Geschiedenis van de archiefvormer
1813(1913)-1937
Gedurende de tweede helft van de 19e eeuw hadden de Nederlands-Britse betrekkingen zich voornamelijk beperkt tot de handel, een ontwikkeling die in de eerste decennia van de 20e eeuw versterkt voortgezet werd, in de vorm van een toenemende economische vervlechting. De Nederlands-Britse handel kwam vanaf het midden van de 19e eeuw steeds meer in het teken van de vrijhandel te staan, met als mijlpalen de afschaffing van de Britse Acte van Navigatie in 1849, de liberalisering van de Nederlandse scheepvaartwetgeving, inclusief de beëindiging van de bevoorrechting van de Nederlandse vlag in Indië in 1850, de opheffing van de Britse protectionistische graanrechten, en de totstandkoming van de Nederlandse Tariefwet van 1862, die een periode van wederzijdse tariefverlagingen afsloot. Overigens werkte de vrijhandel lange tijd vooral in het voordeel van Groot-Brittannië: in de 19e eeuw bleef de Nederlandse export naar Groot-Brittannië belangrijk achter bij de Nederlandse import uit dat land, waardoor de bilaterale handelsbalans voor ons land dus negatief was. Pas na de Eerste Wereldoorlog veranderde de bilaterale handelsbalans in het voordeel van Nederland. Maar wat goederen en producten betrof, bleef de samenstelling van het wederzijdse handelspakket tot 1940 in grote lijnen gelijk aan de situatie in de 19e eeuw: Nederland exporteerde ook in de 20e eeuw nog vooral zuivelproducten, vlees en groenten naar het Verenigd Koninkrijk, en importeerde voornamelijk nog altijd steenkool, ijzer en staal, machines, en wol.
Na 1870 nam de aanwezigheid van grote Nederlandse ondernemingen in Groot-Brittannië geleidelijk toe, een ontwikkeling die o.a. leidde tot de oprichting in 1873 van de Hollandse Club in Londen. In 1890 gebruikte de Nederlandse consul-generaal te Londen, H.S.J. Maas, dit forum om felle kritiek te leveren op de Nederlandse exporteurs van boter, kaas en groenten, die als gevolg van hun gemakzucht en de gebrekkige kwaliteit van hun producten hun marktaandeel in Groot-Brittannië dreigden te verliezen aan buitenlandse concurrenten. Het optreden van Maas leidde in 1891 tot de oprichting van de Nederlandse Kamer van Koophandel in Londen, die in de volgende jaren veel heeft bijgedragen aan het herstel van de goede naam van Nederlandse producten op de Britse markt. Een actieve rol ter bevordering van de Nederlandse economische belangen werd daarbij vervuld door F.C. Stoop, die tot ver na de Eerste Wereldoorlog in Londen zowel president van de Hollandse Club als voorzitter van de Nederlandse Kamer van Koophandel was.
In de 20e eeuw uitte de toenemende vervlechting van Nederlandse en Britse economische belangen zich in de vorming via fusies van grote gezamenlijke multinationale ondernemingen, met als belangrijkste voorbeelden de Koninklijke Shell (1907) en Unilever (1929). In hun wederzijdse economische betrekkingen bleven Nederland en Groot-Brittannië tot de grote wereldcrisis van de jaren dertig vasthouden aan het vrijhandelsprincipe. Toen de Nederlandse exporteurs echter grote problemen kregen door de devaluatie van het Britse pond, ging de Nederlandse regering uiteindelijk over tot het instellen van invoerbeperkingen. Inmiddels was de omvang van de Nederlandse export naar Groot-Brittannië teruggelopen van 382 miljoen gulden in 1930 tot 142 miljoen in 1935, terwijl de import uit dat land in dezelfde periode daalde van 227 miljoen gulden tot 87 miljoen. Maar na de devaluatie van de gulden in 1936, herstelde de Nederlands-Britse handel zich weer krachtig.
In tegenstelling tot de economische relaties, waren de politieke betrekkingen tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk lange tijd veel minder intensief. Dit ondanks de functie van belangrijk internationaal politiek centrum, die Londen in de 19e en het begin van de 20e eeuw vervulde. Zo werd bijvoorbeeld het scheidingsverdrag tussen Nederland en de nieuwe Belgische staat in 1839 in de Britse hoofdstad getekend, terwijl daar in de daarop volgende eeuw nog vele internationale conferenties, diplomatieke bijeenkomsten en verdragen zouden volgen. Wel waren er soms bilaterale contacten tussen Nederland en Groot-Brittannië, beide immers zeevarende en koloniale mogendheden, over de koloniën. Zo droeg Nederland in 1872 zijn laatste bezittingen aan de West-Afrikaanse Goudkust, met als belangrijkste vestiging het fort Elmina, aan de Britten over. Daarvoor was een jaar eerder de zogenoemde Sumatra-overeenkomst gesloten, een drievoudig verdrag, waarbij Engeland de Nederlandse Goudkust-bezittingen over nam, terwijl Nederland de vrije hand kreeg in Atjeh, en bovendien de beschikking kreeg over contractarbeiders uit Brits-Indië voor de plantages in Suriname. Naar aanleiding van de ontwikkelingen in Zuid-Afrika ontstond overigens in de Nederlandse publieke opinie gedurende lange tijd een sterke anti-Britse gezindheid. Zo wekte de eerste strijd van Transvaal en Oranje-Vrijstaat tegen de Engelsen in 1877 veel Nederlandse sympathie voor de Zuid-Afrikaanse Boeren op, hoewel de Nederlandse regering toen geen stappen of bemiddelingspogingen ondernam. Tijdens het volgende conflict, de grote Boerenoorlog van 1899-1901, nam Nederland wel enkele initiatieven. Zo werd in 1900 een kruiser naar Laurenço Marques gestuurd om president Krüger uit Transvaal op te halen, en werd er enige diplomatieke hulp verleend ter beëindiging van de strijd.