2.09.29 Inventaris van het archief van het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies voor het Rijks Tucht- en Opvoedingswezen, (1901) 1903-1955

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Ik heb het begrepen

Bijlagen

I. Koninklijk Besluit van 15 juni 1905, Stbl. 209. Hoofdstuk IV

Titel I. Algemeene bepalingen.
Artikel 184.
Het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies heeft zijn zetel te 's-Gravenhage. Het bestaat uit ten minste 10 en ten hoogste 16 leden, waarvan een door Ons als voorzitter wordt aangewezen.
De hoofddirecteur van het Gevangeniswezen en van het Rijkstucht- en opvoedingswezen heeft als zoodanig ambtshalve zitting in het College en recht om aan de beraadslagingen deel te nemen en een raadgevende stem uit te brengen. Aan het College wordt door Ons een secretaris toegevoegd.
Artikel 185.
De benoeming geschiedt voor den tijd van 6 jaar. De helft der leden treedt om de 3 jaar af volgens een door Onzen minister van Justitie goedgekeurden rooster. De aftredenden zijn terstond herbenoembaar.
De eerste aftreding heeft plaats op 1 januari 1908. Die ter vervulling van eener plaats, buiten den bij den rooster bepaalden tijd opengevallen, tot lid benoemd is, treedt af op het tijdstrip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, moest aftreden. Van een periodieke aftreding geeft de voorzitter twee maanden voor het tijdstip van aftreding kennis aan Onzen Minister van Justitie.
Artikel 186.
De voorzitter en secretaris vertegenwoordigen het college. In spoedeischende gevallen handelt de voorzitter namens het zelve; van hetgeen in zoodanig geval is verricht, wordt mededeling gedaan in de eerstvolgende vergadering.
Artikel 187.
Bij ontstentenis of afwezigheid wordt de voorzitter, wat de leiding der vergadering betreft, vervangen door het in achtereenvolgende dienstjaren oudste lid. Bij gelijken diensttijd geschiedt de rangregeling naar de rangschikking der benoemingsbesluiten, of hebben benoemingen plaats gehad bij hetzelfde besluit naar de rangschikkking der benoemden in dat besluit. Voor de dagelijksche leiding wordt de voorzitter bij ontstentenis vervangen door een daartoe door hem uingenoodigd lid. Bij ontstentenis of afwezigheid wordt de secretaris vervangen door een door den voorzitter aan te wijzen lid.
Artikel 188.
De leden en de secretaris genieten vergoeding voor reis- en verblijfkosten.
De bureelkosten worden den secretaris vergoed op daartoe halfjaarlijksch in te dienen declaratie.
Titel II. Functiën en wijze van uitoefening.
Artikel 189.
Het College houdt een algemeen toezicht op den gang van zaken in de tuchtscholen en rijksopvoedingsgestichten en op de naleving van de voorwaarden, die vanwege de Regeering worden gesteld ten aanzien van minderjarigen, die door haar aan particuliere zorg zijn overgedragen.
Gelijk toezicht wordt door het College gehouden op de naleving van de voorwaarden bedoeld bij Titel II van Afdeeling I van Hoofdstuk III.
Artikel 190.
Het College doet voor zooveel noodig mededeeling aan Onzen Minister van Justitie van de feiten en omstandigheden die bij het uitoefenen van dat toezicht te zijner kennis zijn gekomen. Het College is bevoegd daarbij aan te geven maatregelen van voorziening, welke het geraden acht.
Artikel 191.
Het College neemt in onderzoek vraagstukken op het gebied der dwangopvoeding in het algemeen en vestigt onder mededeeling van de uitkomsten daarvan de aandacht van Onzen Minister van Justitie op middelen die bevorderlijk kunnen zijn aan het doel der dwangopvoeding.
Artikel 192.
Het College dient Onzen Minister van Justitie van bericht en raad in de gevallen aangewezen bij de wet en wijders in alle gevallen, waarin Onzen Minister zulks wenschelijk oordeelt.
Artikel 193.
Het College stelt een reglement van orde voor zijn werkzaamheden vast en brengt dir ter kennis van Onzen Minister van Justitie.
Artikel 194.
Tot het verrichten van zijn werkzaamheden kan het College zich verdeelen in afdeelingen. Het verrichten van bepaalde werkzaamheden kan het College opdragen aan één of meer leden uit zijn midden.
Artikel 195.
Van een voorgenomen plaatselijk onderzoek worden de directeur van het betrokken rijksgesticht of het bestuur van de betrokken vereeniging, stichting of instelling in den regel vooraf verwittigd.
Artikel 196.
Bij het bezoeken van een rijksgesticht stelt het College in den regel de Commissie van Toezicht in de gelegenheid tot het houden eener samenspreking. De Commissie van Toezicht verstrekt aan het College alle gewenschte inlichtingen.
Artikel 197.
Zonder toestemning van Onzen Minister van Justitie wordt aan de door het College behandelde zaken geen openbaarheid gegeven.
Artikel 198.
Het College doet jaarlijks vóór 1 april Onzen Minister van Justitie verslag over zijn bevindingen en verrichtingen in het afgeloopen jaar.

