1.1 Periode tot ca. 1917
Vanaf begin 1842 was het ministerie van Koloniën geheel zelfstandig, wat het de gehele periode tot 1940 is gebleven. Toen in 1922 in de Grondwet het woord `koloniën' werd geschrapt en vervangen door de geografische benamingen `Nederlandsch-Indië, Suriname en Curaçao', zijn er ook voorstellen geweest om het woord Koloniën in de naam van het departement te vervangen. Daar is het in de hier behandelde periode niet van gekomen.
In 1900 bestond de bureau-organisatie van Koloniën naast het Kabinet van de minister uit de volgende onderdelen: Afdeling A1. Justitie, onderwijs, eredienst en nijverheid; Afdeling A2. Financiën en begrotingen; Afdeling A3. Binnenlands bestuur en openbare werken; Afdeling B. West-Indische zaken; Afdeling C. Militaire zaken; Afdeling D. Personeel; Afdeling E1. Comptabiliteit; Afdeling E2. Pensioenen; Afdeling F. Aanschaffing en uitzending van gouvernementsgoederen; Afdeling G. Oost-Indisch verslag en bibliotheek; Bureau Algemene secretarie en expeditie; Bureau Archief; Bureau Index en Agenda; het Technisch Bureau; het Koloniaal etablissement te Amsterdam; de Commissie voor Geneeskundig Onderzoek; Commissariaten van afmonstering te Amsterdam en Rotterdam; en de Koloniale Reserve (Staatsalmanak voor het Koninkrijk der Nederlanden, 1900).
Afdeling A3 kreeg vanaf 1905 ook de zaken van het nieuwe Indische departement van Landbouw (vanaf 1911 Landbouw, nijverheid en handel). In 1908 werd de oprichting nodig geacht van een nieuwe afdeling A4 voor zaken die in Nederlands-Indië ressorteerden onder het departement van Gouvernementsbedrijven. Vanaf 1 maart 1912 gingen de Burgerlijke Openbare Werken over van afdeling A3 naar A4.
Besch. 28 november 1904 Litt. K 25 (archief Kabinet 1901-1940 inv.nr. 48), Besch. 8 februari 1908 afd.K nr. 49 en Besch. 14 februari 1912 afd.K nr. 13 (Openbaar verbaalarchief 1901-1953 inv.nrs. 525 en 903). Afdeling A3 was van eind 1904 tot begin 1912 verdeeld in twee bureaus.
Los van veranderingen in Indië stonden: de oprichting in 1901 van het Statistisch Bureau, de samenvoeging in 1905 van de bureaus Archief en Index/agenda tot bureau Agenda en archief en de splitsing in 1908 van afdeling C in twee bureaus: 1. algemene militaire zaken en 2. militair personeel.
Besch. Koloniën 6 maart 1908 Kabinet Litt. L 5 (archief Kabinet 1901-1940 inv.nr. 94).
Om de bestuurlijke top van het departement te ontlasten, kregen de afdelingen in 1905 de bevoegdheid `eene rechtstreeksche briefwisseling over zaken van ondergeschikten aard' te voeren met de departementen in Indië.
Circulaire aan de afdelingen van 16 oktober 1905 afd.K nr. 35 (Openbaar verbaalarchief 1901-1953 inv.nr. 338). Als motief werd genoemd: 'inkrimping en vereenvoudiging van de correspondentie tusschen den Gouverneur-generaal en den Minister van Koloniën'.
1.2 Periode 1917-1940
Bij een nieuwe reorganisatie per 1 januari 1917 werd de `volgorde der afdeelingen van het IIde Hoofdstuk der Ind(ische) begrooting ... als leidraad genomen'.
Verbaalarchief Koloniën 1900-1953, inv.nr. 1637, 20 december 1916 nr. 8. Kennis van de organisatie van het departement tijdens het Interbellum (1918-1940) is voor de onderzoeker van belang in verband met de afschaffing in 1921 van de centrale index (zie verder de paragraaf Archieven).