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog maakte de oude anti-Engelse gezindheid in het neutrale Nederland al snel plaats voor een meer anti-Duitse gezindheid, als gevolg van de Duitse inval in België in 1914. Tijdens de oorlogsjaren had vooral de Nederlandse scheepvaart veel te lijden van het optreden van beide oorlogvoerende partijen: in totaal gingen 121 Nederlandse koopvaardijschepen en 96 vissersschepen verloren door torpedo's en mijnen, waarbij bijna 1200 opvarenden omkwamen. In juni 1916 brachten de Britten de volledige Nederlandse vissersvloot op de Noordzee op, omdat er teveel vis aan de Duitsers zou worden verkocht. Pas nadat Nederland zich verplicht had voortaan nog maar een klein deel van de visvangst te zullen exporteren, werden de schepen weer vrijgegeven. In maart 1918 werden bovendien alle Nederlandse koopvaardijschepen in Britse en Amerikaanse havens, tegen een schadevergoeding, in beslag genomen, hetgeen grote opwinding in Nederland veroorzaakte. In de periode van het Interbellum (1918-1939) was er daarentegen sprake van goede bilaterale betrekkingen tussen Nederland en Groot-Brittannië.Toen bijvoorbeeld België na de Eerste Wereldoorlog de annexatie van Zeeuws-Vlaanderen en Zuid-Limburg nastreefde, ondervond het Nederlandse standpunt meer begrip in Londen dan in Parijs.
In 1913, het jaar voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, stond de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Groot-Brittannië en Ierland al jaren lang onder leiding van buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister mr. K.W.P.F. baron Gericke van Herwijnen (sinds 18 november 1899). Het adres van de Nederlandse legatie was: Londen SW, 8 Grosvenor Gardens. Per 1 oktober 1913 werd als nieuwe Nederlandse buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister benoemd, jhr. mr. R. de Marees van Swinderen.
Direct voor zijn benoeming tot Nederlands gezant in Londen, "aan het Hof van St.-James", zoals de officiële benaming luidde, was De Marees van Swinderen minister van buitenlandse zaken geweest (1908-1913). Van Swinderen, geboren in 1860 te Groningen, had voor zijn ministerschap al carrière gemaakt in de diplomatieke dienst, met als laatste standplaats Washington, waar hij van 1904 tot 1908 buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister was. De positie van Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiger in Londen, die in de jaren daarvoor van steeds minder belang was geworden, kreeg door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog voor het neutrale Nederland plotseling groot gewicht. Tijdens zijn lange periode als gezant in Londen (1913-1937), kreeg De Marees van Swinderen al snel de reputatie sterk pro-Brits te zijn. Zo was hij tijdens die oorlog erg kritisch over de Nederlandse neutraliteitsverklaring van 30 juli 1914. En in augustus 1916 werd Van Swinderen zelfs door minister Loudon van buitenlandse zaken terechtgewezen, omdat de gezant de verontwaardiging in ons land over de inbeslagneming van de Nederlandse vissersvloot door de Engelsen ongerechtvaardigd had genoemd. Na de Eerste Wereldoorlog, toen er sprake was van mogelijke Belgische territoriale eisen ten koste van Nederland, speelde Van Swinderen echter, dankzij zijn goede contacten met Britse en Franse staatslieden en diplomaten, een belangrijke rol bij de voor Nederland gunstige uitkomst van het internationale overleg over de herziening van de verdragen van 1839 met België (Zie voor een overzicht van gesloten verdragen, bijlage 2). Ook daarna bleef Van Swinderen tijdens de jaren twintig en dertig zijn stempel drukken op de, toen goede, Nederlands-Britse bilaterale betrekkingen. Na zijn pensionering in 1937 bleef de oud-gezant aanvankelijk in Londen wonen: aan Eaton Square, naast de voormalige Britse premier Baldwin. Later verhuisde Van Swinderen naar Washington, maar na de Tweede Wereldoorlog keerde hij weer naar Londen terug. Pas begin 1955 zou De Marees van Swinderen, op 94-jarige leeftijd, overlijden.
Veel Nederlandse diplomaten bleven overigens hoogstens maar enkele jaren op het gezantschap in Londen werkzaam. Enkele andere diplomaten daarentegen bleven vele jaren aan het gezantschap verbonden. Zo was H.N. Brouwer tot 1929 (sinds 1914) directeur van de kanselarij, terwijl gezant De Marees van Swinderen (sinds 1913) en handelsattaché s'Jacob (sinds 1918) zelfs in 1937 nog in Londen in functie waren. Overigens trad dat jaar, met ingang van 16 juli, een nieuwe Nederlandse buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister in Londen aan: mr. J.P. graaf van Limburg Stirum (Zie ook bijlage 1). In die jaren van het Interbellum verhuisde het Nederlandse gezantschap diverse malen in Londen: van Grosvenor Gardens naar 32 Greenstreet Mayfair (1922), naar 42 Seymourstreet W.I. (1923), naar 21 Portman Square (1928), weer terug naar 42 Seymourstreet W.I (1929), en weer naar 21-A Portman Square W.I. (1931).
