2.08.95 Inventaris van het archief van de Rijksmunt, (1909) 1910-1994

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Ik heb het begrepen

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Korte voorgeschiedenis

In 1806 zijn de gewestelijke munthuizen opgeheven en is de Nederlandse munt productie gecentraliseerd in Utrecht: 1806 is het geboortejaar van 's Rijksmunt. Het muntbedrijf functioneerde in de 19e eeuw volgens een vertakt systeem van aanneming van werk. Het Rijk besteedde vanouds het slaan van munten uit aan een Muntmeester - overigens een rijksambtenaar. Deze kocht het benodigde goud, zilver en koper in, besteedde de eigenlijke werkzaamheden uit aan muntgezellen, die daarbij voor eigen rekening weer werklieden in dienst konden nemen. De munt productie vond plaats in een rijksgebouw met materialen die grotendeels staatseigendom waren. Het Munt-College, bestaande uit een Inspecteur-Essayeur Generaal, een waardijn en een secretaris oefende het toezicht uit op de werkzaamheden aan 's Rijksmunt.
Op 1 januari 1902 nam het Rijk de munt productie volledig in eigen beheer. De Muntmeester kreeg de zorg over de zaken van de Munt opgedragen. Het toezicht op de zaken van de Munt - bestaande uit: de algemene controle op hetgeen de muntfabriek aan muntmateriaal en gemunt geld ontving en afleverde - werd opgedragen aan de Controleur-Generaal. Beide functionarissen dienden elkaar aan te vullen en te controleren. Zij vormden elk een eigen archief.
Los van 's Rijksmunt was er - ook vanaf 1902 - een Commissie voor het Muntwezen, die jaarlijks steekproefsgewijs onderzoekingen deed naar gewicht en gehalte van de geproduceerde munten. In 1909 kwamen daar nog bij een jaarlijks onderzoek naar gewicht en gehalte van een representatieve steekproef van munten in de circulatie.
Spoedig bleek dat in het nieuwe stelsel er te weinig werk was voor zowel een Muntmeester als een Controleur-Generaal. Beiden werkten meer naast elkaar en streefden ten koste van elkaar naar vergroting van bevoegdheden en werkterrein. De mondelinge besprekingen verminderden, totdat zij tenslotte alleen nog schriftelijk communiceerden.
Het overlijden van de Muntmeester in 1908 was dan ook aanleiding de beide functies per 1 oktober 1909 te verenigen in een persoon: 's Rijksmuntmeester. Daartoe werd de Wet omtrent het toezicht en de zorg over de zaken van de Munt 1901 aangepast bij Wet van 1 juli (Stb. 1909, 253). Bij deze wet werd ook een van de overige afdelingen geheel gescheiden en onafhankelijke afdeling controle ingesteld. Deze afdeling kreeg het toezicht op het verbruik van muntmateriaal bij de Munt. De leiding over deze afdeling berustte bij de Muntmeester.

