Geschiedenis van de archiefvormer
Betrokken afdelingen
Het archief naamswijzigingen is gevormd door de volgende archiefvormers: in de periode 1950-1956 door de Eerste Afdeling, Bureau A, in de periode 1956-1969 door de Hoofdafdeling Privaatrecht, Bureau Personenrecht, en in de periode 1969-1972 door de Hoofdafdeling Privaatrecht, Onderafdeling Burgerlijke Staat.
De beschrijving van de geschiedenis van de archiefvormers wordt beperkt tot de periode van het te bewerken archief, 1950-1972.
In 1950 bestond het Ministerie van Justitie uit de Afdeling Algemene en Kabinetszaken, de Eerste Afdeling (Burgerlijk Recht), de Tweede Afdeling (Straf- en staatsrecht), de Derde Afdeling (Gevangeniswezen), de Vierde Afdeling (Comptabiliteit), Afdeling Politie, de Zesde Afdeling (Wetgeving), de Zevende Afdeling (Rijkstucht- en opvoedingswezen) en de Achtste Afdeling (Rechterlijke Macht). De Eerste Afdeling was onderverdeeld in een drietal bureaus. Bureau A (burgerlijk recht en internationaal privaatrecht) had als één van zijn taken het behandelen van verzoeken van burgers om toestemming tot verandering of aanneming van geslachtsnamen.
Na de ingrijpende reorganisatie van 1956 was het departement verdeeld in de Hoofdafdelingen Privaatrecht, Publiekrecht, Vreemdelingenzaken en grensbewaking, en Rechterlijke Organisatie. Op het zelfde niveau opereerden tevens de Directies Gevangeniswezen, Kinderbescherming en Politie.
De Hoofdafdeling Privaatrecht was onderverdeeld in diverse afdelingen, waaronder de Afdeling Burgerlijke staat, die op haar beurt weer was onderverdeeld in twee bureaus, waaronder Bureau personenrecht/burgerlijke stand. Dit Bureau had onder andere als taak de behandeling van verzoeken van burgers om toestemming tot verandering of aanneming van geslachtsnamen.
In 1969 vond er wederom een reorganisatie plaats bij het Ministerie van Justitie. Het departement werd verdeeld in de Hoofdafdelingen Privaatrecht, Reclassering, Psychopatenzorg, Staats- en strafrecht, Vreemdelingenzaken en grensbewaking, en Rechterlijke Organisatie. Op het zelfde niveau opereerden tevens de Directies Gevangeniswezen, Kinderbescherming en Politie.
De Hoofdafdeling Privaatrecht was onderverdeeld in diverse afdelingen, waaronder de Afdeling Nationaliteit en burgerlijke staat, die op haar beurt weer was onderverdeeld in drie onderafdelingen, waaronder Onderafdeling Burgerlijke Staat. Deze had onder andere als taak de behandeling van verzoeken van burgers om toestemming tot verandering of aanneming van geslachtsnamen.
Procedure geslachtsnaamswijziging
In Staatsblad en Staatscourant wordt bekend gemaakt om welke redenen en onder welke voorwaarden men geslachtsnaamswijziging kan aanvragen, en hoe de aanvraagprocedure verloopt (zie de Regelen betreffende verzoeken tot naamswijziging en tot naamsvaststelling, Stb. 1969, 544, gewijzigd in Stb. 1987, 609, Stb. 1993, 399, de Richtlijnen voor geslachtsnaamswijziging, Stcrt. 1976, 240, gewijzigd in Stcrt. 1980, Stcrt. 1989, 1 en in het latere Besluit houdende regels voor geslachtsnaamswijziging (Stb. 1997, 463, gewijzigd bij Stb. 2001, 42, Stb. 2002, 531).
Aanvragen tot verandering van geslachtsnamen werden in de jaren 1950 en later ingediend bij de minister van Justitie. Deze liet vervolgens een onderzoek uitvoeren door de politie van de desbetreffende gemeente. De politie controleerde de gegevens van de aanvraag en voerde gesprekken met direct betrokkenen zoals familieleden. Op basis van dit onderzoek besloot Justitie of naamsverandering kon plaatsvinden. Als de aanvraag werd toegekend, werd dit via een Koninklijk Besluit bekend gemaakt.
Inhoud van de dossiers en voorkomen van afstammingsgegevens
Geslachtsnaamswijziging kon (en kan) om verschillende redenen worden aangevraagd. Men kon een veel voorkomende naam wijzigen, een ingewikkelde (buitenlandse) naam of een bespottelijke of onwelvoeglijke naam (‘Poepjes’ is een bekend voorbeeld). Ook was het mogelijk om een achternaam die eerder in de familie voorkwam aan de eigen achternaam toe te voegen (resulterend in een dubbele naam). Naamswijziging vond echter vooral plaats in het kader van onduidelijke of wisselende familieomstandigheden. Een buitenechtelijk kind kon via naamswijziging de naam van de biologische vader krijgen; ook kon een kind de naam van de pleegvader krijgen in wiens gezin het werd opgevoed. Bij naamswijzigingen in zulke omstandigheden was er dus vaak sprake van naamswijziging bij kinderen.