II. Verslag van de eerste bijeenkomst

Vertrouwelijk.
Uitsluitend bestemd voor de leden van het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies voor het Rijks- tucht- en –opvoedingswezen.
EERSTE BIJEENKOMST van het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies voor het Rijks- tucht- en –opvoedingswezen, op Zaterdag 14 Maart 1903, des voormiddags te elf uren, aan het Departement van Justitie.
Tegenwoordig met Zijne Excellentie den Minister van Justitie, mr. J.A. Loeff, het lid, tevens Voorzitter, jhr. mr. A.J. Rethaan Macaré; de leden: mr. Th. L.M.H. Borret, H.J. de Groot, dr. J.H. Gunning Wzn., prof. mr. G.A. van Hamel, H.G.J. van Hoogstraten, F.M.L. Kerkhoff, mr. J. Limburg, dr. M.W. Pijnappel, dr. J.H. Schuurmans Stekhoven, dr. J.Th. de Visser, mevrouw de weduwe H. Simon van der Aa-van Marselis Hartsinck, mejuffrouw E. Boissevain, mejuffrouw H.P. Lefébcre; het buitengewoon lid mr. J. Simon van der Aa; de secretaris mr. J.P. de Meijere. Afwezig het lid mr. A.M. Sassen.
Z. Exc. de Minister van Justitie spreekt ter installatie van het College het navolgende:
“Mijne Heeren en Dames!
Het zij mij vergund – alvorens over te gaan tot uwe installatie als “Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies voor het Rijks- tucht- en –opvoedingswezen”- u welkom te heeten te dezer plaatse en u, uit naam van de Nederlandsche jeugd, dank te betuigen voor de aanvaarding van de u aangeboden taak. U, mannen en vrouwen, die uw sporen hebt verdiend op verschillend terrein van sociale werkzaamheid, en die niet hebt geaarzeld, op de eerste oproeping der overheid, uwe talenten en uwe ervaring dienstbaar te stellen aan het heil en het welzijn der verwaarloosde jeugd!
Het is u bekend, hoe de wet van 12 Februari 1901 (Staatsblad no. 64), houdende beginselen en voorschriften omtrent maatregelen ten opzichte van jeugdige personen, in alinea 3 van artikel 5 bepaalt: “Over de gezamenlijke tuchtscholen en rijksop*voedingsgestichten wordt een algemeen toezicht uitgeoefend door een Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies.” Uit die woorden blijkt, dat uwe eigenlijke, uwe ware taak eerst later zal aanvangen, eerst dan namelijk, wanneer de tuchtscholen zullen zijn voltooid en in werking gesteld, en de opvoedingsgestichten overeenkomstig hunne nieuwe bestemming zullen zijn gewijzigd.
Toch mocht, noch kon de instelling van uw College tot dat – helaas nog eenigszins verwijderd – tijdstip worden uitgesteld. Immers het is niet alleen wenschelijk, maar het heeft steeds in de bedoeling gelegen, dat uw College reeds zou worden betrokken in het nader overleg omtrent de regeling van onderdeelen van de instelling van het rijks-, tucht- en –opvoedingswezen, alvorens tot definitieve vaststelling daarvan zou worden overgegaan. De tijd, om met het plegen van dat overleg een aanvang te maken, is thans gekomen.
Al aanstonds zal van uw College advies worden gevraagd betreffende de inrichting der tuchtscholen en rijksopvoedingsgestichten, welk advies ik zelfs hoop zóó tijdig te mogen ontvangen, dat een wetsontwerp tot aanvrage van de noodige fondsen nog vóór het zomerreces bij de Volksvertegenwoordiging kunne worden ingediend en door haar aangenomen. Het ligt niet in de bedoeling, dat uwe adviezen betreffende de door mij genoemde aangelegenheid, zoo min als andere vóór de invoering der wetten van u in te winnen, zouden behoeven af te dalen in détails; zij zullen zich uitteraard tot de hoofdzaken kunnen bepalen, terwijl de uitwerking van ondergeschikte onderdeelen gevoeglijk aan de uitvoering van wege het Departement van Justitie zal kunnen worden overgelaten.
Eene spoedige en gemakkelijke behandeling van zaken wordt bevorderd door de gelegenheid tot mondeling overleg, welke verzekerd is door het lidmaatschap van uw College van den met de voorbereiding van de uitvoering der wetten belasten hoofdambtenaar aan mijn Departement, den heer mr. Simon van der Aa, die, onder den titel van “buitengewoon lid”, hem toegekend met de bedoeling om hem te ontheffen van de verplichting zijne stem uit te brengen over door hem zelven ontworpen regelingen, aan alle de werkzaamheden van uw College zal kunnen deelnemen.
Uwe eigenlijke taak intusschen, mijne Heeren en Dames, ik had reeds gelegenheid het straks op te merken, zal eerst een aanvang nemen nà de invoering der wetten.