Wettelijk kader voor de werkzaamheden van 's Rijksmunt

Wetgeving met betrekking tot het muntwezen

De activiteiten van 's Rijksmunt zijn altijd verankerd geweest in de Grondwet. Tot 1983 kwam in de Grondwet altijd een artikel voor waarin tot uiting kwam dat het muntrecht van oudsher een koninklijk privilege was: "De Koning heeft...het recht van munt. Hij vermag zijn beeltenis op de muntspeciën te doen stellen." Andere artikelen vormden de basis voor enerzijds de Muntwetten - waarin gewicht, gehalte en waarde der muntspeciën geregeld werden - en anderzijds de wetten op het toezicht op en de zorg over de zaken van de munt. Na de herziening en vereenvoudiging van de Grondwet in 1983 is er nog maar een artikel over. Artikel 106 luidt: "De wet regelt het geldstelsel." Deze formulering slaat mede op bankbiljetten.
De Muntwet 1901 regelde nauwkeurig gehalte, gewicht en middellijn van 12 verschillende muntsoorten: 1/2 cent-, cent- 2 1/2 centstukken in brons, 5 centstukken in nikkel, 10 en 25 centstukken, 1/2 gulden - en guldenstukken en rijksdaalder in zilver, en tenslotte 5 en 10 guldenstukken en dukaten in goud. De laatste drie soorten mochten - bij 's Rijksmunt - worden aangemunt in opdracht van particulieren.
De werkzaamheden van Muntmeester en Controleur-Generaal werden geregeld in het Besluit houdende instructiën van den Muntmeester en van den controleur-generaal van 's Rijksmunt, 3 december 1901 (Stb. 234). De samenvoeging van beide functies in 1909 leidde tot het Besluit van den 23sten september 1909, houdende regeling van de inrichting van den dienst van 's Rijksmunt (Stb. 318). In dit besluit is de instructie van de Muntmeester opgenomen in bewoordingen die rechtstreeks zijn overgenomen uit het KB van 3 december 1901. Het besluit van 1909 bepaalde voorts dat er vijf afdelingen waren bij 's Rijksmunt: Algemene Zaken, Muntfabriek, Stempel- en Medaillefabriek, Poststempelfabriek (opgeheven in 1914) en Controle.
Bij Wet van 16 februari 1912 (Stb. 85, Bedrijvenwet 1912) werd besloten dat bepaalde, bij wet aan te wijzen takken van rijksdienst een eigen begroting van inkomsten en uitgaven zouden krijgen, die jaarlijks bij een afzonderlijke wet zou worden vastgesteld. Daarvoor waren inkomsten en uitgaven van de Munt opgenomen in de begroting van het ministerie van financiën. Daardoor werd het mogelijk de baten en lasten van het muntwezen, die voor rekening van de Staat kwamen, te scheiden van de interne bedrijfsvoering van de Munt. Bij de wet van 31 oktober 1912 werd 's Rijksmunt aangewezen tot staatsbedrijf. De Comptabiliteitswet 1927 van 21 juli 1927 (Stb. 483) leidde tot aanpassingen in de Bedrijvenwet en had vooral gevolgen voor de boekhouding van 's Rijksmunt.
De aanmuntingen voor Nederlands-Indië vonden plaats in het kader van de Wet van den 1sten mei 1854 (Stb. 75) tot regeling van het Muntwezen in Nederlands-Indië. Deze werden vervangen door de Indische Muntwet van 1912.
Op last van de bezetter werd eind 1941 en begin 1942 de Muntwet 1901 ingrijpend gewijzigd. De vooroorlogse munten werden buiten de omloop gesteld en moesten worden ingeleverd. Hun plaats werd ingenomen door zinken munten. De Nederlands regering liet vanaf 1941 munten slaan bij diverse munthuizen in de Verenigde Staten. Deze muntslag kreeg een wettelijke basis in het KB van 20 juli 1944 (Stb. E54).
Bij de Muntwet van 15 april 1948 (Stb. I 1956) werd het Nederlands muntstelsel grondig gereorganiseerd. De munten van 2 ½ en ½ en de gouden munten van 5 en 10 gulden werden afgeschaft. De gouden dukaat bleef de enige echte vrije handelsmunt.
De Wet van 22 december 1955 houdende bepaling omtrent het toezicht op de zorg van de zaken van de munt (Stb. 618) hield een aantal vereenvoudigingen in. Daarnaast werd de werking van de wet beperkt tot Nederland: Nederlands-Indië. was onafhankelijk geworden en de regeling van het muntwezen van Suriname en Curaçao werd overgelaten aan de respectievelijke Landsorganen. De Commissie voor het Muntwezen werd opgeheven.
Ook het KB van 23 september 1909 (Stb. 318) werd op ondergeschikte punten gewijzigd en vervangen door het Besluit van 24 december 1957, houdende nadere regelen omtrent de inrichting van de dienst van 's Rijksmunt (Stb. 1957, 560). Er waren bijvoorbeeld nog maar drie afdelingen: Algemene Zaken, Fabricage en Onderhoud en Controle. Dit KB van 24 december 1957 is nooit officieel ingetrokken. Aangenomen mag worden dat het in 1987 impliciet is ingetrokken omdat de wetten waarop het is gebaseerd zijn ingetrokken.
In 1987 werd de muntwetgeving aanzienlijk vereenvoudigd: de Muntwet 1948 en de Wet op het Toezicht 1955 werden ingetrokken en vervangen door één wet: de Muntwet 1987 van 3 november 1987, die op 15 november daaropvolgend in werking trad. Over 's Rijksmunt handelen nog slechts drie artikelen: de Munt behield het monopolie voor het slaan van munten (art. 6), 's Rijksmuntmeester bleef belast met de leiding van de Munt (art. 11). Art. 12 gaat over het jaarverslag en de publicatie daarvan door de minister van financiën.
Per 1 juli 1994 werd 's Rijksmunt geprivatiseerd en omgezet in een privaatrechtelijke nv met de Staat als enige aandeelhouder.

