2.06.104 Inventaris van de archieven betreffende de Rijn-Schelde-Verolme Machinefabrieken en Scheepswerven NV van het Ministerie van Economische Zaken., 1972-1983

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Ik heb het begrepen

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

GESCHIEDENIS RIJN-SCHELDE-VEROLME MACHINEFABRIEKEN EN SCHEEPS-WERVEN NV

Op 3 februari 1983 besloot het kabinet-Lubbers om geen verdere steun aan het concern Rijn-Schelde-Verolme Machinefabrieken en Scheepswerven NV (RSV) te verlenen. Na dit besluit heeft de Raad van Bestuur van RSV surséance van betaling aangevraagd voor de holding en alle volledige Nederlandse RSV-dochterondernemingen. Voorlopige surséance van betaling werd op 9 februari 1983 door de Rotterdamse Rechtbank verleend. Dit betekende het begin van de ontmanteling van het in 1971, door de fusie tussen de Rijn-Schelde Groep en de Verolme Verenigde Scheepswerven NV, gevormde RSV-concern.
Het concern startte in 1971 met ruim 27.500 werknemers en maakte tot 1976 een groeiperiode door. In 1975 werd nog een nettowinst van f 50,3 mln. gemaakt, maar vooral door de ineenstorting van de scheepsbouwmarkt, met name de tankerbouw en de achteruitgang van de scheepsreparatiemarkt, werd in 1976 een verlies van f 34 mln. geleden. De concurrentie van met name uit Japan noopte RSV tot het aannemen van sterk verliesgevende opdrachten, hetgeen een voortdurende aanslag op de vermogenspositie van het concern betekende. Daar het herstel van de scheepsbouwmarkt ook niet voor het begin van de jaren tachtig werd verwacht, werd in overleg getreden met de overheid om te komen tot maatregelen ter versterking van de verslechterde vermogenpositie van het concern en maatregelen om het hoofd te kunnen bieden aan met name de Japanse concurrentie in de grote scheepsnieuwbouw. Dit overleg resulteerde in 1977 tot verlening van een achtergestelde lening ad f 150 mln.
In januari 1978 wendde RSV zich opnieuw tot de overheid nu om mogelijke maatregelen te bespreken, die zouden kunnen voorkomen dat de ernstige moeilijkheden in de scheepsbouw en de slechte situatie op het gebied van de scheepsreparatie, de continuïteit van het totale concern in gevaar zou brengen. Dit leidde tot de RSV-paragraaf in de brief van 21 maart 1978 aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, waarin steunmaatregelen voor de scheepsbouw en zware metaalindustrie werden aangekondigd. Het RSV-concern werd een steunprogramma aangeboden van f 405 mln., op voorwaarde dat een omvangrijk reorganisatieplan zou worden uitgewerkt en doorgevoerd. Tevens diende de uitgangspunten van de Beleidscommissie Scheepsbouw voor Werfgroep I te worden aanvaard. De gestelde voorwaarden resulteerden in o.a. de overname van een deel van het personeel van IHC Gusto BV, de herstructurering van de landactiviteiten en de herstructurering van de Amsterdamse scheepsreparatie en -nieuwbouwactiviteiten. Dit laatste geschiedde door de Nederlandsche Dok- en Scheepsbouwbouw Maatschappij (NDSM) reparatie- en nieuwbouwactiviteiten, in samenwerking met de Amsterdamsche Droogdok Maatschappij NV (ADM), onder te brengen in twee nieuwe combinaties, respectievelijk de ADM BV en de Nederlandsche Scheepsbouw Maatschappij BV (NSM).
Eind 1978 en begin 1979 werd opnieuw duidelijk dat de door de overheid ter beschikking gestelde financiële steun niet toereikend zou zijn. Naar aanleiding hiervan voerden de ministers van Economische Zaken en Sociale Zaken uitvoerig overleg met de leiding van het RSV-concern en de werknemersvertegenwoordigers (tripartite overleg). Dit overleg resulteerde in de totstandkoming van de brief van 1 juni 1979 aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, waarin een “laatste” steunaanbod aan RSV van f 225 mln. werd toegezegd. Tevens werd daarin medegedeeld dat de regering de verliezen voortvloeiende uit de grote scheepsnieuwbouw en grote offshore, voor haar rekening zou nemen. Opnieuw echter diende het concern te voldoen aan een aantal voorwaarden: verdere doorvoering van de herstructurering en afslanking, alsmede een organisatorische reconstructie van het concern. Hierbij diende RSV het advies van een onafhankelijke organisatiebureau als leidraad te nemen.
