Terug naar zoekresultaten

2.06.076.09 Inventaris van de archieven van de Rijksbureaus voor Metalen, 1939-1950

Voer een zoekterm in
VorigeVolgende

Archief

Titel

2.06.076.09
Inventaris van de archieven van de Rijksbureaus voor Metalen, 1939-1950

Auteur

Centrale Archief Selectiedienst

Versie

06-07-2021

Copyright

Nationaal Archief, Den Haag
1996 cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok

Rijksbureau voor Metalen
Rijksbureau Metalen

Periodisering

oudste stuk - jongste stuk: 1939-1950

Archiefbloknummer

E20129

Omvang

; 755 inventarisnummer(s) 24,50 meter

Taal van het archiefmateriaal

Het merendeel der stukken is in het.
Nederlands

Soort archiefmateriaal

Normale geschreven en gedrukte teksten.

Archiefdienst

Nationaal Archief

Locatie

Den Haag

Archiefvormers

Centraal Bureau voor Sloopmaterialen Gemachtigde voor de Rijksbureaus te Groningen Ministerie van Binnenlandse Zaken, Bureau Generatoren en Tankgas Rijksbureau voor de Metalenverwerkende Industrie Rijksbureau voor Generatoren en Tankgas Rijksbureau voor IJzer en Staal Rijksbureau voor Materialen Wegverkeer Rijksbureau voor Metalen Rijksbureau voor Metalen en Bouwstoffen Rijksbureau voor Non-Ferro Metalen Rijksbureau voor Verwerkende Industrieën Rijksbureau voor Verwerkende Industrieën, Sectie Electrotechnische Industrie Rijksbureau voor Verwerkende Industrieën, Sectie Metaalverwerkende Industrie Tijdelijk Rijksbureau voor de Metalenverwerkende Industrie Tijdelijk Rijksbureau voor IJzer en Staal Tijdelijk Rijksbureau voor Non-Ferro Metalen

Samenvatting van de inhoud van het archief

Ondanks de neutraliteit had de Eerste wereldoorlog in Nederland tot schaarste en distributieproblemen geleid. Hernieuwde oorlogsdreiging en de mogelijkheid van een terugkerende schaarste waren aanleiding voor de Distributiewet van 1939. Een (niet met name genoemd) gevolg van de wet was de oprichting van diverse Kernbureaus voor handel en nijverheid. Zonder een uitgebreid ambtelijk apparaat moesten zij voorbereidingen treffen om zonodig de schaarste binnen de sector zo doeltreffend mogelijk het hoofd te kunnen bieden. Bij het uitbreken van de Tweede wereldoorlog in september 1939, werden de Kernbureaus omgezet in, uiteindelijk twintig, Rijksbureaus met een doorlopend sterk groeiend ambtelijk apparaat.
Aan het hoofd van de Rijksbureaus stond vaak een topfiguur van een vooraanstaand bedrijf uit de industrietak, ondersteund door ambtenaren en vertegenwoordigers van de vakcentrales. Na inventarisatie van de importmogelijkheden, voorraden en behoeften, trachtte men met behulp van prijsvorming, fabricagevoorschriften en distributiebeschikkingen te komen tot een zo doeltreffend en rechtvaardig mogelijke verdeling en verspreiding van goederen onder (detail)handel en het publiek en van grondstoffen, productiemiddelen en verdere faciliteiten onder de fabrikanten en verwerkende industrieën. Het was de bedoeling dat hierbij geen enkel bedrijf boven andere bevoordeeld zou worden: de onderlinge concurrentiestrijd moest voor de duur der schaarste opgeschort worden. De vele regelingen werden meestal niet kenbaar gemaakt via de reguliere weg van publicatie in de staatscourant, maar door middel van circulaires.
In het zuiden van Nederland bestond in de periode september 1944 - mei 1945 vaak een Tijdelijk Rijksbureau voor de bevrijde gebieden, onder leiding van het College van Algemene Commissarissen voor Landbouw, Handel en Nijverheid.