Wetgeving met betrekking tot niet-muntproducten

De Wet houdende bepalingen omtrent het toezicht en de zorg over de zaken der Munt 1901 (Stb. 130) opende nadrukkelijk de mogelijkheid voor 's Rijksmunt om voor rekening van anderen medailles en stempels te vervaardigen. Tevens werd de mogelijkheid opengehouden munten voor andere landen te slaan. De voorwaarden waaronder dit zou kunnen gebeuren werden vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur.
De Wet toezicht Muntwezen van 1955 bepaalde dat niet langer de voorwaarden worden vastgesteld, maar slechts de regels waaraan de voorwaarden moesten voldoen. In de praktijk kreeg de muntmeester daardoor meer armslag bij de productie van medailles, stempels en munten voor derden.

Organisatie

De organisatiestructuur van 's Rijksmunt is lange tijd gebaseerd geweest op het dienst reglement. In 1957 werd dit besluit vernieuwd op basis van de Wet op het toezicht en de zorg voor het Muntwezen 1955. Deze wet is in 1987 buiten werking gesteld; daarmee is het dienst reglement impliciet opgeheven.
De organisatie structuur zag er van 1909 tot 1957 als volgt uit:
  • Muntmeester - Administratie;
    • Muntfabriek, Smelthuis, Pletterij, Blanchiment, Weegzaal en Muntzaal;
    • IJkstempel en Medaillefabriek, Muntstempels, Medaillestempels, Waarborg, IJk- en Zegelstempels;
    • Poststempelfabriek;
    • Controle.
Daarnaast waren er nog enkele kleinere afdelingen: Herstelwerkplaats, Muntdepot en Magazijn. De poststempelfabriek ging in 1914 op in de medaillefabriek; de fabricage van stempels ging door tot 1969.
Vanaf 1957 zag de organisatiestructuur er als volgt uit:
  • Muntmeester - Algemene Zaken, Boekhouding, Bedrijfsadministratie, Personeelsadministratie, Verzending producten behalve munten, Bibliotheek en Archief;
    • Fabricage en Onderhoud, Muntfabriek, Stempel- en Medaillefabriek, Onderhoud en Herstel;
    • Controle, Verzending munten, Verzending munt- en medaillemateriaal, Controle.
Deze organisatiestructuur veranderde vanaf het begin der jaren '60 voortdurend, overigens zonder dat men het Besluit van 1957 aanpaste aan de veranderde omstandigheden. Smelterij en pletterij werden eind jaren '60 gesloten. Begin jaren '90 waren er zeven afdelingen:
  • Productie;
  • Technische Dienst;
  • Marketing;
  • Productiesturing;
  • Beveiliging/Controle;
  • Controlling/Informatie;
  • Personeelszaken.
Daarna (1992/3) werd de Technische Dienst met de afdeling Productie samengevoegd in een nieuwe afdeling Techniek. Productiebesturing werd uitgebreid en omgezet in een afdeling Logistiek. De afdeling Marketing, eerder ook wel Commerciële Zaken genoemd, onderging een naamsverandering tot: Verkoop. Er zijn nu nog zes afdelingen: Controlling, Verkoop, Techniek, Kwaliteitszorg/Beveiliging, Logistiek, Personeel & Organisatie.
Het museum, vroeger Munt- en Penningkabinet, komt meestal niet voor in de organogrammen en de beschrijvingen van de organisatie. Als het museum genoemd wordt, dan is het rechtstreeks onder de Muntmeester.