Tot het zeer uitgebreide ressort van het Nederlandse gezantschap te Londen behoorden in de periode 1913-1937, naast het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en (Noord-)Ierland (Na de oprichting van de Ierse Vrijstaat op 6 december 1921 had Ierland de status van dominion onder een Britse gouverneur-generaal, Noord-Ierland bleef deel uitmaken van het Verenigd Koninkrijk, terwijl pas in 1949 de laatste banden met het Britse Gemenebest verbroken werden, toen Ierland een onafhankelijke republiek werd), ook de Nederlandse consulaten in de vele Britse autonome gebiedsdelen of dominions, koloniën, protectoraten en mandaatgebieden in Europa, Amerika, Afrika, Azië en Australië. Voor een overzicht van de vele tientallen Nederlandse consulaire vestigingen in die gebieden, kan verwezen worden naar de inventaris van het archief van het gezantschap te Londen, en naar de Staatsalmanakken voor het Koninkrijk der Nederlanden uit de betreffende periode. Ook met de Ierse Vrijstaat werden, als Brits dominion, door Nederland betrekkingen op consulair niveau onderhouden. Dat gold in de periode voor 1937 eveneens voor de Nederlandse betrekkingen met Canada, Australië, Nieuw-Zeeland en Brits-Indië. Wel vervulden de Nederlandse consulaten-generaal in de Britse koloniale gebieden in Azië, evenals in Australië en Nieuw-Zeeland, ook zonder officiële diplomatieke status, in de praktijk diplomatieke taken. Behalve met consulaire werkzaamheden en economische berichtgeving, hielden deze consulaire vestigingen zich namelijk ook bezig met het rapporteren over binnenlandse ontwikkelingen, en het namens de Nederlandse regering ondernemen van demarches bij de koloniale gouvernementen. Verder had Nederland alleen in het Britse dominion Zuid-Afrika, en in het onder sterke Britse invloed staande Egypte (Brits protectoraat van 1882 tot 1922, daarna in naam een onafhankelijke staat, hoewel Londen de controle hield over de Egyptische defensie, het Suezkanaal, de bescherming van minderheden en buitenlandse belangen, alsmede het bestuur van Soedan) diplomatieke vertegenwoordigers. In Egypte en Zuid-Afrika waren respectievelijk sinds 1922 en 1927 Nederlandse buitengewoon gezanten en gevolmachtigd ministers.
1937-1945
In vergelijking met de lange periode van, oud-minister van buitenlandse zaken, De Marees van Swinderen als chef de poste in Londen (1913-1937), vervulde zijn opvolger de functie van Nederlands buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister in Groot-Brittannië slechts korte tijd. Mr. J.P. graaf van Limburg Stirum, voormalig Nederlands gezant in Berlijn, werd benoemd op 16 juli 1937, maar twee jaar later, op 16 september 1939, volgde al de benoeming van een nieuwe buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister in Londen: jhr. mr. E.F.M.J. Michiels van Verduynen. Zie voor een overzicht van de overige Nederlandse diplomaten in Londen, bijlage 1.
Na de Duitse bezetting van het neutrale Nederland in mei 1940, ontstond een nieuwe situatie. Nederland werd een bondgenoot van het Verenigd Koninkrijk in de oorlog tegen Nazi-Duitsland. Groot-Brittannië werd een toevluchtsoord voor de Nederlandse koninklijke familie, de Nederlandse regering, en in eerste instantie ongeveer 3000 andere Nederlandse vluchtelingen, onder wie zo'n 1400 militairen. Later voegden zich vanuit het bezette Nederland, vaak via lange omwegen, nog eens ongeveer 2600 "Engelandvaarders" bij hun landgenoten in het Verenigd Koninkrijk. Verder fungeerden in de loop van de Tweede Wereldoorlog de Britse havens als thuishavens voor een belangrijk deel van de Nederlandse koopvaardijvloot, en volgden enkele duizenden Nederlanders een militaire opleiding in Engeland, om daarna bij de geallieerde strijdkrachten te worden ingedeeld. Zo werd in 1943 de Nederlandse Irene-brigade in Engeland toegevoegd aan de, voornamelijk uit Britten en Canadezen bestaande, 21ste Army Group. In mei 1940 woonden er in en rond Londen 6000 Nederlanders, die veel hebben gedaan voor de opvang van hun nieuw aangekomen landgenoten. Tot degenen die zich verdienstelijk hebben gemaakt, behoorde bijvoorbeeld de president-directeur van Unilever, Paul Rijkens. Ook kon de Nederlandse regering in ballingschap in Londen, bij de noodzakelijke opbouw van nieuwe departementen, putten uit het arbeidsreservoir van de al aanwezige Nederlandse kolonie, vooral voor administratieve krachten.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog waren Nederland en Noorwegen de enige door Duitsland bezette landen, waarvan zowel de regering als het staatshoofd naar Engeland waren uitgeweken. Dat versterkte de Nederlandse positie in Londen aanzienlijk, evenals het feit dat de Nederlandse regering in ballingschap over een sterke marine kon beschikken. Na het verlies van Nederlands-Indië aan Japan in maart 1942 nam het belang van de Nederlandse bijdrage aan de geallieerde oorlogsinspanningen overigens af, waarmee ook de invloed van de Nederlandse regering op de Britse verminderde. Hoe belangrijk de nauwe relaties met de Britse regering voor het Nederlandse oorlogskabinet echter waren en bleven, bleek bijvoorbeeld uit de benoeming van de Nederlandse gezant in Londen, Michiels van Verduynen, tot minister zonder portefeuille, met ingang van januari 1942. Michiels van Verduynen, die tot 16 mei 1945 deel uitmaakte van het Nederlandse kabinet, bleef ook na de oorlog, tot zijn dood in 1952, de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in het Verenigd Koninkrijk leiden.