Om die reden moest geschoven worden met de taken van de afdelingen, die voortaan niet meer met een letter maar met een cijfer werden aangeduid. Er kwamen nu, naast Kabinet en Algemene Secretarie, liefst 14 afdelingen, drie meer dan in de jaren ervoor. Bij de meeste daarvan was het takenpakket min of meer ongewijzigd ten opzichte van de voorganger. Bij twee voormalige afdelingen (A1 en C) was de taak nu verdeeld over twee nieuwe, terwijl het Statistisch Bureau tot (14e) afdeling werd verheven.
| Schema organisatie in 1917 |
voorganger |
| Kabinet |
Kabinet |
| Algemene Secretarie: |
Algemene Secretarie |
| a. alg. secretarie b. agenda en archief |
Agenda en archief |
| 1e afd. Rechtswezen |
afd. A1: Justitie (Onderwijs, eredienst) |
| 2e afd. Geldwezen en belastingen |
afd. A2: Financiën en begrotingen |
| 3e afd. Begroting en comptabiliteit |
afd. A2: (zie boven); afd. E1: Comptabiliteit |
| 4e afd. Binnenlands bestuur, decentralisatie |
afd. A3: Binnenlands bestuur |
| Landbouw, nijverheid, handel, scheepvaart |
Landbouw, nijverheid, handel |
| 5e afd. Onderwijs, eredienst, volksgezondheid |
afd. A 1: (Justitie); Onderwijs, eredienst |
| 6e afd. Gouvernementsbedrijven |
afd. A 4: Gouvernementsbedrijven |
| Burgerlijke openbare werken |
Burgerlijke openbare werken |
| 7e afd. Land- en zeemacht |
afd. C: Militaire zaken |
| 8e afd. Personele zaken, militaire dienst |
afd. C: Militaire zaken |
| 9e afd. Personele zaken, burgerlijke dienst |
afd. D: Personeel |
| 10e afd. West-Indische zaken |
afd. B: West-Indische zaken |
| 11e afd. Pensioenen |
afd. E2: Pensioenen |
| 12e afd. Aanschaffing en uitzending van landsgoederen |
afd. F: Aanschaffing en uitzending van gouvernementsgoederen |
| 13e afd. Oost-Indisch verslag; Boekerij |
afd. G: Oost-Indisch verslag; Bibliotheek |
| 14e afd. Statistisch bureau |
Statistisch bureau |
Sommige van de in 1917 gevormde afdelingen was een kort leven beschoren. Zo werd de 14e afdeling al in 1919 opgeheven (taak naar de Directie van de Pensioenfondsen)
en verloor de 13e afdeling al snel de status van afdeling, nadat de samenstelling van het Indisch Verslag was overgenomen door het Kabinet, om vanaf 1922 verder te gaan als Boekerij. Vanaf begin 1925 waren de 4e en 5e afdeling samengevoegd onder één afdelingschef.
In de Staatsalmanak van de jaren 1924-1927 wordt gesproken van 'Vierde en vijfde afdeling', onder één afdelingshoofd. Een besluit inzake de samenvoeging werd niet aangetroffen.
In dat jaar werd ook de 11e afdeling opgeheven, onder overheveling van de taak naar de 3e afdeling, waarmee de in 1896 doorgevoerde scheiding tussen comptabiliteit en betaalbaarstelling van pensioenen ongedaan werd gemaakt. Deze 3e afdeling was vanaf 1918 in verband met de omvang verdeeld in twee bureaus. Ook de 9e afdeling werd al snel gesplitst in drie, later twee onderafdelingen. De naam van de 10e afdeling werd in navolging van de Grondwet van 1922 gewijzigd in: Suriname en Curaçao.