Eerst dan zal de overheid een beroep kunnen doen op uwe veelvermogende medewerking tot kinderbescherming en kinderopheffing. – tot het aankweeken of opnieuw opwekken van den geest van tucht en orde, van den helaas ook in andere kinderkringen weggeslonken eerbied voor het gezag, en van verloren of nimmer tot normale ontwikkeling gekomen bewustzijn van recht en zedelijkheid, van deugd en godsdienstzin.
Eerst dan zal de schoonheid en grootschheid uwer taak zich openbaren in hare volle beteekenis.
Eene taak uwe inspanning en uwe toewijding bij uitstek waardig. Immers – om te spreken met de Memorie van Toelichting op het toenmalige wetsontwerp tot “wijziging in de bepalingen betreffende het straffen en de strafrechtspleging ten aanzien van jeugdige personen” – “gelijk de onschuld van het kind behoort tot de heiligste en meest hoopvolle goederen, den mensch geschonken, zoo is er weinig zoo droevig als het kind verwaarloosd, verlaten of mishandeld te zien door hen, die èn door de Voorzienigheid èn door de menschelijke instellingen als zijne natuurlijke hoeders en wachters zijn gesteld. En het is eene taak van hooge rechtvaardigheid om eenerzijds de maatschappij tegen het bedorven en gevaarlijke kind te beschermen en anderzijds het kind tegen het bederf der maatschappij. Het is eindelijk eene zaak van hoog sociaal belang om den voortgang te stuiten van eene kwaal, die het volksorganisme aantast in zijne fijnste vezelen en voortwoekert van geslacht tot geslacht. De invloed ten goede op het gansche volksleven is onberekenbaar, indien men er in slagen mag een deel der kinderen, die thans opgroeien voor het kwaad, te redden en te helpen en op te leiden tot eerzame moeders en nuttige burgers der maatschappij.”
Krachtdadig mede te werken tot het bereiken van het in deze schoone woorden omschreven deel met en naast de Overheid is de inhoud van de hooge en gewichtige taak, die uw College in de toekomst wacht.
Ik heb mijne Heeren en Dames hieraan nog slechts één woord toe te voegen.
Het is dit.
Dat het U, die uwe kennis en uwe ervaring, uw hoofd en uw hart edelmoedig ter beschikking stelt voor het welzijn der Nederlandsche verwaarloosde jeugd, moge gegeven zijn, mede tot uw eigen voldoening, van uwe onbaatzuchtige toewijding in ruime mate de gezegende vruchten te aanschouwen.
Ik verklaar met dit korte woord het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies voor het rijks-, tucht- en –opvoedingswezen te zijn geïnstalleerd.”
Jhr. Mr. A.J. Rethaan Macaré, benoemd Voorzitter, de rede van den Minister beantwoordend, spreekt den dank der vergaderden uit voor het vertrouwen door H.M. de Koningin en de Regeering in hen gesteld, er daarbij op wijzende, dat de taak, welke het College wacht, door den Minister terecht hoog en gewichtig is genoemd. Herinnerend aan de groote ingenomenheid, met welke de tot standkoming der kinderwetten, waarbij met het oude strafstelsel wordt gebroken, is begroet, doet hij uitkomen, hoe het succes bij de uitvoering van deze in hoofdzaak daarvan afhangt, of men er in zal slagen de daarin vastgelegde denkbeelden in inderdaad practische maatregelen om te zetten. Der Regeering daarbij, voor wat betreft de instelling van het rijks-, tucht- en –opvoedingswezen, te dienen van advies, zal de aanvankelijke, doch hoogst moeilijke werkzaanheid van het College zijn, een taak, die hij vooral moeilijk acht, omdat daarbij omtrent velerlei beginselen en netelige vraagpunten, ten aanzien van welke slechts door de ervaring de noodige gegevens zijn te verkrijgen, uitspraak zal moeten worden gedaan. Spreker stelt in het licht hoe, bij de aanneming van een Algemeen College en de instelling daarvan, de gedachte bij de Regeering heeft voorgezeten in deze moeilijke materie door personen van verschillende richting te worden voorgelicht, en samenwerking te zoeken tusschen de meest uiteenloopende elementen om tot eenheid te komen, en merkt op, dat deswege van de leden algemeene en krachtige medewerking wordt gevraagd, op welke hij dan ook al aanstonds een beroep doet, een medewerking, die te krachtiger zal moeten zijn, waar de Minister zich voor een zoo spoedige ontvangst der reeds dadelijk te vragen adviezen heeft aanbevolen. Hij verklaart als Voorzitter te zullen trachten het daarheen te leiden, dat de inzending van deze tijdig, als door den Minister bedoeld, plaats hebbe, doch mag niet ontveinzen, dat daartoe, bij een zoo talrijk samengesteld College, van de leden buitengewone krachtsinspanning zal worden geeischt. Met den wensch, dat het College zal mogen beantwoorden aan de rechtmatige verwachtingen, die de Regeering daarvan koestert, verklaart hij het Voorzitterschap te hebben aanvaard.
De Minister van Justitie verlaat de vergaderzaal.

