II. Verslag van de eerste bijeenkomst
Vertrouwelijk.
Uitsluitend bestemd voor de leden van
het Algemeen College van Toezicht,
Bijstand en Advies voor het Rijks-
tucht- en –opvoedingswezen.
EERSTE BIJEENKOMST van het Algemeen College
van Toezicht, Bijstand en Advies voor het Rijks-
tucht- en –opvoedingswezen, op Zaterdag 14 Maart
1903, des voormiddags te elf uren, aan het
Departement van Justitie.
Tegenwoordig met Zijne Excellentie den Minister van Justitie, mr. J.A. Loeff, het lid, tevens Voorzitter, jhr. mr. A.J. Rethaan Macaré; de leden: mr. Th. L.M.H. Borret, H.J. de Groot, dr. J.H. Gunning Wzn., prof. mr. G.A. van Hamel, H.G.J. van Hoogstraten, F.M.L. Kerkhoff, mr. J. Limburg, dr. M.W. Pijnappel, dr. J.H. Schuurmans Stekhoven, dr. J.Th. de Visser, mevrouw de weduwe H. Simon van der Aa-van Marselis Hartsinck, mejuffrouw E. Boissevain, mejuffrouw H.P. Lefébcre; het buitengewoon lid mr. J. Simon van der Aa; de secretaris mr. J.P. de Meijere. Afwezig het lid mr. A.M. Sassen.
Z. Exc. de Minister van Justitie spreekt ter installatie van het College het navolgende:
“Mijne Heeren en Dames!
Het zij mij vergund – alvorens over te gaan tot uwe installatie als “Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies voor het Rijks- tucht- en –opvoedingswezen”- u welkom te heeten te dezer plaatse en u, uit naam van de Nederlandsche jeugd, dank te betuigen voor de aanvaarding van de u aangeboden taak. U, mannen en vrouwen, die uw sporen hebt verdiend op verschillend terrein van sociale werkzaamheid, en die niet hebt geaarzeld, op de eerste oproeping der overheid, uwe talenten en uwe ervaring dienstbaar te stellen aan het heil en het welzijn der verwaarloosde jeugd!
Het is u bekend, hoe de wet van 12 Februari 1901 (Staatsblad no. 64), houdende beginselen en voorschriften omtrent maatregelen ten opzichte van jeugdige personen, in alinea 3 van artikel 5 bepaalt: “Over de gezamenlijke tuchtscholen en rijksop*voedingsgestichten wordt een algemeen toezicht uitgeoefend door een Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies.” Uit die woorden blijkt, dat uwe eigenlijke, uwe ware taak eerst later zal aanvangen, eerst dan namelijk, wanneer de tuchtscholen zullen zijn voltooid en in werking gesteld, en de opvoedingsgestichten overeenkomstig hunne nieuwe bestemming zullen zijn gewijzigd.
Toch mocht, noch kon de instelling van uw College tot dat – helaas nog eenigszins verwijderd – tijdstip worden uitgesteld. Immers het is niet alleen wenschelijk, maar het heeft steeds in de bedoeling gelegen, dat uw College reeds zou worden betrokken in het nader overleg omtrent de regeling van onderdeelen van de instelling van het rijks-, tucht- en –opvoedingswezen, alvorens tot definitieve vaststelling daarvan zou worden overgegaan. De tijd, om met het plegen van dat overleg een aanvang te maken, is thans gekomen.
Al aanstonds zal van uw College advies worden gevraagd betreffende de inrichting der tuchtscholen en rijksopvoedingsgestichten, welk advies ik zelfs hoop zóó tijdig te mogen ontvangen, dat een wetsontwerp tot aanvrage van de noodige fondsen nog vóór het zomerreces bij de Volksvertegenwoordiging kunne worden ingediend en door haar aangenomen. Het ligt niet in de bedoeling, dat uwe adviezen betreffende de door mij genoemde aangelegenheid, zoo min als andere vóór de invoering der wetten van u in te winnen, zouden behoeven af te dalen in détails; zij zullen zich uitteraard tot de hoofdzaken kunnen bepalen, terwijl de uitwerking van ondergeschikte onderdeelen gevoeglijk aan de uitvoering van wege het Departement van Justitie zal kunnen worden overgelaten.