Overigens was er bij de aankomst van de Nederlandse regering in Londen aanvankelijk gevreesd voor het ontstaan van ernstige competentiegeschillen, omdat de regering in het algemeen en minister van buitenlandse zaken Van Kleffens in het bijzonder nu de mogelijkheid kregen, om direct met de Britse autoriteiten in contact te treden, en desgewenst de Nederlandse gezant te passeren. Deze vrees bleek echter ongegrond. Van Kleffens bleef in de praktijk zoveel mogelijk vasthouden aan de bestaande procedures: Michiels van Verduynen en zijn medewerkers bleven verantwoordelijk voor alle politieke contacten met de Britse regering, terwijl de verschillende Nederlandse vakdepartementen zich richtten op het overleg met de Britten over de technische aspecten van onderwerpen als scheepvaart, economische oorlogsvoering, financiën, en militaire en marinezaken. Mede om de positie van zijn gezant ook formeel te versterken, stelde minister-president Gerbrandy op 30 december 1941 voor Michiels van Verduynen te benoemen tot minister zonder portefeuille, hetgeen na de goedkeuring door kabinet en koningin op 1 januari 1942 gebeurde. Daardoor kon Michiels van Verduynen tijdens de oorlogsjaren, bij afwezigheid van de minister van buitenlandse zaken, automatisch als diens plaatsvervanger optreden.
Vervolgens werden in mei 1942 de wederzijdse Nederlandse en Britse gezantschappen tot ambassade verheven. Daaraan was overigens een hele geschiedenis voorafgegaan. Al vanaf 1928 werd er door het Nederlandse parlement op aangedrongen om de diplomatieke betrekkingen met de grote mogendheden op het niveau van ambassadeurs te brengen. In 1815 was op het Congres van Wenen afgesproken, dat alleen tussen grote mogendheden onderling ambassadeurs werden uitgewisseld. Andere landen dienden zich te beperken tot ten hoogste het niveau van gezanten. Na de Eerste Wereldoorlog waren Groot-Brittannië en Frankrijk echter in enkele gevallen van deze diplomatieke regel afgeweken, waar het vroegere bondgenoten betrof. Verschillende leden van de Eerste en Tweede Kamer vonden daarom, dat Nederland nu niet langer kon achterblijven. Na allerlei binnenlands-politieke verwikkelingen (Zo verzette koningin Wilhelmina zich aanvankelijk tegen de oprichting van ambassades, uit vrees dat de Heilige Stoel dan een nuntius in Den Haag zou benoemen, die vervolgens doyen van het corps diplomatique zou worden), stelde minister van buitenlandse zaken De Graeff in 1935 eerst in Londen voor om de wederzijdse diplomatieke betrekkingen op ambassadeursniveau te brengen. Later zouden dan, wat Nederland betrof, Parijs, Washington, Berlijn, Rome en Tokio dit voorbeeld moeten volgen.
Op 21 juni 1935 wees de Britse regering het Nederlandse voorstel echter af, terwijl ook de pogingen van gezant De Marees van Swinderen in de volgende jaren geen succes hadden. Zelfs nadat Nederland en Groot-Brittannië door de Duitse inval van mei 1940 bondgenoten waren geworden, bleef de Britse regering vasthouden aan haar besluit om geen nieuwe ambassades op te richten. Maar juist de deelname aan de oorlog vormde voor Nederland en andere kleine mogendheden een extra reden om opnieuw op de uitwisseling van ambassadeurs aan te dringen. De Nederlandse diplomatie richtte haar streven, in wat nu de "ambassadekwestie" werd genoemd, vervolgens op Washington. Deze strategie slaagde uiteindelijk: op 7 mei 1942 overhandigde Loudon als eerste Nederlandse ambassadeur in Washington zijn geloofsbrieven aan president Roosevelt. De Britse regering kon nu niet achterblijven, en maakte daarom al een dag later het besluit bekend ook de wederzijdse Britse en Nederlandse gezantschappen tot ambassades te verheffen. Daarna bood Michiels van Verduynen op 28 mei 1942 zijn geloofsbrieven als buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur aan koning George VI aan, terwijl de Britse ambassadeur, Sir Nevile Bland, op 2 september van dat jaar hetzelfde deed aan koningin Wilhelmina. Deze laatste ceremonie had enige vertraging opgelopen, door eerst ziekte en later een reis van de Nederlandse koningin naar de VS en Canada.
Tijdens de oorlogsjaren concentreerde Michiels van Verduynen zich als Nederlands chef de poste in Londen op de algemene diplomatieke leiding, en op de behandeling van belangrijke politieke onderwerpen. Andere werkzaamheden, zoals de behandeling van economisch-politieke kwesties, liet hij veelal over aan zijn medewerkers. Veel van die, meer praktische en economische, taken werden uitgevoerd door gezantschapsraad (sinds 1943 buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister, ambassaderaad), jhr. mr. P.D.E. Teixeira de Mattos, en gezantschapssecretaris der eerste klasse (sinds 1943 eerste ambassadesecretaris), jhr. mr. A.P.C. van Karnebeek. Beide laatste diplomaten waren ook verantwoordelijk voor de Nederlandse vertegenwoordiging bij enkele andere regeringen in ballingschap in Londen. In 1940 en 1941 waren, als gevolg van de oorlogshandelingen, de diplomatieke betrekkingen tussen de Nederlandse regering in Londen en een groot aantal landen namelijk officieel of de facto verbroken. Weliswaar accrediteerde de Nederlandse regering in die jaren bij de andere Europese regeringen in ballingschap in Londen tijdelijk zaakgelastigden, maar aan de missie van de Nederlandse gezanten werd niet in al deze gevallen tegelijkertijd formeel een einde gemaakt. Afgezien van de Nederlandse missies bij de buitenlandse regeringen in ballingschap in Londen echter, waren er van de 21 Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigingen in Europa van mei 1940, in juli 1941 nog maar vijf overgebleven.