Op 28 juni 1979 deelde het Kabinet mede dat zij had besloten de grote scheepsnieuwbouw en grote offshore bij de Verolme Dok- en Scheepsbouw Maatschappij (VDSM), Rotterdamsche Droogdok Maatschappij (RDM) en Verolme Machinefabriek IJsselmonde BV (VMY) in afgeslankte vorm voort te zetten. Hiertoe zou worden overgegaan door middel van het oprichten van een nieuw te vormen bedrijf, naderhand bekend onder de naam de Rotterdamse Offshore en Scheepsbouwcombinatie (ROS). Eind 1979 toen oprichting van de ROS slechts een kwestie van tijd leek, werd duidelijk dat de vooruitzichten van de ROS aanzienlijk slechter waren dan was voorzien. Dit werd met name veroorzaakt door het hoge kostenniveau.
Wederom werd besloten tot tripartiete overleg tussen overheid, RSV en vertegenwoordigers van werknemers, waarna het kabinet op 23 april 1980 aankondigde dat de ROS niet zou worden opgericht en dat de activiteiten van de VDSM op het gebied van de grote scheepsnieuwbouw en grote offshore zouden worden beëindigd. Voor de afbouw van deze activiteiten werd aan RSV f 310 mln. ter beschikking gesteld.
In de jaren 1980 en 1981 bleek dat de op 1 juni aangekondigde “laatste” steunoperatie niet voldoende zou zijn. Door grote verliezen op een vijftal turnkey-projecten van Thomassen Holland BV in Algerije, de afbouw van de ROS, met name de problemen rond het baggereiland de “Simon Stevin”, alsmede door het uitblijven van een financiering van het kolengraafproject (bouw en exploitatie van kolengraafmachines door het RSV-concern), werd de financiële positie van het concern zodanig dat zonder verdere financiële steun het einde van het concern in zicht zou zijn. De verslechterde financiële situatie deed het kabinet besluiten RSV nog eenmaal financieel te ondersteunen. Zij verleende het concern op 6 april 1982 een voorschot van f 238,5 mln. ter dekking van de geleden verliezen in de grote scheepsnieuwbouw en grote off-shore waartoe het kabinet overigens voor een bedrag van f 295 mln. reeds contactueel gebonden was, gezien de toezeggingen gedaan in 1980, alsmede een aanvullende lening ad f 32 mln.
Eén van de voornaamste voorwaarden van deze steunoperatie betrof een rapportage over de huidige en toekomstige positie van het RSV-concern. Nadat de rapportage in oktober 1982 was uitgebracht, bleek in december 1982 opnieuw dat de financiële positie van het RSV-concern verslechterd was. Een verzoek van RSV om een overbruggingsfinanciering van f 300 mln. werd niet gehonoreerd. Naar aanleiding van dit verzoek besloot het kabinet een projectgroep in te stellen, bestaande uit ambtenaren van een aantal departementen, medewerkers van het Centraal Instituut voor Industrie-ontwikkeling (CIVI), de Nationale Investerings Bank (NIB) en McKinsey & Co. Haar taak was het Kabinet voor 1 februari 1983 van advies te dienen over de huidige RSV-problematiek. Om in tussentijd een ongestoorde bedrijfsvoering mogelijk te maken werd aan RSV een overbruggingsfinanciering van f 100 mln. verleend.
Het niet van de grond komen van het kolengraafproject en de bevindingen van de projectgroep, leidde tenslotte tot de stopzetting van de financiële steun aan RSV als “going concern”. Wel werd op grond van overwegingen betreffende de werkgelegenheid en van industriepolitieke aard voor een aantal vennootschappen financieringen ter beschikking gesteld, om hun activiteiten (eventueel in afgeslankte vorm) te continueren. Het personeelsbestand van RSV, dat eind 1982 al tot 17.150 man was geslonken, zou zo werd begin 1983 voorzien met nog eens een derde moeten verdwijnen.
Op 24 maart 1983 nam de Tweede Kamer der Staten-Generaal het besluit tot het houden van een enquête naar het door opeenvolgende kabinetten gevoerde beleid ten aanzien van het Rijn-Schelde-Verolme concern (RSV), in het bijzonder naar de besteding van daarmee gemoeide overheidsmiddelen en naar de op die besteding uitgeoefende controle.

