Geschiedenis
De huidige Landmachtstaf is de opvolger van de Generale Staf, die is opgericht bij het besluit van de soevereine vorst van 11 maart 1814 nr. 6. Deze staf was belast met taken op het gebied van operatiën, legering en logistiek ten behoeve van de strijdkrachten te velde. De Generale Staf ging echter pas werkelijk als zodanig functioneren in de jaren die volgden op de kortstondige mobilisatie van het leger in 1870.
In navolging van het elders in Europa gegeven voorbeeld ontstond nu een organisatie die zich ging bezighouden met al hetgeen moest worden geregeld om bij het uitbreken van een gewapend conflict het leger snel en efficiënt te kunnen inzetten en met het voorbereiden van het leger op zijn oorlogstaak. Daartoe behoorde onder meer zaken betreffende mobilisatievoorbereiding, plannen, operatiën, logistiek en verzorging, vervoer en het organiseren van oefeningen. Vooral na de Tweede Wereldoorlog is de Generale Staf sterk in omvang toegenomen.
De formering van de Landmachtstaf in zijn huidige vorm kreeg gestalte in de jaren '60 van de twintigste eeuw. Er werd toen binnen korte tijd een drietal ingrijpende bezuinigingsoperaties uitgevoerd, die ten doel hadden gelden vrij te maken voor investeringen ter verhoging van de gevechtswaarde van het parate deel van het leger, het Eerste Legerkorps. Dit doel moest bereikt worden door het afstoten van minder essentieel geachte taken. Deze bezuinigingsoperaties werden respectievelijk Operatie Chirurg, Operatie Bever en Operatie Egel genoemd.
Deze operaties waren nog maar net voltooid, toen er in 1967 wederom reorganisatieplannen werden aangekondigd door staatssecretaris J.C.E. Haex. Ondanks voornoemde bezuinigingen bleken de uitgaven in de exploitatiesfeer nog een te groot deel van het budget van de Koninklijke Landmacht op te slokken, waardoor er te weinig geld overbleef voor nieuwe investeringen. De snelle opbouw van de Koninklijke Landmacht na 1945, de overgang van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger, de Korea- en de Nieuw-Guineaperiode resulteerde in een onevenwichtig personeelsbestand en veroorzaakte een relatief hoge exploitatie-uitgave.
Om aan deze ongewenste ontwikkelingen een halt toe te roepen en tegelijkertijd te anticiperen op de grote uitstroom van vrijwillig dienende militairen die in 1974 en de volgende jaren werd verwacht, kondigde Haex een ingrijpende herstructurering van de overkoepelende organisatie van de landstrijdkrachten aan, met als uiteindelijk doel de bestuurbaarheid te verbeteren en tegelijkertijd een personeelsbesparend effect te bewerkstelligen. Daarbij werd onder meer bepaald dat het Eerste Legerkorps buiten de reorganisaties zou worden gehouden. Er werd bovendien besloten dat er naast de drie dirigerende organisaties binnen de top van de Koninklijke Landmacht (de Generale Staf, de Dienst van de Kwartiermeester-generaal de Dienst van de Opperofficier Personeel), ter ondersteuning van de plaatsvervangend Secretaris-Generaal Koninklijke Landmacht een directoraat voor financiële en administratieve diensten opgericht diende te worden. Dit werd de Directie Administratieve Diensten Landmacht.
De personele unie van Chef Generale Staf/Bevelhebber der Landstrijdkrachten, die sinds 1954 bestond, zou ophouden te bestaan en de functie van Bevelhebber der Landstrijdkrachten zou komen te vervallen. De bevelhebberstaken zouden worden verdeeld over een nieuwe functionaris, de Nationale Commandant, en de Internationale Commandant, i.c. de commandant van het Eerste Legerkorps. Dit zou betekenen dat de Chef Generale Staf, net als voor de oorlog het geval was, geen bevelsbevoegdheid meer zou hebben over de landstrijdkrachten, hetgeen precies paste in het streven om de constitutionerende, dirigerende en uitvoerende taken binnen de Koninklijke Landmacht zoveel mogelijk te scheiden.
Het Nationaal Commando werd echter nooit opgericht omdat de minister van mening was dat de personele unie Chef Generale Staf/Bevelhebber der Landstrijdkrachten gehandhaafd diende te blijven. Wel werd in de geest van de gewenste afscheiding van de uitvoerende taken besloten tot de oprichting van een aparte Staf van de Bevelhebber der Landstrijdkrachten. Dit geschiedde per 1 november 1969.