Relatie met andere organen

Het oppergezag over 's Rijks Munt berustte bij de minister van Financiën. De Munt was hiërarchisch ondergeschikt: de Minister kon algemene en concrete aanwijzingen geven. Dat de Munt een zelfstandige administratie kende, betekende nog niet dat zij zelf een beleid kon en mocht voeren. "In de praktijk is het zwaartepunt van het muntbeleid overduidelijk bij de Haagse beleidsdirecties blijven liggen".
De Muntmeester valt hiërarchisch rechtstreeks onder de thesaurier-generaal, de hoogste ambtenaar op het gebied van monetaire aangelegenheden.
Verder zijn er structurele banden met de verschillende centrale directies onder verantwoordelijkheid van de secretaris-generaal: Voorlichting, Personeel en Management, Financieel-economische Zaken en Wetgeving, Juridische en Bestuurlijke zaken.
Er zijn contacten met De Nederlandsche Bank en met de PTT vanwege muntdistributie.

Boekhouding

Van de boekhouding van voor 1929 is niets meer bewaard gebleven, zodat niet kon worden vastgesteld op welke wijze die boekhouding is gevoerd.
De boekhouding werd vanaf 1 januari 1929 gevoerd volgens de zogenaamde Hollandse methode: een dubbele boekhouding waarbij men de boeken maandelijks afsloot.
In 1947 volgde de invoering van een kostprijsboekhouding, om daarmee de werkelijke productiekosten per product vast te kunnen stellen en reële prijzen te kunnen berekenen aan klanten.
Vanaf 1 januari 1962 werd overgegaan op een doorschrijfboekhouding. Vanaf die tijd zijn geen kasboeken, journaals e.d. meer aangetroffen.
Vanaf 1985 werd de boekhouding geautomatiseerd.

Bedrijfsadministratie

Voor en na elke productiegang telde en/of woog men het gebruikte materiaal. De resultaten van die metingen en tellingen werden opgenomen in de zogenaamde loopboeken, bijgehouden door zowel de afdeling controle als door de productieafdelingen. Resultaten van de uiteindelijke opbrengst van elke aanmunting tekende men op in de zogenaamde "opbrengstboeken", bijgehouden door zowel de Muntmeester als de afdeling controle. Alle metaalbewegingen werden uiteindelijk samengevat in een "metalenboek". Naar buiten toe werd het materiaalverbruik nog eens verantwoord in de aanmuntingsrekeningen, waarvan exemplaren ter goedkeuring werden opgestuurd aan de Algemene Rekenkamer en aan het ministerie van Financiën.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Ordening, registratuur en toegangen