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer
Metaalindustrie
In de metaalindustrie, dat zich voor de inval van de Duitsers in een bevredigende bedrijvigheid verheugde, was de inzinking onmiddellijk na de bezetting dieper dan in de rest van het bedrijfsleven ( Centraal bureau voor de Statistiek, Economische en Sociale Kroniek der Oorlogsjaren 1940-1945, Utrecht 1947, blz. 52. ) . Dit was voornamelijk een gevolg van het feit, dat de bedrijvigheid voor een belangrijk deel gesteund had op directe en indirecte defensie-orders, die bij de overgave wegvielen. Er trad echter spoedig verbetering in, doordat het bezettingsleger orders aan de verschillende branches begon toe te voeren, terwijl door het ontbreken van invoer en de vrees voor verscherping van rantsoenmaatregelen ook de binnenlandse vraag naar produkten toenam. Bij militaire Duitse opdrachten kwamen spoedig ook civiele, zodat steeds meer ondernemingen voor Duitse doeleinden werden ingeschakeld en de bedrijvigheid aanzienlijk toenam. De meeste opdrachten kwamen van Duitse firma's, die meestal wegens gebrek aan personeel, hun orders niet konden uitvoeren en deze, onder bijvoeging van grondstoffen en meermalen ook van gereedschap, aan buitenlandse fabrieken overdroegen. Dergelijke loonorders werden vooral verstrekt voor de vervaardiging van serie-artikelen. Intussen werd de grondstoffenvoorziening voor het bedrijf een steeds moeilijker probleem. De aanvoer uit Duitsland en andere landen van het continent konden de weggevallen invoer van overzee niet goed maken. Bovendien liep deze aanvoer, in verband met de geweldige behoeften van Duitsland vooral na de inval in Rusland, in de loop der oorlogsjaren sterk achteruit. De bezetters eisten dat het aangevoerde materiaal in de eerste plaats gebruikt werd voor voorziening in hun stijgende behoeften. Zo raakte de binnenlandse voorziening spoedig in toenemende mate in het gedrang, tot het zich ten slotte vrijwel alleen tot de allernoodzakelijkste levensbehoeften beperkte. Blijkens de cijfers van de Industrie-enquête bedroeg het aandeel van de Nederlandse opdrachten in de omzet van de metaalindustrie in het 1e kwartaal van 1944 nog slechts 14 % tegen 31 eind 1943 en 35 eind 1942 ( Economische en Sociale Kroniek, blz. 53. ) .
De distributiebureaus moesten in toenemende mate metalen en hulpstoffen beperken en de lijst van fabricageverboden en -beperkingen uitbreiden. In dit verband valt te wijzen op het Beschikkingsverbod voor ijzer en staal van oktober 1942, waarmee een hercontingentering van deze grondstoffen gepaard ging, die een stopzetting van de produktie van tal van artikelen (vooral machines) met zich meebracht. In sommige branches ontstond dientengevolge grote slapte. Daarentegen bevorderden de getroffen maatregelen in verschillende bedrijfstakken het reparatiewerk.
Het gebrek aan materiaal leidde o.a. tot een intensieve verwerking van afval en tot een toenemend gebruik van vervangingsstoffen, vooral voor non-ferro metalen. Zo werd koper vervangen door kozinal, ijzer, staal en witmetaal door gietijzer. Ook wende men in verschillende branches ter besparing legeringen aan. Door het toegenomen gebruik ontstond aan verschillende vervangingsstoffen eveneens gebrek. Wat de hulpstoffen betreft, werd in een aantal branches vooral geklaagd over het ontbreken van goede bindmiddelen voor het maken van kernen; men zocht tevergeefs naar een behoorlijk vervangingsmiddel voor lijnolie.
De regelmatige voortgang der werkzaamheden werd in toenemende mate door allerlei factoren geremd. Vooral de deportaties, welke de Duitsers in 1942 tot werkende arbeiders gingen uitstrekken en waarvan in verband met de eisen van de oorlogvoering de metaalindustrie in sterke mate het slachtoffer werd, veroorzaakten in verschillende ondernemingen een groot gebrek aan personeel. Dit tekort betrof vooral verschillende categorieën van geschoolden, o.a. draaiers, frezers, plaatwerkers en monteurs, waaraan reeds eerder gebrek bestond. Om de aldus ontstane produktiedaling enigszins op te vangen, gelastten de Duitsers in verschillende ondernemingen een verlenging van de werktijd.