Waar naamswijziging plaatsvond in het kader van wisselende familieomstandigheden, kon er sprake zijn van onduidelijkheid over de afstamming van een kind (meestal was wel duidelijk wie de biologische moeder was, maar niet wie de biologische vader was). In deze gevallen verschaft het naamswijziging dossier vaak verdere duidelijkheid omtrent de afstamming van degene wiens naam wordt gewijzigd. Bij het beslissen op een aanvraag tot naamswijziging werd immers informatie ingewonnen over de afstamming van de persoon voor wie naamswijziging aangevraagd werd, om te bepalen of de aanvraag aan de gestelde voorwaarden voldeed. Bij deze rondvraag werden vaak door betrokkenen verklaringen afgegeven (dit konden vermoedens of feiten zijn) over de biologische afstamming van de persoon in kwestie.
De burgerlijke stand vermeldt iemands juridische vader; in de meeste gevallen, maar niet altijd, zal dit tegelijkertijd de biologische vader zijn. De naamswijzigingendossiers vormen in deze periode daarom vaak naar alle waarschijnlijkheid de enige vastgelegde bron van informatie omtrent de afstamming van de betrokkene. In die zin vormen deze persoonsdossiers een belangrijke aanvulling op de akten van de burgerlijke stand.
In de periode tot circa 1956 speelt verder mee dat pas in 1956 een Adoptiewet ontstond. Voor die tijd was er geen wettelijke procedure om kinderen te adopteren. Het is waarschijnlijk dat men voor die tijd via de naamswijzigingsprocedure een kind de eigen naam liet aannemen. In deze gevallen zal het naamswijzigingsdossier informatie bevatten die waarschijnlijk niet elders is vastgelegd.
Tot 1970 kon een kind alleen worden erkend door een andere man als het vaderschap eerst door de wettige vader werd ontkend. Als dit onmogelijk was (bijvoorbeeld omdat de wettige vader onvindbaar was) kon naamswijziging fungeren als substituut voor erkenning. In 1970 maakte een nieuw artikel in het BW (art. 198 (oud) BW) het voor de moeder mogelijk het vaderschap van haar binnen 307 dagen na echtscheiding geboren kind te ontkennen en tegelijkertijd te laten erkennen door haar nieuwe relatie. Hiermee werd het eenvoudiger om erkenning van een kind door de biologische vader te laten plaatsvinden. Voorwaarde was wel dat zij dan binnen 1 jaar in het huwelijk traden. (Deze voorwaarde werd na 1990 door jurisprudentie opzij gezet.)
Overig historisch belang
In de jaren na de Tweede Wereldoorlog zijn er oorlogsgerelateerde aanvragen tot naamswijziging gedaan. De oorlog speelde een rol in de omstandigheden waarin buitenechtelijke kinderen werden verwekt. Daarnaast kwam het voor dat mensen een Duitse of Joodse geslachtsnaam wilden veranderen. Het ging hierbij bijvoorbeeld om het niet meer willen voeren van een naam die als pijnlijk ervaren werd of het willen voeren van een naam die uit dreigde te sterven.
Later is ook invloed van andere belangrijke historische gebeurtenissen merkbaar in de aanvragen naamswijzigingen, zoals immigratie vanuit Indonesië.
Daarnaast vormt het archiefbestand in meer algemene zin een bron voor sociale geschiedenis: de dossiers bevatten veel informatie over het familieleven in Nederland door de jaren heen. Vanaf de jaren ‘70 is bijvoorbeeld verandering in de positie van de vrouw merkbaar, als er vaker geslachtsnaamswijziging naar de naam van de moeder plaatsvindt. Ook de invoering van het nieuwe echtscheidingsrecht in 1971 heeft invloed gehad op de omstandigheden waarin geslachtsnaamswijziging werd aangevraagd.
Geschiedenis van het archiefbeheer
De zorgdrager van dit archief is de minister van Justitie. Nadat was beslist op een aanvraag werd het dossier gesloten en overgedragen aan het semi-statisch archief, dat is gevestigd aan de Diepenhorstlaan 20-22 te Rijswijk. In dit depot staat het totale archiefbestand
‘naamswijzigingen’ vanaf 1950 tot en met 2002 met een omvang van ongeveer 580 meter.
Het archiefdeel 1950-1972 bestaat uit twee series die door elkaar lopen. De eerste serie gaat om zogenaamde ‘naamswijzigingsdossiers’ (NM-dossiers), de tweede serie gaat om ‘naamswijzigingsrapport-dossiers’ (NMR-dossiers) die bestaan uit één of meer dossiers met
een Koninklijk Besluit. Het is belangrijk op te merken dat de NM-dossiers geordend zijn op jaar van registratie van de aanvraag (dat jaar is verwerkt in het NM-nummer: dossier 674/005 is bijvoorbeeld in 1967 geregistreerd). NMR-dossiers zijn geordend op jaar van toewijzing.
