2.11.51 Inventaris van het archief van de Veterinaire Dienst van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 1971-1995

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Ik heb het begrepen

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Algemeen

De eerste wetgeving op het terrein van de diergezondheid dateert van 1870: De Wet op het veeartsenijkundig staatstoezicht en de veeartsenijkundige politie (Veewet). Directe aanleiding voor de totstandkoming van deze wet was de veepest van 1865.
Volgens de Veewet (herzien in 1920) omvatte het veeartsenijkundig toezicht :
  • de zorg voor de algemene gezondheidstoestand van de veestapel;
  • de wering en bestrijding van besmettelijke veeziekten;
  • de wering en bestrijding van hondsdolheid bij honden en katten;
  • de keuring van voor de uitvoer bestemd vee en vlees;
  • hetgeen door de minister van Landbouw wordt bepaald dat onder het toezicht moet behoren.
Na de Tweede Wereldoorlog onderging de dierziektesituatie ingrijpende veranderingen, mede onder invloed van de ontwikkeling van de diergeneeskunde, zoals betere diagnostiek, gebruik van antibiotica en chemotherapeutica, de ontwikkeling van vaccins, de verandering in de veehouderij van extensief naar intensief, industrieel en gespecialiseerd, de ontwikkeling in de voedingsmiddelentechnologie en de toename van de export. Door de blijvende dreiging van besmettelijke dierziekten, werd de aandacht meer gericht op wering van ziekten en preventie van besmetting. De overheid speelde een belangrijke rol in de georganiseerde diergezondheidszorg.
Na 1945 werd het wetgevend instrumentarium fors uitgebouwd, o.a. met de Runderhorzelwet (Stb. 1953, 189), de Vogelziektenwet (Stb. 1949, 585), de Wet wering besmettelijke ziekten bij nertsen (Stb. 1969, 102), de Wet bestrijding tularaemie (Stb. 1953, 416), de Antibioticawet (Stb. 1964, 363), de Diergeneesmiddelenwet (Stb. 1985, 410) en de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde (Stb. 1954, 372). Daarnaast werden bepalingen neergelegd in wetten die het fokken met dieren regelen, zoals de Paardenwet. Met de Gezondheids- en welzijnswet van dieren uit 1992 werden een aantal wetten, waaronder de Veewet (gedeeltelijk) ingetrokken. De Gezondheids- en welzijnswet voor dieren stelt het kader vast, waarbinnen de rijksoverheid met nadere regelgeving de welzijns- en gezondheidssituatie van dieren kan sturen en normen kan stellen.
Een belangrijke overweging om de bestrijding en wering van dierziekten grondig te organiseren, was de positie van Nederland als exportland van vee en dierlijke producten. In november 1967 besloot de Raad van de EEG dat het veterinaire beleid 'in belangrijke mate een gemeenschappelijk beleid zal zijn in de zin van artikel 45 van het Verdrag van Rome'. Daarmee gaf de Raad een stevige basis aan het gemeenschappelijk beleid op veterinair gebied. Een gemeenschappelijk beleid was vooral belangrijk voor een vrije handel tussen de lidstaten. Ten behoeve van die vrije handel diende voor elke lidstaat dezelfde regels te gelden voor de bewaking van de gezondheid van landbouwhuisdieren.