Geschiedenis van het archiefbeheer

De voorzitter en de beide vice-voorzitters van de commissie van onderzoek van de Tweede Kamer voerden op 12 april 1983 een eerste gesprek met de Minister van Economische Zaken. Naar aanleiding van dit gesprek werd door de minister de uitdrukkelijke wens geuit, dat de stukken uit de archieven van het Ministerie van Economische Zaken die betrekking hadden op de steunverlening aan het RSV-concern zouden worden verzameld en toegankelijk gemaakt. De te ordenen en te inventariseren stukken waren in drie stromen te onderscheiden:
  1. stukken gearchiveerd door de Afdeling Post- en Archiefzaken;
  2. stukken opgeslagen in de Centrale Archiefbewaarplaats, maar niet gearchiveerd door de Afdeling Post- en Archiefzaken;
  3. stukken afkomstig van diverse beleidsonderdelen.
De verzamelde stukken zijn in eerste aanleg gesplitst in de tijdvakken 1965-1977 en 1978-1983. Dit werd gedaan in verband met de reeds bestaande inventaris van enige archiefdelen inzake de scheepsbouwproblematiek, over de periode 1965-1977.
Daar voor de inventarisatie alleen de stukken van die onderdelen zijn verwerkt, die het beleid inzake RSV bepaalden, werden voornamelijk de stukken van het Directoraat-generaal voor Industrie en van de Regeringsadviseur geïnventariseerd en beschreven. Omdat het Directoraat-generaal voor Industrie is onderverdeeld in directies, zijn de stukken per directie geordend. Tevens zijn de stukken betreffende de Commissie Grote Individuele Steunprojecten bij het directoraat-generaal beschreven, omdat het secretariaat van deze commissie bij het directoraat-generaal berust.
Om de commissie zo snel mogelijk van de door haar gewenste informatie te kunnen voorzien, zijn per gevraagd onderwerp voorlopige inventarissen vervaardigd. Bij de ordening naar onderwerp zijn tijdens de inventarisatie de volgende onderwerpen, van bijzonder naar algemeen, vastgesteld. Als eerste onderwerp is vastgesteld de financiële steunverlening aan RSV en de daaraan verbonden voorwaarden. Dit is verder chronologisch onderverdeeld per steunverlening waarbij per steunverlening een analoge onderverdeling is toegepast.
Het tweede onderwerp is: Divisies/groepen en deelnemingen van RSV. Deze zijn alfabetisch onderverdeeld en, indien noodzakelijk, verder onderverdeeld per divisie/groep of deelneming. Het derde onderwerp is de organisatie van RSV als concern. Dit onderwerp is verder onderverdeeld in sub-onderwerpen. De stukken die niet in een van bovengenoemde drie onderwerpen konden worden verplaatst, zijn geplaatst in een vierde onderwerp: Scheepsbouw, scheepsreparatie en offshore-activiteiten - algemeen -, wat verder onderverdeeld is in sub-onderwerpen. Ook hierna bleven nog stukken over, deze zijn geplaatst in een vijfde onderwerp: Orders - algemeen -.
In totaal zijn door het Ministerie van Economische Zaken oorspronkelijk 19,5 m1 archiefbescheiden geïnventariseerd. Na inventarisatie zijn de archiefbescheiden overgebracht naar de Centrale Archiefbewaarplaats van het Ministerie van Economische Zaken.

De verwerving van het archief

Het archief is in 2021 door Minister van Economische Zaken overgebracht naar het Nationaal Archief, krachtens artikel 12 van de Archiefwet 1995