III. Opheffing van het Algemeen College van Toezicht

3 April 1955 no 32.
Wij Juliana, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.,
Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 7 april 1955, 7e Afdeling E, no P 779/111; Gelet op artikel 5 van de wet van 12 Februari 1901, Stb. no 64, op artikel VI van de wet van 24 December 1954, Stb. no 602, en op Ons besluit van 18 Maart 1955, Stb. no 111;
hebben goedgevonden en verstaan:
met ingang van 15 April 1955, in verband met de opheffing van het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en advies voor het Rijkstucht en Opvoedingswezen eervol ontslag te verlenen aan:
  1. Mr H. de Bie als voorzitter
  2. Mevrouw E. van den Berg-Lindeboom
  3. Mr J. Coninckliefsting
  4. Mejuffrouw J.C.M.M. Geldens
  5. Dr C.P. Gunning
  6. Ir G. Hofstede
  7. Dr J.L. Keyzer
  8. Dr J. Koekebakker
  9. D.Q.R. Mulock Houwer
  10. Mr J. Overwater
  11. J.H. Pameyer
  12. Mr Dr J.H.R. Sinninghe Damsté
  13. Dr P.A.F. van der Spek
  14. Mr J.A. Baronesse van Verschuer
  15. Professor Dr J. Waterink
  16. Professor Mr G.J. Wiarda
als lid, onder dankbetuiging voor de balangrijke in hun functie bewezen diensten.
Onze Minister voornoemd is belast met de uitvoering van dit besluit.
Klosters, 13 April 1955. (get.) Juliana.
Minister van Justitie, get.) L.A. Donker.
Overeenkomstig het oorspronkelijke De Secretaris-Generaal van het Ministerie van Justitie, (get.) J.C. Tenkink. Voor een eensluidend afschrift, De Secretaris voornoemd, (handtekening).