In de jaren zeventig namen in Nederland en België het aantal binnenlandse adopties sterk af, doordat het taboe op ongehuwd moederschap werd doorbroken en door de opkomst van de anticonceptiepil. Tegelijkertijd nam het aantal interlandelijke adopties sterk toe in die periode. Een belangrijke aanleiding voor die toename was het optreden van Marjory en Jan de Hartog in het tv-programma Mies en scène in 1967. Zij maakten zich sterk voor het adopteren van kinderen uit Zuid-Korea en Vietnam. Momenteel komen de meeste geadopteerde kinderen uit ontwikkelingslanden.
De Wet van opneming buitenlandse pleegkinderen (Stb. 566/1988) gaf regels inzake de opneming in Nederland van buitenlandse pleegkinderen met het oog op adoptie. De wet heeft, plat gezegd, alleen betrekking op de ‘invoer’ van buitenlandse kinderen. Voor het overige is de Adoptiewet van toepassing.
De wet bepaalt dat het naar Nederland brengen van minderjarigen met het oog op adoptie slechts is toegestaan nadat de minister van Justitie een beginseltoestemming geeft. Voor die beginseltoestemming is een raadsonderzoek nodig. Opname van een buitenlands pleegkind zonder voorafgaande beginseltoestemming leverde een grond voor de maatregel van voorlopige toevertrouwing (tegenwoordig voorlopige voogdij).
Ook als een kind wordt meegenomen door pleegouders die een tijdje in het buitenland gewoond hebben, volgt ambtshalve een gezinsonderzoek na binnenkomst in Nederland. De minister van Justitie beslist vervolgens. Bij afwijzing van de aanvraag bracht hij de officier van justitie op de hoogte, die het kind voorlopig kon toevertrouwen aan de Raad voor de Kinderbescherming. In 1997 werd de voorlopige toevertrouwing door officier gewijzigd in een voorlopige voogdij toe te wijzen door de kinderrechter. Er is beroep mogelijk op grond van Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen (Stb. 284/1975).
Het is verboden om zonder vergunning van de minister van Justitie te bemiddelen in de opneming van buitenlandse pleegkinderen. Bemiddelingsorganisaties moeten rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid zijn en gezeteld in Nederland. Ze moeten bovendien voldoen aan de wettelijke voorschriften. Wanneer de minister van Justitie een vergunning intrekt wijst hij de vergunninghouder aan die de werkzaamheden voortzet of beëindigt.
De minister van Justitie houdt toezicht op de bemiddelingsorganisaties, en wijst daartoe ambtenaren van het ministerie aan. Met het toezicht op de naleving van de wettelijke voorwaarden met betrekking tot het Nederland binnenbrengen van buitenlandse pleegkinderen zijn de Raad en douaneambtenaren belast.
Sinds 1998 ziet de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden (Ca IKA) erop toe dat het adoptieproces zorgvuldig en volgens de geldende regels verloopt. De beoordeling van adoptieverzoeken van buitenlandse kinderen en de andere taken die hierboven beschreven staan waren in de loop der jaren ondergebracht bij de volgende directies:
Directie Kinderbescherming (1971-1988)
Het takenpakket van de Directie Kinderbescherming was gericht op het adviseren omtrent het vormings- en opleidingsbeleid, alsmede op het onderhouden van buitenlands contact.
Directie Jeugdbescherming en Reclassering (1989-1997)
Het takenpakket van de Directie Jeugdbescherming en Reclassering bestond uit het aansturen op de hoofdlijnen van de reclasseringorganisatie en geven van kwalitatieve en kwantitatieve richting aan de uitvoering. Verder was de de directie verantwoordelijk voor de strategische beleidsontwikkeling en leverde beleidsinhoudelijke bijdrage bij de totstandkoming van wet- en regelgeving op het werkterrein van jeugdbescherming en de bredere jeugdzorg.
Directie Justitieel Jeugdbeleid (1997-2004)
De Directie Justitieel Jeugdbeleid is belast met de advisering van de departementsleiding over en de coördinatie, ontwikkeling en evaluatie van beleid dat zich richt op: het met justitiële instrumenten voorkomen en aanpakken van jeugdcriminaliteit en van bedreigende situaties voor kinderen en gezinnen, de bevordering van een samenhangende strafrechtelijke en pedagogische aanpak van de jeugdige nadat deze zich schuldig heeft gemaakt aan strafwaardig gedrag.
Deze directies hadden hiernaast ook andere taken. De naamswijzigingen van de directies houden verband met deze overige taken.