De voornoemde scheiding van constitutionerende, dirigerende en uitvoerende taakelementen gaven in de praktijk echter steeds vaker aanleiding tot verwarring. De taakscheiding tussen Chef Generale Staf en Bevelhebber der Landstrijdkrachten enerzijds en tussen de constitutionerende en dirigerende taken anderzijds bleek onmogelijk. Daarom werd besloten het takenpakket van Chef Generale Staf en Bevelhebber der Landstrijdkrachten weer in één staf te combineren. Deze samenvoeging kreeg op 1 september 1972 haar beslag. Hiermee werd echter gedeeltelijk een streep gehaald door de bezuinigingsplannen van staatssecretaris Haex. Daarom werd besloten het adviesbureau Bakkenist, Spits & Co. in te schakelen om te onderzoeken of en waar er nog bezuinigingen mogelijk waren. De Nederlandse bijdrage aan de NAVO, het Eerste Legerkorps en de sector opleidingen dienden buiten dit onderzoek te blijven. Het adviesbureau stelde in haar eindrapport van 16 mei 1972 een grondige reorganisatie van de legertop voor. Inmiddels had een commissie van civiele en militaire deskundigen, de Commissie van Rijckevorsel, in haar op 27 maart 1972 uitgebrachte rapport, gepleit voor een reorganisatie van het Nederlandse Defensieapparaat.
Op 13 juli 1972 werden door minister H.J. de Koster plannen bekend gemaakt voor een ingrijpende wijziging van de topstructuur van Defensie. Ten koste van de zelfstandigheid van de drie krijgsmachtdelen zou het horizontale element binnen het departement verstevigd worden. De drie krijgsmachtdelen stonden uiteraard zeer gereserveerd tegenover deze voorstellen. Ook binnen de politieke leiding ontstond hierover onenigheid. Staatssecretaris A. van Es, een oud-marineofficier, die voorstander was van een verticaal gestructureerd defensieapparaat, was het niet eens met de voornemens van minister De Koster en diende op 15 april 1972 zijn ontslag in. Na dit politieke rumoer werd de discussie over de nieuwe reorganisatievoorstellen op een laag pitje voortgezet.
Naar aanleiding van de door minister H. Vredeling op 9 juli 1974 gepresenteerde Defensienota "Om de veiligheid van het bestaan", kwam deze problematiek weer in de actualiteit. Er werd aangekondigd dat het defensiebeleid in de jaren 1974 - 1983 een grondige reorganisatie zou ondergaan.
De voorstellen die minister De Koster had gedaan, werden voor een groot deel overgenomen. De leden van de krijgsmachtdeelraden zouden nevengeschikt zijn, maar de door het adviesbureau Bakkenist, Spits & Co. en door de Commissie van Rijckevorsel voorgestelde exclusieve status van de Chef Generale Staf/Bevelhebber der Landstrijdkrachten werd niet overgenomen.
Ter uitvoering van de in de Defensienota 1974 voorgestelde hoofdlijnen voor een nieuwe topstructuur van Defensie werd de Stuurgroep Herstructurering Defensie in het leven geroepen. Omdat de politieke leiding meer greep wilde krijgen op het besluitvormingsproces, meende de minister en de beide staatssecretarissen dat een matrixorganisatie hiervoor het meest in aanmerking kwam. Deze matrixorganisatie kenmerkt zich vooral door een uitgebreid netwerk van overleg- en werkverbanden op overeenkomstige niveaus binnen elk functiegebied.
In haar eindrapport "Reorganisatie Topstructuur Ministerie van Defensie" van 1976, stelde de stuurgroep een procesmatige benadering van het defensieplanningproces voor, inclusief een procedureschema, dat de gewenste gang van zaken aangaf. Nadat deze voorstellen werden aanvaard, werd de matrixorganisatie op 1 december 1976 van kracht.
Als gevolg van deze reorganisatie werden eind 1976 nieuwe benamingen ingevoerd voor de verschillende staven en directies. De Chef Generale Staf/Bevelhebber der Landstrijdkrachten werd voortaan Chef Landmachtstaf/Bevelhebber der Landstrijdkrachten genoemd, de Kwartiermeester-generaal werd Directeur Materieel Koninklijke Landmacht, de Opperofficier Personeel werd Directeur Personeel Koninklijke Landmacht en de Directeur Administratieve Diensten Landmacht werd in het vervolg met Directeur Economisch Beheer Koninklijke Landmacht aangeduid.
Kenmerkend voor de matrixorganisatie is de hiërarchische nevenschikking van de topfunctionarissen binnen het centrale apparaat (de Chef Defensiestaf en de drie Directeuren-generaal) en van de topfunctionarissen van de ministeriële organen binnen de krijgsmachtdelen (de chefs van de krijgsmachtdelen en de directeuren materieel, personeel en economisch beheer).
Echter, uitsluitend de bevelhebber is verantwoordelijk voor de taakuitvoering van zijn krijgsmachtdeel. Een goede overlegstructuur is daarom een eerste vereiste en daarom zijn er naast de Defensieraad zowel functioneel gerichte als productgerichte samenwerkingsverbanden nodig.