Zie voor een overzicht van de Nederlandse diplomaten op het gezantschap, en de latere ambassade, in Londen, bijlage 1.
Evenals in de jaren dertig, was de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in de oorlogsjaren gevestigd op het adres: 21-A Portman Square.
Inmiddels was in 1939 in het Britse dominion Canada, evenals al eerder in Zuid-Afrika, een apart Nederlands gezantschap opgericht, hetgeen in april 1942 ook in Australië gebeurde. Hoewel aanvankelijk eveneens voor Nieuw-Zeeland het aangaan van diplomatieke betrekkingen was overwogen, beperkte men zich uiteindelijk tot de instelling van een zelfstandig Nederlands consulair ressort voor dat land, waarvoor Nieuw-Zeeland losgemaakt werd van het Nederlandse consulaat-generaal in het Australische Sydney.
1945-1954
In de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog werden de Nederlands-Britse betrekkingen sterk beïnvloed door de herinnering aan de gezamenlijke strijd tegen Duitsland, terwijl in Nederland veel dankbaarheid bestond voor de Britse hulp tijdens en direct na de oorlog. Zo liggen er op Nederlands grondgebied ruim 18.000, bij de bevrijding van ons land omgekomen, militairen uit het Britse Gemenebest begraven. De bilaterale betrekkingen waren daardoor in 1945 uitstekend, maar deze goede verstandhouding werd al snel op de proef gesteld door de Indonesische kwestie. Aan het einde van de oorlog werden de geallieerde militaire operaties in Nederlands-Indië aan de Britse strijdkrachten toegewezen. Na de Japanse capitulatie duurde het echter nog enkele weken, voordat de eerste Britse troepen daar aankwamen. Inmiddels hadden de Indonesische nationalisten op Java de onafhankelijkheid uitgeroepen, en de Britse militaire commandant nam tot ontsteltenis van Nederland na zijn aankomst in Batavia contact op met de nationalistische republikeinen. Naar haar mening vond de Nederlandse regering in Londen onvoldoende begrip voor haar aanvankelijke standpunt, dat er geen sprake van enige samenwerking kon zijn met Soekarno en de overige Indonesische revolutionaire leiders. In het najaar van 1945 oefende de Britse regering juist sterke druk op Den Haag uit, om dat standpunt te wijzigen, en weigerde zelfs tijdelijk de toelating van Nederlandse troepen op Java.
Nadat de Nederlandse regering eind 1945 echter instemde met overleg tussen alle bij de toekomstige status van Nederlands-Indië betrokken partijen, wees de Britse regering een bemiddelaar aan voor de besprekingen met de republikeinse leiders, terwijl de Britse strijdkrachten in Nederlands-Indië nu geleidelijk vervangen werden door Nederlandse troepen. De laatste Britse militairen vertrokken overigens pas, nadat de besprekingen onder Brits voorzitterschap in november 1946 hadden geleid tot het Akkoord van Linggadjati. Toen er in juli 1947 toch een Nederlandse politionele actie tegen de Republik Indonesia plaats vond, sprak de Britse regering direct haar hevige teleurstelling uit, en stelde bovendien een embargo in op wapenleveranties aan de Nederlandse strijdkrachten in Indië. Maar Londen onthield zich wel van steun aan een Australische resolutie in de Veiligheidsraad van de VN, waarin het Nederlandse optreden werd veroordeeld. Overigens speelde Londen na de beëindiging van de eerste politionele actie geen belangrijke rol meer in de Indonesische kwestie.
Inmiddels was de Koude Oorlog begonnen, waardoor de westerse landen gedwongen werden tot een nauwere samenwerking. De Amerikaanse minister van buitenlandse zaken, Marshall, riep de Europese staten op zich te verenigen ter bestrijding van hun economische problemen, en lanceerde ter ondersteuning in 1947 zijn Marshall-plan. Daardoor werden vanaf 1948 ook de Nederlands-Britse betrekkingen sterk beheerst door de opbouw van, en samenwerking binnen, westerse en Europese organisaties. In die jaren werden door Frankrijk en Groot-Brittannië diverse initiatieven genomen voor meer samenwerking tussen alle niet-communistische Europese landen, niet alleen op economisch, maar ook op politiek en defensiegebied. In 1945 was immers het oude Europese veilgheidssysteem, dat was gebaseerd op de autonomie van de nationale staat, definitief ingestort, om te worden vervangen door de allesoverheersende tegenstelling tussen de beide supermogendheden, de VS en de Sovjet-Unie. In de volgende decennia beperkte de Koude Oorlog in hoge mate de manoeuvreerruimte van de Europese regeringen op het gebied van veiligheid en defensie. Na de Tweede Wereldoorlog al snel duidelijk geworden, dat de West-Europese landen elk voor zich niet in staat waren om tegelijkertijd hun economieën weer op te bouwen, en de door de beginnende Koude Oorlog noodzakelijke herbewapening te financieren. Een ander probleem vormde de toekomst van het na-oorlogse, democratische Duitsland: de kwestie van de heropname van de Duitse Bondsrepubliek in de Europese orde, en haar herbewapening, werd acuut. Eind 1947 was in Londen een conferentie van de Grote Vier (VS, Sovjet-Unie,Verenigd Koninkrijk en Frankrijk) over Duitsland mislukt.