Hoewel beide series door elkaar lopen, zijn ze makkelijk van elkaar te scheiden.
Een dossier bestaat in de meeste gevallen uit de volgende documenten:
- de aanvraag zelf
- een zogenaamde “staat van inlichtingen”: een vragenformulier met gegevens over (de motivering van) de aanvrager en andere betrokken personen.
- het proces-verbaal door politie van betreffende gemeente met informatie over voorgeschiedenis en motivering van de aanvraag voor naamswijziging
- diverse bijlagen bij deze stukken
- de toewijzing/afwijzing van de aanvraag met motivering.
In een enkel geval dateert een dossier uit de periode voor 1950. Dit zijn waarschijnlijk verdwaalde dossiers, die bij de vorige bewerking zijn gemist. Ook zijn er dossiers waarin na toekenning van de naamswijziging nog stukken zijn toegevoegd, soms enkele tientallen jaren later. Dit zijn dossiers die later zijn opgevraagd, de opvragingsstukken zijn bij het oorspronkelijke dossier gevoegd.
De dossiers met afwijzingen bevatten grotendeels dezelfde of vergelijkbare documenten als dossiers van toegewezen aanvragen. Ook in dossiers van afgewezen aanvragen komt dus informatie voor over de familieomstandigheden van de persoon voor wie naamswijziging wordt aangevraagd. Dossiers met afwijzingen zijn echter over het algemeen minder compleet dan de dossiers met toegewezen aanvragen.
Er zijn ook dossiers aangetroffen die niet compleet zijn, of slechts informatievragen bevatten. De procedure is hier om diverse redenen niet doorgezet. Het aantal dossiers dat incompleet is wordt ingeschat tussen de vijf en tien procent van het totaal aantal afwijzingen. Het percentage dossiers waaruit geen enkele informatie over de reden voor afwijzing of beëindiging van de procedure is op te maken, is echter zeer gering.
Uit het NM-bestand is reeds vernietigd. De gehanteerde criteria daarvoor zijn niet duidelijk geworden. Op basis van de aantallen dossiers lijkt het erop dat de vernietiging de gehele periode 1950-1959 betrof en dat -onder aanname van ongewijzigde verhoudingen- het om ongeveer 2/3 van het archief is gegaan.
In 2007 is ten behoeve van de vaststelling van de selectielijst Natuurlijke Personen door het Nationaal Archief (NA) een Historisch-Maatschappelijke Analyse (HMA) uitgevoerd. Na steekproefsgewijze inspectie bleek dat de informatiewaarde van de dossiers hoog is. Over het hele blok bevatten ze uitgebreide informatie over het motief van burger voor de aanvraag en het motief van overheid voor de eventuele toewijzing van een aanvraag. Op basis van dit onderzoek werd besloten een representatieve steekproef van het archief voor bewaring aan te wijzen. Dit besluit werd vastgelegd in het desbetreffende Basisselectiedocument. In 2008 is als gevolg hiervan door Project Wegwerken Archief Achterstanden (PWAA) het gehele archiefbestand over de periode 1950-2002 aangemerkt als vernietigbaar, met uitzondering van de vermelde steekproef.
Bij de eerste vernietiging na vaststelling van de selectielijst is de lijst met te vernietigen persoonsdossiers voorgelegd aan de heer M. Verburg van Bureau SG van Justitie. Deze heeft geconstateerd dat er afstammingsgegevens in de dossiers voorkomen en de SG gevraagd om een moratorium (tijdelijke opschorting) op vernietiging te zetten. Naar aanleiding van dit moratorium heeft Doc-Direkt, in opdracht van het NA, in februari 2011 een steekproef uitgevoerd naar de aanwezigheid van afstammingsgegevens in de persoonsdossiers. Naar aanleiding van de uitkomsten van deze steekproef heeft het NA geadviseerd om ex artikel 5e Archiefbesluit het gehele bestand over de periode 1950-1972 van vernietiging uit te zonderen en voor bewaring aan te merken. Het Ministerie van Veiligheid en Justitie heeft dit advies overgenomen.
De periode voor 1950 van het archiefblok (1915-1949) is reeds overgedragen en hoort bij het blok van het ministerie van Justitie dat van 1915 tot 1955 loopt. Dit blok is integraal overgedragen omdat het een belangrijke periode voor het ministerie betreft en het een verbaalarchief is. De voorlopige eindcesuur van het huidige archiefblok, 1972, is gebaseerd op een in 2007 gemaakte indeling van het blok. Wanneer het archief naamswijzigingen over de periode na 1972 wordt bewerkt en overgedragen aan het Nationaal Archief, zal het worden toegevoegd aan de inventaris van de periode 1950-1972.
De verwerving van het archief
Het archief is in 2013 door Ministerie van Justitie overgebracht naar het Nationaal Archief, krachtens artikel 12 van de Archiefwet 1995