In september 1944, de maand waarin het land weer rechtstreeks in de oorlogshandelingen werd betrokken, kwamen het groot- en middenbedrijf vrijwel stil te liggen wegens stopzetting van drijfkracht en vernielingen en roverijen van werktuigen en materiaal door de Duitsers. De kleinbedrijven, bijv. kachel- en hoefsmederijen en kleine reparatie-inrichtingen, konden over het algemeen aan de gang blijven. Verscheidene legden zich toe op de vervaardiging van noodkacheltjes.
In mei 1945, na de bevrijding, was de metaalindustrie er vermoedelijk het slechtst van alle industrieën aan toe, daar de Duitsers speciaal in deze bedrijfstak rigoureus hadden huisgehouden. Grondstoffen waren vrijwel niet meer aanwezig; arbeiders waren in grote getale weggevoerd; van de machines waren ruim 30.000 stuks geroofd. Het Centraal Planbureau becijferde in zijn eerste rapport, dat de metaalnijverheid in 1946 de hoogste prioriteit verdiende ( Samen met de opheffing van de knelpunten in de energievoorziening en het verkeerswezen. ) , omdat deze de basis vormde voor het verdere herstel. In eerste instantie bleef de produktie van non-ferro metalen opvallend achter bij die van ijzer. Redenen hiervan waren, behalve het gebrek aan kolen, de geleden oorlogsschade en de trage aanvoer van grondstoffen, voornamelijk tinerts. De hoge bedrijvigheid in meerdere metaalverwerkende industrieën was grotendeels een gevolg van de vele reparatieopdrachten. Reeds na enkele jaren werd het vooroorlogse produktiepeil bereikt.
In het algemeen werd met name de ijzerpositie in het tweede halfjaar van 1947 geleidelijk beter. Ten aanzien van betonijzer -waaraan in het eerste halfjaar een ernstig tekort bestond- is dit vooral te danken aan het feit dat, de leveringen uit de Verenigde Staten goed op gang kwamen. De aanvoer hiervan bedroeg in het tweede halfjaar bijna 43.000 ton tegen 10.000 in het eerste halfjaar. Ook voor andere walserijprodukten trad een merkbare verbetering in, mede ten gevolge van grotere importen uit België en vlugge afleveringen. De leveringen uit het eerste grote contract met Duitsland (105.000) begonnen pas in 1948. Enkele materialen, zoals dunne platen en buizen, bleven door een wereldtekort lange tijd nog moeilijk te verkrijgen.
De onafhankelijkheid van Indonesië en de nationalisatie van de tinmijnen gaf de produktie van tin een grote klap.
Naarmate het economisch herstel vorderde, werden distributieregelingen versoepeld of ingetrokken.
Rijksbureau voor Metalen, Rijksbureau voor IJzer en Staal, Rijksbureau voor Non-ferro Metalen
Op 1 september 1939 werd een, uit een Kernbureau voortgekomen, Rijksbureau voor Metalen opgericht, krachtens een beschikking van de Minister van Economische Zaken ( Metaalbeschikking 1939 nr 1, Ministeriële Beschikking 1 september 1939, no. 48579 N. (Stcrt 171 B). In getrokken bij de Non-ferro Metalenbeschikking 1940 nr 1 en de IJzer- en Staalbeschikking 1940 nr 1. ) , waarbij metalen als distributiegoed werden aangewezen. Het werd opgericht om werkzaam te zijn op het gebied van regeling en controle van de produktie van metalen en om toezicht te houden op de prijsvorming en prijsbeheersing. Met metalen werden bedoeld ( Ingekorte versie van artikel 1 van de Metalenbeschikking nr 1. ) :
  1. metalen en metaallegeringen, met uitzondering van goud en zilver, maar met inbegrip van ijzer en staal en ijzer- en staallegeringen, al dan niet voorzien van een deklaag in: koeken, blokken, schuitjes, gietelingen, korrels of anderen, grondstofvorm, poedervorm, staven, bladen, plaat-, band-, buis-, kabel-, of draadvorm (waaronder puntdraad), in balken of andere geprofileerde vormen;
  2. afval en oud materiaal van onder a. bedoelde metalen en metaallegeringen, alsmede afval van metaalwaren, waaronder oude afgekeurde metaalwaren, vervaardigd uit de onder a. bedoelde metalen en metaallegeringen;
  3. ertsen van de onder a. bedoelde metalen, alsmede geroost pyriet.