Tegen deze achtergrond reageerde Nederland positief op de Britse uitnodiging aan de Benelux-landen, geformuleerd door minister Bevin van buitenlandse zaken in een redevoering op 22 januari 1948 in het Lagerhuis, om samen met het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk een militair pact te sluiten. Daarmee brak Nederland met zijn, voor de Tweede Wereldoorlog zo lang gevoerde, politiek van neutraliteit en zelfstandigheid. Daardoor kon op 17 maart 1948 bij het Verdrag van Brussel de Westelijke Unie (WU) door België, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en het Verenigd Koninkrijk worden opgericht. Dit multilaterale verdrag voorzag in samenwerking op economisch, militair en politiek gebied. In ruil voor hun steun voor de Westelijke Unie werden de Benelux-landen toegelaten tot het overleg van de drie grote westerse mogendheden over de toekomst van Duitsland. Dat gebeurde in de vorm van een gemeenschappelijke Benelux-delegatie, onder leiding van de Nederlandse ambassadeur in Londen. Op de van 26 februari tot 7 maart en 20 april tot 2 juni 1948 in Londen gehouden Zeslandenconferentie stond de politieke en economische opbouw van West-Duitsland centraal. Daarmee werd ook de deling van Duitsland, en van Europa, bezegeld: in 1949 werden de Bondsrepubliek en de DDR opgericht. De, aanvankelijk door Nederland nagestreefde, uitgebreide territoriale claims en economische compensaties ten koste van West-Duitsland (zoals die in januari 1947 bij de Grote Vier in Londen waren ingediend), pasten echter niet in het nieuwe internationale klimaat van de Koude Oorlog. Nederland moest zich daarom tevreden stellen met enkele kleine grenscorrecties (Elten en Tudderen), die in 1949 uitgevoerd werden, en in 1963 weer ongedaan werden gemaakt.
Op de Nederlandse ambassade in Londen had chef de poste Michiels van Verduynen in 1947-1948 ambassadesecretaris Joseph Luns belast met de behandeling van het Duitse dossier. De latere minister van buitenlandse zaken werkte sinds november 1943 voor de Nederlandse overheid in Londen: eerst op de consulaire afdeling van het ministerie van buitenlandse zaken in ballingschap, en sinds 1944 op de ambassade. In 1949 zou Luns worden overgeplaatst naar de Nederlandse permanente vertegenwoordiging bij de Verenigde Naties in New York.
In 1949 werd vervolgens de NAVO opgericht, waarvoor de Westelijke Unie de eerste stap was geweest, en in 1950 brak de Koreaanse Oorlog uit. Door die oorlog ontstond voor het eerst (maar niet voor het laatst) het schrikbeeld van een mogelijke Amerikaanse militaire terugtrekking uit Europa, terwijl de Koude Oorlog bovendien de opbouw van een eigen defensiecapaciteit in West-Europa nog dringender maakte. Op 24 oktober 1950 stelde de Franse regering daarom, als volgende stap in het Europese samenwerkingsproces, de oprichting voor, van een Europese Defensie Gemeenschap (EDG). Het ontwerpverdrag voor de EDG werd in 1952 ondertekend, om daarna aan de betreffende landen ter ratificatie te worden voorgelegd. Maar juist in Frankrijk bleek het verzet er tegen het sterkst, en op 30 augustus 1954 verwierp de Franse Nationale Vergadering dan ook de voorgestelde EDG. In plaats daarvan werd toen door de samenwerkende Europese landen besloten de, al bestaande, Westelijke Unie nieuw leven in te blazen, door deze organisatie op 23 oktober 1954 om te vormen tot de West-Europese Unie (WEU). Naast de vijf WU-landen traden nu ook West-Duitsland en Italië tot de nieuwe WEU toe.
In die jaren bestonden in Nederland hoge verwachtingen over de Europese Beweging. Zo werd van 7 tot 10 mei 1948 in de Ridderzaal in Den Haag het Europees Congres gehouden, waar o.a. de Britse oppositieleider Winston Churchill een pleidooi hield voor een verenigd Europa. Dit congres, waar ook een Duitse delegatie aanwezig was, is van groot belang geweest voor de latere samenwerking in Europa op politiek, sociaal-economisch en cultureel gebied. Organisaties en initiatieven als de Raad van Europa, de EGKS, de EEG, het Europees Sociaal Handvest, het Europa College, en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens zijn mede mogelijk geworden door het idealisme van 1948. Maar voorlopig bleken de Britten in de praktijk niet verder te willen gaan dan intergouvernementele samenwerking, terwijl in Nederland de bereidheid tot economische integratie bestond. Toen de Britse regering in juni 1950 het plan-Schuman, tot de vorming van een Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS), afwees, wekte dat in Nederland grote teleurstelling. Nederland, dat de deelname van het Verenigd Koninkrijk onmisbaar achtte, heeft zich daarna krachtig ingespannen om de ontstane kloof te overbruggen. Zo begroette koningin Juliana tijdens haar eerste staatsbezoek aan Groot-Brittannië in november 1950 dit land als een essentieel lid van de Europese Gemeenschap. Maar de Britse regering bleek slechts bereid tot de vestiging van een permanente vertegenwoordiging bij de, in 1951 opgerichte, EGKS. Ook de latere Nederlandse pogingen om de banden tussen het Verenigd Koninkrijk en de zes EGKS-partners te verstevigen, zouden in de volgende jaren niet tot het gewenste resultaat leiden.
Na de bevrijding van Nederland op 5 mei 1945 bleef jhr. mr. E.F.M.J. Michiels van Verduynen ons land nog tot zijn overlijden op 13 mei 1952 als buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur in Londen vertegenwoordigen. Als nieuwe ambassadeur trad daarna aan, mr. D.U. Stikker, die in de jaren daarvoor (1948-1952) minister van buitenlandse zaken was geweest. Op 29 oktober 1952 bood hij zijn geloofsbrieven aan.