Gedurende de jaren-1920 werd op Koloniën steeds meer de behoefte gevoeld aan een aparte hoofdambtenaar, die rechtstreeks contact zou kunnen onderhouden met de gouverneur-generaal en de hoofden van departementen in Nederlands-Indië, om aldus minister en secretaris-generaal te ontlasten. De introductie van een loco-secretaris-generaal in januari 1919 had in dit opzicht onvoldoende soelaas gebracht. Omdat de Indische regering ingevolge de Indische Staatsregeling van 1925 meer zelfstandigheid zou krijgen wenste de Raad van Indië, dat deze nieuwe verhouding weerspiegeld zou worden in een Indisch Agentschap in Nederland. In 1927 werd het Commissariaat voor Indische Zaken (CIZ) opgericht, dat alle departementstaken inzake uitzending naar Indië van mensen en materieel moest overnemen. De chef ervan bleef echter ondergeschikt aan de minister van Koloniën: er was dus geen sprake van een agentschap in patria van de Indische regering, die overigens wel meer moest bijdragen in de kosten.
De Graaff, Kalm, 134 e.v.
De oprichting van het CIZ had voor de organisatie van het departement grote gevolgen. De 8e, 9e en 12e afdeling gingen over naar het CIZ, waar ze de afdelingen C, B en D gingen vormen. De (3e) afdeling Comptabiliteit werd niet gesplitst; wel ging in 1935 een deel van de taak over naar de Directie Indische Pensioenfondsen, die onder het CIZ viel.
De Graaff, Kalm, 123-124.
Tegelijk vond een hernummering plaats van de afdelingen:
- 1e t/m 3e afd. conform 1917.
- 4e afd. Binnenlands bestuur; Onderwijs en eredienst; Landbouw, nijverheid, handel, scheepvaart.
- 5e afd. Burgerlijke openbare werken; Gouvernementsbedrijven.
- 6e afd. Militaire zaken (land- en zeemacht).
- 7e afd. Suriname en Curaçao.
Naast deze afdelingen fungeerden het Kabinet, de Algemene Secretarie en de Boekerij.
De belangrijkste wijzigingen in de organisatie in de jaren-1930 deden zich voor op het werkterrein van de 4e afdeling. Bij het economisch beleid kreeg Koloniën in deze jaren steeds meer concurrentie van het (Haagse) departement van Economische Zaken. Eind 1932 werd de 4e afdeling gesplitst in twee bureaus: Economische zaken (EZ) en Bestuurs- en onderwijszaken (BOZ). In 1935 werd een organisatieonderdeel van bureau EZ belast met crisiszaken en handelspolitiek, omgezet in afdeling D (Crisiszaken) van het CIZ, om vervolgens in 1937 te worden opgewaardeerd tot de 8e departementsafdeling Economische zaken.
. Besch. 25 april 1935 nr. 6 en Besch. 16 oktober 1937 nr. 4 (Dossierarchief Koloniën (1859)1945-1963, inv.nr. 485).
Als gevolg daarvan werd de nieuwe benaming van de 4e afdeling nu: Welvaartszaken. Onder minister H. Colijn (1933-1937), die tevens de functies van minister-president en (van 1935-1937) minister van Defensie vervulde, nam de invloed van de secretaris-generaal, O.E.W. Six, op de dagelijkse leiding sterk toe.
De Graaff, Kalm, 176.
Het Commissariaat voor Indische Zaken (CIZ), waaraan dus een fors gedeelte van de departementale taak was gedelegeerd, bestond eveneens uit een groot aantal afdelingen.
Zo kende het een aparte afdeling (A) Algemene zaken en Kabinet. Het Technisch Bureau en het Koloniaal Etablissement waren nu als afdelingen E en F in het CIZ geïncorporeerd. Afdeling G, Oorlogsmaterieel, groeide sterk in de jaren-1930. Najaar 1939 kende het CIZ een grotere formatie dan het departement in enge zin: 125 tegen 114 ambtenaren boven de rang van schrijver.
Cijfers ontleend aan De Graaff, Kalm, 148.
Koloniën bleef gedurende de gehele periode tot 1940 in het pand aan het Plein dat het departement in 1861 betrokken had.