De bij de nieuwe organisatie behorende orgaan- en functiebeschrijvingen werden, via de Stuurgroep Begeleiding Reorganisatie, opgenomen in het op 1 april 1978 in werking tredende Voorlopig Organisatiehandboek van het Ministerie van Defensie. De procesgang werd vastgelegd in de Handleiding voor het Nederlands Defensieplanningproces Programmabudgettering, die sinds 1 januari 1978 als leidraad geldt voor het planningsproces. Vanaf die datum wordt er ook niet meer gesproken van de Landmachtstaf en de Staf van de Bevelhebber der Landstrijdkrachten, maar van respectievelijk het ministerieel en het niet-ministerieel deel van de Landmachtstaf.
Organisatie
De doelstellingen van het ministerieel deel van de Landmachtstaf zijn: het voeren van het operationeel beleid van de Koninklijke Landmacht, gericht op het doen functioneren van de Koninklijke Landmacht overeenkomstig zijn doelstelling, zulks met inachtneming van de functionele aanwijzingen en richtlijnen gegeven door de Chef Defensiestaf.
De doelstellingen van het niet-ministerieel deel van de Landmachtstaf zijn: het doen functioneren van de militaire eenheden en inrichtingen van de Koninklijke Landmacht, voor zover deze onder bevel zijn gesteld, in onderlinge samenhang en elk afzonderlijk, ter uitvoering van de opgedragen taken in vredestijd en de oorlogsvoorbereiding.
Aan het hoofd van de Landmachtstaf staat de Chef Landmachtstaf, die tevens Bevelhebber der Landstrijdkrachten is. Als Chef Landmachtstaf is hij verantwoordelijk voor het functioneren van het ministerieel deel van de Landmachtstaf; hierbij staat hij hiërarchisch onder de minister van Defensie en, binnen hun bevoegdheden, onder de Staatssecretarissen van Defensie. Functioneel staat hij onder de Chef Defensiestaf. De Chef Landmachtstaf is nevengeschikt aan de Directeur Personeel Koninklijke Landmacht, de Directeur Materieel Koninklijke Landmacht en de Directeur Economisch Beheer Koninklijke Landmacht. In verband met zijn verantwoordelijkheden voor het operationele functiegebied, dat richtgevend (maar niet maatgevend) is voor de overige functiegebieden, is hij "primus inter pares".
Als Bevelhebber der Landstrijdkrachten is hij verantwoordelijk voor het functioneren van het niet-ministerieel deel van de Landmachtstaf; hierbij staat hij hiërarchisch onder de minister van Defensie. Functioneel staat hij onder de Staatssecretaris(sen) van Defensie, voor zover het zaken betreft die tot zijn (hun) takenpakket behoren.
De Bevelhebber der Landstrijdkrachten is nevengeschikt aan de Directeur Personeel Koninklijke Landmacht, de Directeur Materieel Koninklijke Landmacht en de Directeur Economisch Beheer Koninklijke Landmacht. In verband met zijn verantwoordelijkheid voor de taakuitvoering van de Koninklijke Landmacht is hij "primus inter pares".
De uit deze doelstelling voortvloeiende taken in hoofdlijnen voor het ministerieel deel van de Landmachtstaf zijn: in het kader van het Nederlands Defensie Planningsproces Koninklijke Landmacht (NDPP-KL) ontwikkelen van een aantal plannen op operationeel gebied.
De uit de doelstellingen voortvloeiende taken in hoofdlijnen voor het niet-ministerieel deel van de Landmachtstaf zijn: het voeren van het bevel over en het doen functioneren van eenheden en inrichtingen, die onder bevel zijn gesteld. Ter uitvoering van deze doelstellingen en taken heeft de Chef Landmachtstaf/Bevelhebber der Landstrijdkrachten de beschikking over de Landmachtstaf, bestaande uit een aantal functionarissen, afdelingen en secties.
Naamlijst van officieren, die belast waren met de taak van (plaatsvervangend) Chef Generale Staf/Bevelhebber der Landstrijdkrachten (CGS/BLS) c.q. Chef Landmachtstaf/ Bevelhebber der Landstrijdkrachten (CLAS/BLS), met de datum van benoeming, over de periode 1973 - 1979.
CGS/BLS (CLAS/BLS):
- Luitenant-generaal G. IJsselstein 1 januari 1972
- Luitenant-generaal J.E. van der Slikke 4 december 1973
- Luitenant-generaal C. de Jager 1 mei 1977
Plaatsvervangend CGS/BLS (plv CLAS/BLS):
- Generaal-majoor H.J. van der Meer 24 oktober 1972
- Generaal-majoor C.J. Dijkstra 1 september 1973
- Generaal-majoor C. de Jager 1 september 1974
- Generaal-majoor J.G. Roos 1 mei 1977