Het archief tot en met circa 1987 wordt beheerd door de conservator van het museum. Het archief is geordend volgens een rubriekenstelsel, dat wil zeggen: volgens onderwerp. Er zijn zo’n 35 rubrieken. Niet alle rubrieken zijn tijdens de hele periode in gebruik geweest. De rubrieken waren in alfabetische volgorde weggezet, beginnend met de A van aanmuntingen en eindigend met de Z van zegelstempels. Binnen de rubrieken is er een chronologische orde.
Deze rubrieksgewijze ordening komt terug in de postbehandeling: binnenkomende brieven kregen een doorlopend nummer en werden in een agenda ingeschreven onder de rubriek waarop de brief betrekking heeft. Met uitgaande brieven deed men hetzelfde. Tot in 1913 werd een kopieboek van uitgaande brieven bijgehouden, waarin de brieven op volgnummer te vinden zijn. Voorin de agenda’s vanaf 1910 zitten overzichten van de rubrieken met verwijzing naar de folionummers van de agenda’s. Boven de lijst van rubrieken staat: dossiers. Blijkbaar borg men de brieven meteen, of na een tijd, op in de rubrieksgewijs geordende dossiers. Dit komt overeen met het verhaal van een oud medewerker post en archief, die vertelde dat in de rustige zomermaanden de dossiers werden aangevuld en in dozen gezet.
Er is een kaartsysteem bijgehouden, ook op onderwerp, met verwijzing naar de doosnummers. Het kaartsysteem is nog aanwezig. Het kaartsysteem is enkele keren uitgewerkt tot een lijst, de eerste dateert van circa 1950. Dit systeem is inmiddels ook in een database opgenomen. Er zijn uitdraaien op doosnummer en op onderwerp.
’s Rijks Munt viel als staatsbedrijf onder het Koninklijk besluit post- en archiefzaken (1950, Stb. K 425), in 1980 vervangen door het Koninklijk besluit algemene secretarie aangelegenheden rijksadministratie (ASAR, Stb. 182). Dit was bij het bedrijf wel bekend, maar men is in post- en archiefzaken zijn eigen gang gegaan.
In 1985/1986 is er een poging ondernomen door de toenmalige directiesecretaresse om te komen tot een handleiding met betrekking tot post- en archiefzaken. Na enige jaren is dat in het slop geraakt, post werd niet meer ingeschreven. De handleiding geeft ook een indeling van het directie archief, geordend met behulp van een eenvoudige, zelf ontworpen code. Na 1987 raakte ook de dossiervorming in het slop.

Gedeponeerde archieven

Er zijn enkele gedeponeerde archieven:
  • Ideeën(bus)commissie (1956-nu);
  • Sociale Commissie (1956-?);
  • Dienstcommissie (1972-nu);
  • diverse personeelsverenigingen.
Dr. C. Hoitsema was lid van de commissie die een nieuwe waarborgwet ontwierp, ter vervanging van de Waarborgwet 1851. De stukken die hij in die hoedanigheid ontving en opmaakte zijn in het archief opgenomen.
Ir. dr. Van den Brandhof was lid van diverse commissies van het Nederlands Normalisatie Instituut. De notulen van deze commissies met de bijlagen zijn opgenomen in het documentatiebestand van het museum, vanwege hun raakvlakken met het muntbedrijf.
Het archief van de Commissie voor het Muntwezen, 1909-1958 behoort niet tot het archief van ’s Rijks Munt, maar wordt wel hier bewaard, omdat de Munt secretariaatswerkzaamheden voor de Commissie verrichtte en uiteraard vanwege de nauwe band met activiteiten van de Munt.
Het archief van de Commissie tot examinering van essayeurs behoort ook niet tot het archief van ’s Rijks Munt, maar wordt hier bewaard omdat ’s Rijks Muntmeester hier voorzitter van was.

Verblijfplaats archief

Het archief was steeds bij de Munt zelf ondergebracht. In de jaren '30 is het gedeelte tot 1814 overgebracht naar het Algemeen Rijksarchief. Vanaf de totstandkoming van de nieuwbouw in 1910/1911 bevond het archief zich in een aparte kamer bij de administratie, naast de hoofdingang van het gebouw. Na 1950 werd het oudere gedeelte afgeschoven naar bibliotheek/museum. Daar werden de dozen en registers opgeborgen in kasten. Er is een lijst waar in staat in welke kast welke onderwerpen en welke registers te vinden waren. In de jaren '80 werd het grootste gedeelte van de dozen overgebracht naar een kluis.

Museumobjecten

Ontwerpen, proefpersingen van munten en andere museale objecten, die andere bewaarcondities vereisen dan archiefmateriaal, worden door een medewerker van het museum uit het archief gehaald en worden opgenomen in de museumcollectie. Ze zijn vervangen door fotokopieën.

Materiële verzorging

Alle stukken zijn van nietjes, plakband en overige hechtmiddelen ontdaan en verpakt in zuurvrije omslagen en zuurvrije archiefdozen. Ze zijn daarna genummerd volgens de inventaris. De omslagen en dozen zijn voorzien van etiketten.

De verwerving van het archief

Het archief is in 2018 door Ministerie van Financiën overgebracht naar het Nationaal Archief, krachtens artikel 12 van de Archiefwet 1995