Eene spoedige en gemakkelijke behandeling van zaken wordt bevorderd door de gelegenheid tot mondeling overleg, welke verzekerd is door het lidmaatschap van uw College van den met de voorbereiding van de uitvoering der wetten belasten hoofdambtenaar aan mijn Departement, den heer mr. Simon van der Aa, die, onder den titel van “buitengewoon lid”, hem toegekend met de bedoeling om hem te ontheffen van de verplichting zijne stem uit te brengen over door hem zelven ontworpen regelingen, aan alle de werkzaamheden van uw College zal kunnen deelnemen.
Uwe eigenlijke taak intusschen, mijne Heeren en Dames, ik had reeds gelegenheid het straks op te merken, zal eerst een aanvang nemen nà de invoering der wetten.
Eerst dan zal de overheid een beroep kunnen doen op uwe veelvermogende medewerking tot kinderbescherming en kinderopheffing. – tot het aankweeken of opnieuw opwekken van den geest van tucht en orde, van den helaas ook in andere kinderkringen weggeslonken eerbied voor het gezag, en van verloren of nimmer tot normale ontwikkeling gekomen bewustzijn van recht en zedelijkheid, van deugd en godsdienstzin.
Eerst dan zal de schoonheid en grootschheid uwer taak zich openbaren in hare volle beteekenis.
Eene taak uwe inspanning en uwe toewijding bij uitstek waardig. Immers – om te spreken met de Memorie van Toelichting op het toenmalige wetsontwerp tot “wijziging in de bepalingen betreffende het straffen en de strafrechtspleging ten aanzien van jeugdige personen” – “gelijk de onschuld van het kind behoort tot de heiligste en meest hoopvolle goederen, den mensch geschonken, zoo is er weinig zoo droevig als het kind verwaarloosd, verlaten of mishandeld te zien door hen, die èn door de Voorzienigheid èn door de menschelijke instellingen als zijne natuurlijke hoeders en wachters zijn gesteld. En het is eene taak van hooge rechtvaardigheid om eenerzijds de maatschappij tegen het bedorven en gevaarlijke kind te beschermen en anderzijds het kind tegen het bederf der maatschappij. Het is eindelijk eene zaak van hoog sociaal belang om den voortgang te stuiten van eene kwaal, die het volksorganisme aantast in zijne fijnste vezelen en voortwoekert van geslacht tot geslacht. De invloed ten goede op het gansche volksleven is onberekenbaar, indien men er in slagen mag een deel der kinderen, die thans opgroeien voor het kwaad, te redden en te helpen en op te leiden tot eerzame moeders en nuttige burgers der maatschappij.”
Krachtdadig mede te werken tot het bereiken van het in deze schoone woorden omschreven deel met en naast de Overheid is de inhoud van de hooge en gewichtige taak, die uw College in de toekomst wacht.
Ik heb mijne Heeren en Dames hieraan nog slechts één woord toe te voegen.
Het is dit.
Dat het U, die uwe kennis en uwe ervaring, uw hoofd en uw hart edelmoedig ter beschikking stelt voor het welzijn der Nederlandsche verwaarloosde jeugd, moge gegeven zijn, mede tot uw eigen voldoening, van uwe onbaatzuchtige toewijding in ruime mate de gezegende vruchten te aanschouwen.
Ik verklaar met dit korte woord het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies voor het rijks-, tucht- en –opvoedingswezen te zijn geïnstalleerd.”