Zie voor een overzicht van de overige Nederlandse diplomaten in de periode 1945-1954 in Londen, bijlage 1.
Al eerder in het jaar 1952, op 21 januari, had ook de nieuw benoemde Britse ambassadeur in Nederland, Sir Neville Butler zijn geloofsbrieven aan koningin Juliana aangeboden. Op 2 juni 1953 werd de kroning van de nieuwe Britse koningin, Elisabeth II, bijgewoond door een Nederlandse ambassade in bijzondere zending, onder leiding van prins Berhard. Als nieuwe Britse ambassadeur in Den Haag bood op 8 september 1954 Sir Paul Mason zijn geloofsbrieven aan. In 1945 was de Nederlandse ambassade verhuisd naar een nieuw adres: Hereford House, 117 Park Street, London W.1. In 1954 verhuisde de ambassade opnieuw, toen naar: 38 Hyde Park Gate, London S.W.7. Een belangrijk onderwerp van bilateraal overleg vormde in de eerste helft van de jaren vijftig de liberalisering van het Nederlands-Britse handelsverkeer. Al vanaf het einde van de Tweede Wereldoorlog werden daar regelmatig besprekingen over gevoerd, en na 1950 ontstonden enkele malen bilaterale problemen van economisch-politieke aard. Zo protesteerde de Nederlandse regering tegen de in november 1951 door Groot-Brittannië, wegens betalingsproblemen, ingestelde invoerbeperkingen. Op 20 mei 1954 kon echter in Londen een overeenkomst over de liberalisering van de handel worden ondertekend. Op 11 augustus 1954 volgde in Den Haag de ondertekening van een Nederlands-Brits verdrag over de sociale zekerheid. Zie voor een overzicht van de in de jaren 1945-1954 tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk gesloten verdragen, bijlage 2.
Hoewel in de periode 1945-1954, als gevolg van de eerste fase van het dekolonialisatieproces diverse Britse koloniën onafhankelijk werden (zoals India en Pakistan in 1947, waar aparte Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigers kwamen), waardoor met het inkrimpen van het Britse wereldrijk ook het ressort van de Nederlandse ambassade in Londen kleiner werd, bleef er toch nog een zeer aanzienlijk aantal Britse gebiedsdelen en koloniën in Europa, Afrika, Azië, Oceanië en Amerika over. De vele Nederlandse consulaire vertegenwoordigingen in die gebieden ressorteerden in veel gevallen onder de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigingen in onafhankelijke buurlanden in de betreffende regio's (zoals Egypte, Ethiopië, Zuid-Afrika, Saoedi-Arabië, India, Australië, Nieuw-Zeeland, de VS, Venezuela), of rechtstreeks onder het Nederlandse ministerie van buitenlandse zaken, maar vielen in andere gevallen onder de Nederlandse ambassade in Londen. Voor een volledig overzicht van al deze Nederlandse consulaire posten, met hun vele wisselingen, ontbreekt hier de ruimte. Daarvoor kan verwezen worden naar de "Staatsalmanak voor het Koninkrijk der Nederlanden" en de "Vertegenwoordigingen van het Koninkrijk der Nederlanden in het Buitenland" (sinds 1951). Wel nam in het begin van de jaren vijftig het aantal, nog rechtstreeks onder de Nederlandse ambassade in Londen ressorterende Nederlandse consulaire vertegenwoordigingen in de Britse overzeese gebiedsdelen, snel af. Zo vielen in 1948 de volgende gebieden onder de Nederlandse buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur te Londen: Gibraltar, Malta, IJsland, Gambia, Sierra- Leone, de Goudkust, Nigeria, Liberia, St.-Helena, Ascension, Gough-eiland, en Tristan da Cunha; terwijl het in 1954 alleen nog maar ging om Nigeria, en het onder Brits mandaat gestelde gebied van Kameroen.
Geschiedenis van het archiefbeheer
1813(1913)-1937
De inventaris over de periode 1813(1913)-1937 is tot stand gekomen als gevolg van de overdracht begin 1990 van het Gezantschapsarchief met aanhang uit het tijdvak 1913-1937. Bij deze overdracht was door het ministerie van Buitenlandse Zaken gezorgd voor een naadloos aansluitende nummering met het reeds eerder overgedragen deel van het Gezantschapsarchief, periode 1813-1913.
Het lag daardoor voor de hand de separate inventarissen te integreren. Dat is in het navolgende gebeurd. Het onderdeel "Groot- Brittannië en Ierland" van de verzamelband gezantschapsinventarissen 2.05.10, dat betrekking had op het blok 1813-1913, is aldaar komen te vervallen en in deze inventaris overgenomen. De inventaris van G.J. Lasee uit 1989, die bij de overdracht in 1990 door het ministerie werd meegeleverd, is vervolgens toegevoegd.
Bij de integratie heeft alleen aanpassing plaatsgevonden van de paginering en de inhoudsopgave. Voor het overige, toelichtingen, indelingen en beschrijvingen, zijn beide onderdelen ongewijzigd gelaten, ook redactioneel.
Toegevoegd is de in 1987 getroffen standaard openbaarheidsregeling voor archieven afkomstig van het ministerie van Buitenlandse Zaken, met de bepaling van de nummers van dit archief, waarop art. 3 van de regeling betrekking heeft. Art. 1 van de regeling heeft betrekking op alle stukken ouder dan 50 maar jonger dan 75 jaar. Art. 2 van de regeling is de facto bij dit archief niet van toepassing.