De dagelijkse leiding stond onder een directeur en een Commissie van Bijstand. Men hield zich voornamelijk bezig met de voorbereiding op eventuele schaarste in geval van een gewapend conflict, waar Nederland al dan niet bij betrokken zou zijn. Toen het land inderdaad in de oorlog betrokken werd, moesten de distributiemaatregelen inderdaad in alle scherpte worden toegepast. Het Rijksbureau voor Metalen werd in 1940 al gesplitst in het Rijksbureau voor Non-ferro Metalen (ingesteld door de Secretaris Generaal op 1 augustus 1940) ( Non-ferro Metalenbeschikking 1040 nr 1, Beschikking van de Secretaris Generaal 1 augustus 1940, no. 32044 N. (Stcrt 148). Ingetrokken bij de Metalenbeschikking 1947; Rijksbureau opgeheven bij Beschikking Instelling Rijksbureau voor Metalen. ) en het Rijksbureau voor IJzer en Staal (ingesteld door de Secretaris Generaal op 27 september 1940) ( IJzer- en Staalbeschikking 1940 nr 1, Beschikking van de Secretaris Generaal 27 september 1940, no. 32043 N.G. (Stcrt 189), m.i.v. 29 september 1940. Ingetrokken bij de Metalenbeschikking 1947; Rijksbureau opgeheven bij Beschikking Instelling Rijksbureau voor Metalen. ) , onder leiding van een Directie en een Bestuur dat toezicht hield, ondergebracht onder Duitse supervisie. De volgende goederen behoorden tot de competentie van het Rijksbureau voor Non-ferro Metalen ( Ingekorte versie van artikel 1 van de Non- ferro Metalenbeschikking nr 1. ) :
  1. alle metalen en metaallegeringen, met uitzondering van ijzer en staal als bedoeld in de IJzer- en Staalbeschikking 1940 nr 1 en goud en zilver, al dan niet voorzien van een deklaag in: koeken, blokken, schuitjes, gietelingen, korrels of andere grondstofvorm, poedervorm, staven, bladen, draad-, plaat-, band-, buis-, of kabelvorm, balken of andere geprofileerde vormen;
  2. afval en oud materiaal van non-ferro metalen en van non-ferro metaallegeringen, alsmede afval van non-ferro metaalwaren, waaronder oude afgekeurde non-ferro metaalwaren;
  3. ertsen der onder a. bedoelde metalen.
De volgende dispensaties en nadere beschikkingen zijn uitgevaardigd:
  • Non-ferro Metalenbeschikking 1940 nr 2 (indeling non-ferro metalen; ingetrokken bij de Metalenbeschikking 1947)
  • Non-ferro Metalenbeschikking 1940 nr 3 (intrekking algemene dispensatie; ingetrokken bij de Metalenbeschikking 1947)
  • Beschikking betreffende de handel in oude non-ferro metalen 1942 nr 2 (ingetrokken bij de Metalenbeschikking 1947)
  • Toepassingsverboden Non-ferro Metalen 1941 nr 1-5
  • Vervaardigings- en Toepassingsverbod voor Zinklegeringen 1941 en voor Aluminiumlegeringen 1943
  • Goud- en Zilverbeschikking 1941 nr 1
  • Goud- en Zilverbeschikking 1941 nr 2
  • Goud- en Zilverbeschikking 1942 nr3
  • Platinabeschikking 1944 nr 1
Tot de competentie van het Rijksbureau voor IJzer en Staal behoorden ( Hieronder volgt een ingekorte versie van artikel 1 van de IJzer en Staalbeschikking nr 1. ) :
  1. grondstoffen voor ijzer en staal
  2. ijzer of staal
Onder grondstoffen voor ijzer en staal werden verstaan:
  1. ijzererts, geroost pyriet en mangaanerts;
  2. ruwijzer;
  3. ferro-legeringen;
  4. afval van ijzer of staal en geheel of gedeeltelijk ijzeren of stalen voorwerpen;
  5. mangaan en titaan in alle vormen, voor zover grondstof voor ijzer, staal of ferro-legeringen;
Onder ijzer of staal werden verstaan: ijzer of staal in de volgende vormen, ook als het zodanige vervaardigingsfouten vertoont of de afmetingen zoveel te klein zijn, dat het niet als volwaardig ijzer of staal kan worden verkocht:
  1. voorgewalst materiaal, stalen blokken;
  2. walserijprodukten, met uitzondering van vertind blik en met koper of aluminium geplatseerd ijzer: staaf- en betonijzer en geprofileerd ijzer, plaatijzer of -staal, bandijzer of -staal, balk- en kanaalijzer of -staal, walsdraad, rails en bijbehoren;
  3. gesmede staven, schijven en ringen;
  4. getrokken materiaal in draad- en staafvorm;
  5. gietstukken in ruwe vorm van ijzer en staal;
  6. ijzeren en stalen buizen, m.u.v. installatiebuis;
  7. bruikbaar ijzer: materiaal en voorwerpen van ijzer of staal, voor zover zij behoren tot de volgende soorten, voor zover zij zonder omsmelting in de plaats van nieuw materiaal of nieuwe voorwerpen kunnen worden gebruikt, ongeacht de bewerkingstoestand:
    • halffabrikaten;
    • spoorwegmateriaal: spoorwegbovenbouwmateriaal, rollend spoorwegmateriaal;