Veeartsenijkundige Dienst, 1906 - 1978 / Veterinaire Dienst, 1978 - 1995

De minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij is verantwoordelijk voor het rijksbeleid op het gebied van gezondheid en welzijn van dieren. De taken op het gebied van de dierziektenbestrijding waren vanaf 1906 opgedragen aan de Veeartsenijkundige Dienst.
Vanaf 1925 werd de Veeartsenijkundige Dienst (VD) - de taakvoorganger van de latere Veterinaire Dienst - samengevoegd met de Veterinaire Inspectie van het Staatstoezicht voor Volksgezondheid, die verantwoordelijk was voor het toezicht op de naleving van de Vleeskeuringswet. In 1984 werden beide diensten weer gesplitst. De ambtenaren van de gezamenlijke dienst hielden zowel toezicht in de functie directeur, inspecteur, of opzichters van de Veeartsenijkundige Dienst, als in de functie van veterinair hoofdinspecteur, inspecteur of controleurs van de Veterinaire Inspectie van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid. De veterinaire inspectie was niet gericht op de gezondheid van dieren, maar op de gezondheid van mensen.
De werkzaamheden van de VD vonden plaats in districten. Deze districten waren in 1948
Staatsalmanak 1948.
: Groningen en Drenthe (in 1963 gesplitst), Friesland, Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Holland, Noordelijk Zuid-Holland, Zuidelijk Zuid-Holland, Zeeland en Westelijk Noord-Brabant, Oostelijk Noord-Brabant en Limburg. Aan het hoofd van ieder district stond een inspecteur-districtshoofd. Ook na het samengaan met de Veterinaire Inspectie bleef het apparaat georganiseerd in districten.
Na 1945 ging de VD ressorteren onder de nieuw opgerichte Afdeling Veeartsenijkundige Aangelegenheden.
Deze afdeling werd omschreven als 'Dienst van ambtenaren behorende tot het Veeartsenijkundig Staatstoezicht', met als taken:
  • de zorg voor de algemene gezondheidstoestand van de veestapel;
  • de wering en bestrijding van besmettelijke veeziekten, genoemd in de Veewet;
  • de wering en bestrijding van hondsdolheid bij honden en katten;
  • de bestrijding van tuberculose onder het vee;
  • runderhorzelbestrijding;
  • keuring van voor uitvoer bestemd vee;
  • keuring van voor uitvoer bestemd vlees;
  • bewerking der veeartsenijkundige verslagen;
  • betrekkingen aanknopen en onderhouden met veeartsenijkundige diensten in het buitenland;
  • Rijksseruminrichting;
  • Staatsveeartsenijkundig onderzoekingsinstituut;
  • uitvoering van de Wet op de uitoefening der veeartsenijkunst;
  • uitvoering van de Pluimveewet (tot ca. 1950);
  • uitvoering van de Vogelziektenwet (vanaf ca. 1951);
  • uitvoering Tuberculinewet (vanaf 1955);
  • uitvoering Tulareamiewet.
In de loop der tijd veranderde de formulering van het takenpakket van de Veeartsenijkundige Dienst. In 1972 werden de veterinaire aangelegenheden in het kader van de EEG en op ander internationaal terrein en taken op het gebied van het toezicht op (het gebruik van) diergeneesmiddelen omschreven als taken van de dienst. Deze taken hadden zich in 1972 zo ontwikkeld dat zij een substantieel deel uitmaakten van het takenpakket van de Veeartsenijkundige Dienst. In 1978 veranderde de naam van Veeartsenijkundige Dienst in Veterinaire Dienst. Naast de dienst worden de 'Veterinaire Inspecties' genoemd als 'dienst behorende bij het Directoraat-Generaal voor Landbouw en Voedselvoorziening.
In 1984 werden de Veterinaire Dienst en de Veterinaire Inspectie van de Volksgezondheid gesplitst. Deze splitsing was mede een gevolg van de reorganisatie van de keuringsdiensten. De gemeentelijke keuringsdiensten werden opgeheven en een nieuwe Rijksdienst voor keuring van Vee en Vlees werd opgericht. Deze nieuwe rijksdienst werd geplaatst onder de verantwoordelijkheid van de minister van Landbouw. Het doel van de reorganisatie was het bereiken van een grotere doelmatigheid, het bereiken van een besparing van ca. 25 miljoen gulden en een verhoging van de kwaliteit en uniformiteit van de keuringen
TK, zitting 1982-1983, 17 600, nr. 36.
.
De Veterinaire Dienst werd een beleids- en uitvoerende directie van het ministerie en viel onder het Directoraat-Generaal Landbouw en Voedselvoorziening. De doelstelling van deze dienst werd als volgt omschreven: 'Het zorgdragen voor een verantwoord gebruik van het dier, gezien vanuit het oogpunt van het welzijn, zowel vanuit de mens als van het dier:
  • het beschermen van de menselijke gezondheid bij de omgang met of het gebruik van dieren;
  • het zorgdragen voor de algemene gezondheidstoestand en het welzijn van dieren;
  • het verstrekken van optimale garanties ten aanzien van de gezondheid, de kwaliteit en de herkomst van dieren en dierlijke producten bestemd voor de export.
De dienst werd verdeeld in hoofdafdelingen, elk geleid door een veterinair inspecteur-dierenarts.
De hoofdafdelingen en hun taken waren:
Hoofdafdeling Keuringen met als taken: wering van dierziekten bij import en doorvoer en het verstrekken van veterinaire garanties bij de uitvoer van dieren en dierlijke producten (in- en exportkeuring en certificering).
Hoofdafdeling Gezondheidszorg voor Landbouwhuisdieren met de Afdelingen Dierziektenbestrijding, Preventieve Gezondheidszorg en Veterinaire Epidemiologie en met als taken: de politionele dierziektenbestrijding, met ondersteuning van personeel van de RVV, toezicht op de gezondheidszorg in het kader van de preventie en bestrijding van dierziekten, inclusief zoönosen.
Hoofdafdeling Welzijn Dieren en Gezondheidszorg Gezelschapsdieren en Beroepsuitoefening, met de afdelingen Welzijn Landbouwhuisdieren; Welzijn, Gezondheidszorg Gezelschapsdieren en Proefdieren en Uitoefening Diergeneeskunde; met als taken: het bevorderen van en toezicht houden op het welzijn van dieren, al of niet bedrijfsmatig gehouden, die worden vervoerd, geslacht of gedood, op een markt gebracht, deelnemen aan een wedstrijd, en aan wie ingrepen worden verricht. Verder behartigde deze afdeling de aangelegenheden betreffende de gezondheidszorg voor gezelschapsdieren en hield het toezicht op de uitoefening van de diergeneeskunst, het bevorderen van diergeneeskundig onderzoek en onderwijs en de ontwikkelingssamenwerking op veterinair gebied.
Hoofdafdeling Diergeneesmiddelen, met als taken: zorg voor een voldoende beschikbaarheid van deugdelijke geneesmiddelen, registratie van diergeneesmiddelen, controle op productie, import en handel van en in diergeneesmiddelen. Verder was de afdeling belast met zaken betreffende de contaminatie van de vee- en pluimveestapel met schadelijke stoffen vanuit het milieu.
Daarnaast was er nog een Stafafdeling Internationale Veterinaire Aangelegenheden en een Stafafdeling Algemene Zaken.
Na 1985 werden een aantal uitvoerende taken van de VD door de RVV overgenomen. Deze waren de pluimveevleeskeuring, toezicht op de in- en uitvoer van levende dieren en hun producten en de dierziektenbestrijding.
De Veterinaire Dienst had verder nog taken op het gebied van de veterinaire aangelegenheden in het kader van Europese Unie en andere internationale organisaties zoals het Office International des Epizooties (OIE) en op het gebied van de voorlichting.
Vanaf 1987 werd de Veterinaire Dienst gerangschikt onder het Directoraat-Generaal Landelijke Gebieden en Kwaliteitszorg, waar de RVV al onder viel.
Als gevolg van een herschikking van het Ministerie van CRM in 1982 werd de verantwoordelijkheid voor het welzijn van dieren, met name de dierenbescherming, overgedragen aan het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Directie Milieu, Kwaliteit en Gezondheid.
In 1994 werd het departement van Landbouw gereorganiseerd. De Veterinaire Dienst werd opgeheven en de taken van de VD werden (voor een deel) overgenomen door de nieuw opgerichte Directie Milieu, Kwaliteit en Gezondheid. Deze directie kreeg een breder takenpakket dan alleen gezondheid en welzijn van dieren.