Jhr. Mr. A.J. Rethaan Macaré, benoemd Voorzitter, de rede van den Minister beantwoordend, spreekt den dank der vergaderden uit voor het vertrouwen door H.M. de Koningin en de Regeering in hen gesteld, er daarbij op wijzende, dat de taak, welke het College wacht, door den Minister terecht hoog en gewichtig is genoemd. Herinnerend aan de groote ingenomenheid, met welke de tot standkoming der kinderwetten, waarbij met het oude strafstelsel wordt gebroken, is begroet, doet hij uitkomen, hoe het succes bij de uitvoering van deze in hoofdzaak daarvan afhangt, of men er in zal slagen de daarin vastgelegde denkbeelden in inderdaad practische maatregelen om te zetten. Der Regeering daarbij, voor wat betreft de instelling van het rijks-, tucht- en –opvoedingswezen, te dienen van advies, zal de aanvankelijke, doch hoogst moeilijke werkzaanheid van het College zijn, een taak, die hij vooral moeilijk acht, omdat daarbij omtrent velerlei beginselen en netelige vraagpunten, ten aanzien van welke slechts door de ervaring de noodige gegevens zijn te verkrijgen, uitspraak zal moeten worden gedaan. Spreker stelt in het licht hoe, bij de aanneming van een Algemeen College en de instelling daarvan, de gedachte bij de Regeering heeft voorgezeten in deze moeilijke materie door personen van verschillende richting te worden voorgelicht, en samenwerking te zoeken tusschen de meest uiteenloopende elementen om tot eenheid te komen, en merkt op, dat deswege van de leden algemeene en krachtige medewerking wordt gevraagd, op welke hij dan ook al aanstonds een beroep doet, een medewerking, die te krachtiger zal moeten zijn, waar de Minister zich voor een zoo spoedige ontvangst der reeds dadelijk te vragen adviezen heeft aanbevolen. Hij verklaart als Voorzitter te zullen trachten het daarheen te leiden, dat de inzending van deze tijdig, als door den Minister bedoeld, plaats hebbe, doch mag niet ontveinzen, dat daartoe, bij een zoo talrijk samengesteld College, van de leden buitengewone krachtsinspanning zal worden geeischt. Met den wensch, dat het College zal mogen beantwoorden aan de rechtmatige verwachtingen, die de Regeering daarvan koestert, verklaart hij het Voorzitterschap te hebben aanvaard.
De Minister van Justitie verlaat de vergaderzaal.
III. Opheffing van het Algemeen College van Toezicht
3 April 1955 no 32.
Wij Juliana, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.,
Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 7 april 1955, 7e Afdeling E, no P 779/111; Gelet op artikel 5 van de wet van 12 Februari 1901, Stb. no 64, op artikel VI van de wet van 24 December 1954, Stb. no 602, en op Ons besluit van 18 Maart 1955, Stb. no 111;
hebben goedgevonden en verstaan:
met ingang van 15 April 1955, in verband met de opheffing van het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en advies voor het Rijkstucht en Opvoedingswezen eervol ontslag te verlenen aan:
- Mr H. de Bie als voorzitter
- Mevrouw E. van den Berg-Lindeboom
- Mr J. Coninckliefsting
- Mejuffrouw J.C.M.M. Geldens
- Dr C.P. Gunning
- Ir G. Hofstede
- Dr J.L. Keyzer
- Dr J. Koekebakker
- D.Q.R. Mulock Houwer
- Mr J. Overwater
- J.H. Pameyer
- Mr Dr J.H.R. Sinninghe Damsté
- Dr P.A.F. van der Spek
- Mr J.A. Baronesse van Verschuer
- Professor Dr J. Waterink
- Professor Mr G.J. Wiarda
als lid, onder dankbetuiging voor de balangrijke in hun functie bewezen diensten.
Onze Minister voornoemd is belast met de uitvoering van dit besluit.
Klosters, 13 April 1955. (get.) Juliana.
Minister van Justitie, get.) L.A. Donker.
Overeenkomstig het oorspronkelijke De Secretaris-Generaal van het Ministerie van Justitie, (get.) J.C. Tenkink. Voor een eensluidend afschrift, De Secretaris voornoemd, (handtekening).