    • profielstaal, breedflensbalken, damwandstaal;
    • staafstaal;
    • plaatstaal en plaatijzer, brede strippen en bandstaal;
    • walsdraad, ijzer- en staaldraad;
    • buizen, hulpstukken, flenzen en fittingen uit staal-, smeed- of gietijzer;
    • smeedstukken;
    • riemschijven.
De volgende dispensaties en nadere beschikkingen zijn uitgevaardigd:
  • IJzer- en Staalbeschikking 1940 nr 2 (levering aan Duitse instanties)
  • IJzer- en Staalbeschikking 1940 nr 3
  • IJzer- en Staalbeschikking 1940 nr 4 (schrot)
  • IJzer- en Staalbeschikking nr 5 (schrot: levering en prijzen)
  • IJzer- en Staalbeschikking nr 6 (schrot: levering en prijzen)
  • IJzer- en Staalbeschikking nr 7 (machines)
  • IJzer- en Staalbeschikking nr 8 (inventarisatie ijzer en staal)
  • IJzer- en Staalbeschikking nr 9 (maandelijkse voorraadopgave)
  • IJzer- en Staalbeschikking nr 10
  • IJzer- en Staalbeschikking nr 11
  • IJzer- en Staalbeschikking nr 12 (verplichte verkoop onbruikbaar ijzer en staal)
  • IJzer- en Staalbeschikking nr 13 (schrot: 4,5,6 en 9 buiten werking)
  • Beschikking IJzer- en Staalbesparing 1941
  • Beschikking IJzer- en Staalbesparing nr 2 (ingetrokken bij Beschikking IJzer- en Staalbesparing nr 3)
  • Beschikking IJzer- en Staalbesparing nr 3
  • Verordening Herdistributie IJzer en Staal
  • Beschikking verbod tot kopen etc. van modellen van wit metaal en/of lood en matrijzen van edelstaal 1943.
In oktober 1945 werden de beide Rijksbureaus weer samengevoegd en ontstond, samen met het Rijksbureau voor Metalenverwerkende Industrie, het Rijksbureau voor Metalen ( Beschikking Instelling Rijksbureau voor Metalen, Ministeriële Beschikking van september 1945, no. 12055 HV (Stcrt 79), m.i.v. 2 oktober 1945. Ingetrokken bij de Metalenbeschikking 1947. ) . De volgende goederen behoorden tot de competentie van dit Rijksbureau ( Ingekorte versie van artikel 1 van de Metalenbeschikking 1947 no.18948 (Stcrt 78). ) :
  1. grondstoffen voor ijzer en staal;
  2. ijzer of staal, ook indien het zodanige vervaardigingsfouten vertoont of de afmetingen zoveel te klein zijn, dat het niet volwaardig is of om een of andere reden niet meer als nieuw is te beschouwen, een en ander voor zover het zonder omsmelting in de plaats van nieuw materiaal kan worden gebruikt;
  3. metalen en metaallegeringen in allerlei geprofileerde vormen;
  4. afval en oud materiaal van non-ferro metalen, non-ferro metaallegeringen, non-ferro metaalwaren, waaronder afgekeurde;
  5. etsen der onder III bedoelde metalen;
  6. produkten en onderdelen, welke geheel of gedeeltelijk van ijzer en staal of van non-ferro metalen, andere dan edele metalen, zijn vervaardigd en elektrotechnische produkten, met uitzondering van de goederen, vallende onder I tot en met V, en van de goederen, genoemd in de Keramische Produktenbeschikking 1945 nr 1, in de Houtbeschikking 1941 nr 1, in de Beschikking Papier, Papierverwerkende en Grafische Industrie, in de Diamantbeschikking 1940 nr 1 en in de Rubberbeschikking 1939 nr 2.
De volgende dispensaties en nadere beschikkingen zijn uitgevaardigd:
  • Beschikking heffing bijdragen en vergoedingen Rijksbureau voor metalen 1946
  • Metalenbeschikking 1947
Naast de algemene, direct uit de Distributiewet 1939 voortvloeiende bevoegdheden, had het Rijksbureau voor Metalen, na de oorlog, nog een specifieke taak, welke was opgedragen aan de Afdeling Weggevoerde Goederen (Wego).
Afdeling Weggevoerde Goederen.
Een gedeelte van de door de Duitsers uit de bedrijven van alle bedrijfstakken weggevoerde hoeveelheden materiaal en machines, was bij de capitulatie de landsgrenzen nog niet gepasseerd en kon voor het grootste deel weer ter beschikking van de rechthebbenden worden gesteld. Nadat deze materie achtereenvolgens door het Militair Commissariaat voor Rechtsherstel en door de Sectie Krijgsbuit van het Militair Gezag was bewerkt, werd zij door de afdeling Weggevoerde Goederen van het Rijksbureau voor Metalen overgenomen.
Rijksbureau voor Metalenverwerkende Industrie