Geschiedenis van het archiefbeheer

In begin 2004 werd aan de CAS ter bewerking aangeboden:
  • het archief van de Directie Veterinaire Dienst over de periode 1980 - 1989, totaal 52 meter,
  • het archief van de Veterinaire Dienst Friesland over de periode 1975 - 1984, totaal 0,25 meter,
  • het archief van de Veterinaire Dienst Groningen over de periode 1871 - 1984, totaal 5 meter,
  • het archief van de Veterinaire Dienst Groningen en Drenthe over de periode 1950 - 1984, totaal 4 meter,
  • het archief van de Veterinaire Dienst Overijssel over het jaar 1988, totaal 0,375 meter,
  • het archief van de Veterinaire Dienst Gelderland over de periode 1978 - 1984, totaal 3,125 meter,
  • het archief van de Veterinaire Dienst Utrecht over de periode 1956 - 1984, totaal 6,25 meter,
  • het archief van de Veterinaire Dienst Zuid-Holland over de periode 1981 - 1982, totaal 0,875 meter
  • het archief van de Veterinaire Inspectie/Veeartsenijkundige Dienst Middelburg, Zeeland, over de periode 1940 - 1984, totaal 0.375 meter
  • het archief van de Veterinaire Inspectie Venlo, Limburg, over de periode 1956 - 1986, totaal 0,50 meter
In de tweede helft van 2004 werd nog eens 10 meter archief aangeboden van de Directie Veterinaire Dienst over de periode 1990 - 1995. Het archief van de Veterinaire Dienst beschreven in CAS - Inventarisnummer 80 (1989), periode (1955) 1971 - 1980, werd aangeboden voor een herbewerking, totaal 23,5 meter.

De verwerving van het archief

Overbrenging van een overheidsarchief