Surinaamse regering het Aanvullend Opbouwplan ontwikkeld. Op basis van dit plan stelde Nederland een nieuw bedrag beschikbaar, dat in 1963 werd vastgesteld in de tweede machtigingswet voor Suriname. Met het Aanvullend Opbouwplan kreeg het eerste meerjarenplan een uitloop tot 1967. Zowel het bedrag beschikbaar voor het Tienjarenplan als dat voor het Aanvullend Opbouwplan werd in 1965 nog éénmaal aangevuld (derde machtigingswet).
In diezelfde periode gingen besprekingen over een nieuw Nationaal Ontwikkelingsplan Suriname van start tussen de Nederlandse en de Surinaamse regering, dat zou worden uitgewerkt in elkaar opvolgende vijfjarenplannen. Dit Nationaal Ontwikkelingsplan was in mei 1965 gemaakt door het Surinaamse Planbureau en kreeg onder meer als doelstellingen het terugdringen van de werkloosheid en een spreiding van de economische activiteiten. Het eerste plan was het in 1968 vastgestelde Vijfjarenplan Suriname voor de jaren 1967 tot en met 1971. In dit ontwikkelingsplan is voor wat Suriname betreft voor de eerste maal sprake van zogenaamde meerjarenplanprojecten. Bij een meerjarenplan worden de projecten in verschillende sectoren van de samenleving uitgevoerd volgens een duidelijk afgebakend tijdschema. Voor de uitvoering van deze projecten werden beheers- en bestuursregelen opgesteld, die ondertekend werden door de vice-minister-president en de minister-president van Suriname. Voor de jaren 1972 tot en met 1976 werd een tweede Vijfjarenplan opgezet, waarbij de beheers- en bestuursregelen uit de voorgaande periode van toepassing waren. De machtigingswet om de Nederlandse bijdrage voor de uitvoering van dit tweede Vijfjarenplan vast te stellen, is door de naderende onafhankelijkheid van Suriname nooit tot stand gekomen. De Nederlandse financiële bijstand werd voornamelijk verleend voor projectgebonden hulp. De projecten werden door de Surinaamse regering ingediend op basis van de ontwikkelingsplannen. De toetsing van de projecten gebeurde in Nederland.
In het onderzoek dat de Nationale Advies Raad voor Ontwikkelingssamenwerking begin 1975 deed naar de ontwikkelingsproblemen van Suriname werd geconcludeerd dat de uitvoering van de Surinaamse ontwikkelingsplannen teveel in de vorm werd gegoten van ad-hoc projecten, met te weinig aandacht voor een beleid op langere termijn. Het voor het grootste deel mislukken van de Surinaamse ontwikkeling werd geweten aan het feit dat de Nederlandse regering te weinig kritisch was geweest bij de beoordeling van de door Suriname opgestelde ontwikkelingsplannen en de toetsing van de doeleinden van deze plannen.
Vanaf de totstandkoming van de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 kwamen de door Nederland te verstrekken ontwikkelingsgelden aan Suriname niet meer ten laste van hoofdstuk IV van de Rijksbegroting; vanaf dat moment was de minister voor Ontwikkelingssamenwerking verantwoordelijk voor de beschikbaar gestelde overheidsgelden.