In augustus 1940 werd het Rijksbureau voor Verwerkende Industrieën opgericht ( Beschikking Verwerkende Industrieën 1940 nr 1, Beschikking van de Secretaris Generaal van 5 augustus 1940, nr 37623 N. (Stcrt 150). Ingetrokken bij de Metalenbeschikking 1947. ) . Hierbij werden verschillende Secties ingericht, nl. de Sectie Grafische Industrie, de Sectie Keramische Industrie, de Sectie Linoleum, de Sectie Openbare Nutsbedrijven en de Sectie Elektrotechnische Industrie ( Sectie Elektrotechnische Industrie, Beschikking van de Secretaris Generaal van 29 augustus 1940, no. 40522 N.G. (Stcrt 168). ) . Uit deze laatste Sectie ontstond in 1941 de Sectie Metalenverwerkende Industrie ( Sectie metalenverwerkende Industrie, Beschikking van de Secretaris Generaal van 27 augustus 1941, no. 36856 N.G. (Stcrt 169), m.i.v. 28 augustus 1941. Ingetrokken bij de Beschikking Metalenverwerkende Industrie 1944). ) . Deze Sectie Metalenverwerkende Industrie werd in 1944 omgevormd tot een rijksbureau; het Rijksbureau voor Metalenverwerkende Industrie ( Beschikking Metalenverwerkende Industrie 1944, Beschikking van de Secretaris Generaal van 5 juli 1944, no. 54585 N.G. (Stcrt 154) m.i.v. 10 augustus 1944. Belangrijk gewijzigd bij samenvoeging van de Rijksbureaus voor Generatoren en Tankgas en Materialen Wegverkeer met het Rijksbureau voor Metalenverwerkende Industrie. Rijksbureau opgeheven bij Beschikking Instelling Rijksbureau voor Metalen. Beschikking ingetrokken bij de Metalenbeschikking. ) . De volgende distributiegoederen behoorden tot de competentie van dit Rijksbureau ( Ingekorte versie van artikel 1 van de Beschikking Metalenverwerkende Industrie 1944. ) :
  1. produkten, geheel of gedeeltelijk van ijzer en staal of non-ferro metalen, met uitzondering van de produkten, genoemd in de IJzer- en Staalbeschikking 1940 nr 1, de Non-ferro Metalenbeschikking 1940 nr 1 en de Glas-, Keramiek-, en Houtproduktenbeschikking 1943 nr 1.
  2. elektrotechnische produkten, met uitzondering van de produkten, genoemd in de dezelfde beschikkingen als bij a.
De volgende dispensaties en nadere beschikkingen zijn uitgevaardigd:
  • Beschikking Gebruikte Machines 1942
  • Beschikking Afwerking Machines en Apparaten 1942
  • Rijwieldistributiebeschikking 1942 I
  • Metalen Huishoudelijke Artikelendistributiebeschikking 1942 I
  • Beschikking vervaardiging metalen electromedische produkten 1943
  • diverse vervaardigingsbeschikkingen elektrotechnische en metalen produkten.
In augustus 1945 werd het Rijksbureau voor Metalenverwerkende Industrie uitgebreid met het Rijksbureau voor Generatoren en Tankgas en het Rijksbureau Materialen Wegverkeer. Het Rijksbureau voor Generatoren en Tankgas ( Generatoren en Tankgasbeschikking 1944 nr 1, Beschikking van de Secretaris Generaal van 21 juni 1944 no. 59690 n.g. (Stcrt 139) m.i.v. 20 juli 1944. Ingetrokken bij Ministeriële Beschikking van 25 augustus 1945 nr 5733 (Stcrt 54). ) was in 1944 ontstaan uit het Bureau Generatoren en Tankgas, terwijl het Rijksbureau Materialen Wegverkeer in juni 1945 was ontstaan uit het Tijdelijk Rijksbureau Materialen Wegverkeer ( Ingesteld bij Beschikking van de Minister van Economische Zaken van 4 juni 1945 nr 2057 J.Z. (Stcrt 7) m.i.v. 11 juni 1945. Ingetrokken bij Ministeriële Beschikking van 25 augustus 1945 nr 5733 H.V. (Stcrt 54). ) . In oktober 1945 werd het Rijksbureau voor Metalenverwerkende Industrie samengevoegd met het Rijksbureau voor Non-ferro Metalen en het Rijksbureau voor IJzer en Staal, tot het Rijksbureau voor Metalen.
Rijksbureau voor Generatoren en Tankgas
In december 1940 werd het Bureau Generatoren en Tankgas ( Generatoren- en Tankgasbeschikking 1940 nr 1, Beschikking van de Secretaris Generaal van 27 december 1940, no. 51496 N.I. (Stcrt 252), m.i.v. 28 december 1940. Ingetrokken bij de generatoren- en Tankgasbeschikking 1944 nr 1. ) opgericht, als zijnde verbonden aan het CIVI ( Centraal Instituut Voor Industrialisatie. ) . Met generatoren en Tankgas bedoelde men:
  • generator: de installatie, waarin uit vaste brandstoffen gassen voor aandrijving van motoren worden gevormd, gereinigd en met lucht vermengd, alsmede de onderdelen daarvan.
  • compressorinstallatie: de installatie, bestemd voor het comprimeren en afleveren van gasvormige brandstoffen voor motorrijtuigen.