1937-1945
Het archief van het Nederlandse gezantschap, sedert mei 1942 ambassade, te Londen over de periode 1937-1945, vormt het vervolg op het gezantschapsarchief van 1913-1937.
In de periode juli 1937 tot en met 1945 werd de Nederlandse regering in Groot Brittannië vertegenwoordigd door twee chefs de poste. Bij het Koninklijk Besluit van 22 juni 1937 werd mr. J.P. de graaf van Limburg Stirum benoemd tot buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister bij de Britse regering. Hij volgde jhr. mr. R. de Marees van Swinderen op die vanaf 1913 deze post had vervuld. De graaf van Limburg Stirum, voormalig gezant te Berlijn, is slechts twee jaar chef de poste in Londen geweest. Bij het Koninklijk Besluit van 17 juli 1939 trad jhr mr. E.F.M.J. Michiels van Verduynen op als de nieuwe gezant te Londen. In mei 1942, als het gezantschap wordt verheven tot ambassade, vond de bevordering plaats van Michiels van Verduynen tot ambassadeur.
Het gezantschaps/ambassade archief 1937-1945 werd in 1958 en in 1960 naar het departement te 's Gravenhage gezonden. Vernietiging van archiefbescheiden vond plaats op de post en bij de vorige inventarisaties in 1966 en 1972. Dientengevolge zijn hiaten ontstaan in de nummering van de rubrieken en kan het voorkomen dat bepaalde rubrieken totaal ontbreken.
De oude orde is zoveel mogelijk gerespecteerd om zodoende de oude toegangen in de vorm van indicateurs (agenda's) bruikbaar te houden. Bij het gebruik van deze indicateurs moet men voor de rubriek steeds de combinatie van een letter met één of twee cijfers aanhouden.
De oude rubrieksindeling en benaming is gehandhaafd. Dit heeft als nadeel dat de restrubrieken zijn blijven bestaan, zoals a.30, d.5 o.1. en de gehele letter C. De samenhang van de per letter cijfer combinatie bijeengebrachte stukken is niet altijd duidelijk. Dit betekent dat er soms in meerdere rubrieken gezocht moet worden om stukken met hetzelfde onderwerp terug te vinden. Wanneer zich dit voordeed is veelal gebruik gemaakt van verwijzingen. Men dient er rekening mee te houden dat zowel het open als het geheim archief terug te vinden is in de indicateurs 1937-1945.
De registratuur heeft in de periode 1937-1945 een zestal letters gebruikt: A voor administratieve stukken, B voor politieke stukken, C voor diverse stukken, D en O voor oorlogsstukken en VO (geheim archief) voor stukken betrekking hebbende op het Verre Oosten. De verdeling van de stukken over deze zes letters is nogal willekeurig geschied. Voor de inventarisatie had het archief een omvang van 81 dozen ( 9 meter). Na schoning bedraagt de totale omvang van het archief 74 dozen (ca. 8 meter). Vooral vanwege de oorlogsperiode is relatief weinig archiefmateriaal vernietigd.
1945-1954
Van 1945 tot en met begin 1952 gebruikte de registratuur in Londen een vijftal letters voor haar archiefordening: A voor administratieve stukken, B voor politieke stukken, C voor diverse stukken en D en O voor oorlogsstukken. Dit gold zowel voor het open als voor het geheime archief.
Hoewel het archief over de periode 1945 1952 gesplitst is in een open en geheim gedeelte dient men er op bedacht te zijn dat tot en met 1949 de stukken voor beide gedeelten in dezelfde agenda's werden ingeschreven.
De verdeling van de stukken over de vijf hoofdrubrieken geschiedde nogal willekeurig. Dit betekent dat er soms in meerdere rubrieken gezocht moet worden om stukken met het zelfde onderwerp terug te vinden. Zo kan men bijvoorbeeld politieke stukken niet alleen onder de letter B terugvinden, maar ook bij de rubriek c.8. Door middel van verwijzingen is getracht stukken betreffende het zelfde onderwerp die in verschillende rubrieken geplaatst waren beter toegankelijk te maken.
Bijlage I en II zijn de inhoudsopgaven van respectievelijk de rubriek b.40 en c.8 van het open archief (1935) 1945 1952. Voor deze kunstgreep is gekozen aangezien de registratuur deze rubrieken alfabetisch had geordend en een dossiergewijze beschrijving geen betere toegankelijkheid had opgeleverd.
Hoewel in 1950 het consulaat generaal te Londen werd opgeheven en als consulaire afdeling bij de ambassade werd gevoegd had dit geen consequentie voor de archiefvorming.
In 1952 ging de ambassade te Londen over op een decimale code voor haar archiefordening. Daardoor moest er in dit jaar een cesuur aangebracht worden met de voorgaande periode. Het archief 1945 1954, mede door de scheiding in een open en geheim gedeelte, is nu in vier verschillende archieven opgedeeld.
Tijdens de inventarisatie is de oude orde, rubrieksbenaming en decimale code gehandhaafd om de agenda's als toegangen tot het archief bruikbaar te houden.
Het archief van de ambassade over de periode 1945-1954 werd in 1966 naar het departement te 's Gravenhage gezonden.
Vernietiging van archiefbescheiden vond plaats op de post en bij de inventarisatie in 1989. Dientengevolge zijn hiaten ontstaan in de nummering van de rubrieken en kan het dus voorkomen dat bepaalde rubrieken totaal ontbreken.
Voor de inventarisatie had het archief een omvang van 222 dozen (ca. 25 meter). Na schoning en inventarisatie bedraagt de totale omvang van het archief 180 dozen (ca. 20 meter).
De verwerving van het archief
Het archief is krachtens bepalingen van de Archiefwet overgebracht.