  • drukvaten: de installatie, waarin gasvormige brandstoffen voor motoren van motorrijtuigen worden meegevoerd, naar de motor geleid en met lucht vermengd, alsmede de onderdelen daarvan.
In 1941 werd het Bureau bij het Rijksbureau voor Aardolieprodukten ondergebracht ( Beschikking van de Secretaris Generaal van 20 januari 1941, no. 2514 E.O.I. (Stcrt 13). ) , als onderdeel van de Commissie voor Generatorbrandstoffen (samen met het Rijkskolenbureau, Hout en Waterstaat). Bovendien had het Rijksbureau voor aardolieprodukten een voogdij ten aanzien van de interne organisatie van het Bureau. Het Bureau Generatoren en Tankgas had de volgende taken:
  1. Het regelen van:
    1. De bouw van generatoren en persinstallaties;
    2. De ombouw van benzinemotoren op pers- en generatorgas;
    3. Het monteren van die op pers- en generatorgas omgebouwde benzinemotoren.
  2. Het regelen van de brandstoffenvoorziening voor de generatoren;
  3. Het verrichten en doen verrichten van onderzoekingen om tot technische verbeteringen te komen.
In de loop van de oorlog bleek dat werkzaamheden, die het Rijksbureau voor Aardolieprodukten verrichtte voor het Bureau Generatoren en Tankgas inmiddels geleidelijk aan door dit Bureau waren overgenomen en het Bureau een sluitend geheel was gaan vormen. Er werd besloten dat het Bureau ten opzichte van zijn interne organisatie zijn zelfstandigheid te geven. Zowel van departementswege als door de Accountantsdienst had systematische bemoeiing met de organisatie plaats gevonden. Blijvende inschakeling van het Rijksbureau voor Aardolieprodukten zou niet alleen neerkomen op een overmaat van controle, maar bovendien zou hiermee dit Rijksbureau belast worden met de verantwoordelijkheid voor een gang van zaken, die het niet meer voldoende in handen zou hebben. In 1944 werd het Bureau, bij beschikking van de Secretaris Generaal, omgezet in het Rijksbureau voor Generatoren en Tankgas ( Generatoren- en Tankgasbeschikking, Beschikking van de Secretaris Generaal van 21 juni 1944, no. 59690 N.G. (Stcrt 139), m.i.v. 20 juli 1944. Ingetrokken bij Ministeriële Beschikking van 25 augustus 1945, no. 5733 HV (Stcrt 54). ) . Het Rijksbureau voor Generatoren en Tankgas werd gevestigd in 's-Gravenhage. Het Rijksbureau Generatoren en Tankgas werd na de oorlog gevoegd bij het Rijksbureau voor Metalenverwerkende Industrie. ( Samenvoeging van de Rijksbureaus voor Generatoren en Tankgas en Materialen Wegverkeer met het Rijksbureau voor Metalenverwerkende Industrie, Beschikking van de Minister van Economische Zaken van 25 augustus 1945, no. 5733 HV (Stcrt 54). )
Tijdelijke Rijksbureaus
Als gevolg van oorlogshandelingen werd de metaalsector eind 1944 afgesneden van haar centrale bestuursorganen in het noorden en kwam onder het College van Algemene Commissarissen voor Landbouw, Handel en Nijverheid te staan. Zo werden het Tijdelijk Rijksbureau voor IJzer en Staal, het Tijdelijk Rijksbureau voor Non-ferro Metalen, het Tijdelijk Rijksbureau voor Metalenverwerkende Industrie en het Tijdelijk Rijksbureau voor Materialen Wegverkeer opgericht. Zij stonden onder leiding van tijdelijke directeuren, die totdat de centrale Rijksbureaus bevrijd waren, dezelfde volmachten hadden. De werkzaamheden waren door de aard van de beschikking identiek aan die van de moederbureaus in Den Haag. Toen na mei 1945 het gehele Nederlandse grondgebied bevrijd was, werden de bevoegdheden weer ingetrokken d.m.v. een verordening in het Publicatieblad van het Militair Gezag ( Publicatieblad Militair Gezag, 8 juni 1945, nr 124. ) .
Het Centraal Bureau voor Sloopmaterialen.
Het Centraal Bureau voor Sloopmaterialen werd op 12 november 1942 opgericht. De directeuren van de Rijksbureaus voor IJzer en Staal, Non-ferro Metalen, Metalenverwerkende Industrie, Keramische Industrie, Bouwmaterialen en Hout vormden gezamenlijk het bestuur van het bureau. Het had tot taak:
  1. het transporteren van de bruikbare sloopmaterialen, welke ontstaan bij het slopen van gebouwen door of op last van de Duitse weermacht, naar daarvoor bestemde opslagplaatsen;
  2. de administratie van en het beheer over de onder a bedoelde sloopmaterialen;
  3. het afgeven van sloopmaterialen op aanwijzing van de Duitse weermacht of van de Secretaris Generaal van het Departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart.
Het bureau werd eind februari 1946 opgeheven.
Rijksbureau voor Metalen en Bouwstoffen
In 1949 ontstond het Rijksbureau voor Metalen en Bouwstoffen ( Samenvoeging van de Rijksbureaus voor Metalen en voor Keramische Produkten tot Rijksbureau voor Metalen en Bouwstoffen, Beschikking van de Minister van Economische Zaken van 5 april 1949, no. 6339 HN/PD (Stcrt 68). Rijksbureau samengevoegd met Rijksbureau voor Tabak en Tabaksprodukten tot het Centraal Rijksbureau bij Ministeriële Beschikking op 16 januari 1950, zonder nummer (Stcrt 12). ) uit een samenvoeging van de Rijksbureaus voor Metalen en voor Keramische Produkten ( Het Rijksbureau voor Keramische Produkten was in 1945 uit het Rijksbureau voor Glas, Keramiek en Houtprodukten voortgekomen, waarbij ook de Bouwmaterialenbeschikking 1939 nr 1 was komen te vervallen. ) . De volgende goederen behoorden tot de competentie van dit Rijksbureau:
  • de metalen van het Rijksbureau voor Metalen, genoemd in de Metalenbeschikking 1947, hierboven vermeld in paragraaf 2.2, de punten I-VI;
  • de bouwmaterialen, glas- en keramische goederen van het Rijksbureau voor Keramische Produkten ( Ingekorte versie van de Keramische Produktenbeschikking 1945 nr 1 van 9 augustus 1945, no. 6832 H.V. (Stcrt 44), waarbij rekening is gehouden met de dispensaties van de Uitvoering Keramische Produktenbeschikking 1945 nr 1 van 13 december 1945 (Stcrt 132). ):
  1. bouwmaterialen: cement, gips, asbest, mergel, aarde en klei, steen in alle soorten en vormen, dakpannen, draineerbuizen, tegels en hulpstukken, slijpstenen, schuurpapier, vlakglas en bouwglas in alle soorten en vormen;
  2. grove pottenbakkerswaar, aardewerk, porselein, al dan niet geglazuurd, serviesgoed ( Krachtens de Serviesgoeddistributiebeschikking 1946 van 15 januari 1946, no. 151416/212 (Stcrt 22). );
  3. glaswerk voor alle doeleinden, ballon-, buis- en staafglas, opticiensartikelen;
  4. alle andere distributiegoederen, voor zover zij door ondernemingen bij de vervaardiging of bewerking van hierboven genoemde goederen werden verwerkt.
De volgende dispensaties en beschikkingen e.d. bleven van kracht:
  • Metalenbeschikking 1947
  • Goud- en Zilverbeschikking 1941 nr 1
  • Goud- en Zilverbeschikking 1941 nr 2
  • Goud- en Zilverbeschikking 1942 nr 3
  • Platinabeschikking 1944 nr 1
  • Beschikking heffing bijdragen en vergoedingen Rijksbureau voor Metalen 1946
  • Keramische Produktenbeschikking 1945 nr 1
  • Beschikking heffing bijdragen Rijksbureau voor Keramische Produkten 1946.
Geschiedenis van het archiefbeheer
De verwerving van het archief
Overbrenging van een overheidsarchief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Openbaarheidsbeperkingen
Volledig openbaar.
Beperkingen aan het gebruik
Reproductie van originele bescheiden uit dit archief is, behoudens de algemene regels die gelden voor het kopiëren van stukken, niet aan beperkingen onderhevig. Er zijn geen beperkingen krachtens het auteursrecht.
Materiële beperkingen
Het archief kent geen beperkingen voor het raadplegen van stukken als gevolg van slechte materiële staat.
Aanvraaginstructie
Openbare archiefstukken kunnen online worden aangevraagd en gereserveerd. U kunt dit ook via de terminals in de studiezaal van het Nationaal Archief doen. Om te kunnen reserveren dient u de volgende stappen te volgen:
  1. Creëer een account of log in.
  2. Selecteer in de archiefinventaris een archiefstuk.
  3. Klik op ‘Reserveer’ en kies een tijdstip van inzage.
Citeerinstructie
Bij het citeren in annotatie en verantwoording dient het archief tenminste éénmaal volledig en zonder afkortingen te worden vermeld. Daarna kan worden volstaan met verkorte aanhaling.
VOLLEDIG:
Nationaal Archief, Den Haag, Rijksbureau voor Metalen, nummer toegang 2.06.076.09, inventarisnummer ...
VERKORT:
NL-HaNA, Rijksbureau Metalen, 2.06.076.09, inv.nr. ...

Verwant materiaal

Beschikbaarheid van kopieën
Inventarisnummers van dit archief zijn niet in kopievorm beschikbaar

Archiefbestanddelen