2.13.110 Inventaris van het archief van de Generale Staf, Staf van de bevelhebber der landstrijdkrachten, later Landmachtstaf, Staf van de bevelhebber der Landstrijdkrachten, (1969) 1973-1979 (1980)

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Ik heb het begrepen

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Geschiedenis

De huidige Landmachtstaf is de opvolger van de Generale Staf, die is opgericht bij het besluit van de soevereine vorst van 11 maart 1814 nr. 6. Deze staf was belast met taken op het gebied van operatiën, legering en logistiek ten behoeve van de strijdkrachten te velde. De Generale Staf ging echter pas werkelijk als zodanig functioneren in de jaren die volgden op de kortstondige mobilisatie van het leger in 1870.
In navolging van het elders in Europa gegeven voorbeeld ontstond nu een organisatie die zich ging bezighouden met al hetgeen moest worden geregeld om bij het uitbreken van een gewapend conflict het leger snel en efficiënt te kunnen inzetten en met het voorbereiden van het leger op zijn oorlogstaak. Daartoe behoorde onder meer zaken betreffende mobilisatievoorbereiding, plannen, operatiën, logistiek en verzorging, vervoer en het organiseren van oefeningen. Vooral na de Tweede Wereldoorlog is de Generale Staf sterk in omvang toegenomen.
De formering van de Landmachtstaf in zijn huidige vorm kreeg gestalte in de jaren '60 van de twintigste eeuw. Er werd toen binnen korte tijd een drietal ingrijpende bezuinigingsoperaties uitgevoerd, die ten doel hadden gelden vrij te maken voor investeringen ter verhoging van de gevechtswaarde van het parate deel van het leger, het Eerste Legerkorps. Dit doel moest bereikt worden door het afstoten van minder essentieel geachte taken. Deze bezuinigingsoperaties werden respectievelijk Operatie Chirurg, Operatie Bever en Operatie Egel genoemd.
Deze operaties waren nog maar net voltooid, toen er in 1967 wederom reorganisatieplannen werden aangekondigd door staatssecretaris J.C.E. Haex. Ondanks voornoemde bezuinigingen bleken de uitgaven in de exploitatiesfeer nog een te groot deel van het budget van de Koninklijke Landmacht op te slokken, waardoor er te weinig geld overbleef voor nieuwe investeringen. De snelle opbouw van de Koninklijke Landmacht na 1945, de overgang van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger, de Korea- en de Nieuw-Guineaperiode resulteerde in een onevenwichtig personeelsbestand en veroorzaakte een relatief hoge exploitatie-uitgave.
Om aan deze ongewenste ontwikkelingen een halt toe te roepen en tegelijkertijd te anticiperen op de grote uitstroom van vrijwillig dienende militairen die in 1974 en de volgende jaren werd verwacht, kondigde Haex een ingrijpende herstructurering van de overkoepelende organisatie van de landstrijdkrachten aan, met als uiteindelijk doel de bestuurbaarheid te verbeteren en tegelijkertijd een personeelsbesparend effect te bewerkstelligen. Daarbij werd onder meer bepaald dat het Eerste Legerkorps buiten de reorganisaties zou worden gehouden. Er werd bovendien besloten dat er naast de drie dirigerende organisaties binnen de top van de Koninklijke Landmacht (de Generale Staf, de Dienst van de Kwartiermeester-generaal de Dienst van de Opperofficier Personeel), ter ondersteuning van de plaatsvervangend Secretaris-Generaal Koninklijke Landmacht een directoraat voor financiële en administratieve diensten opgericht diende te worden. Dit werd de Directie Administratieve Diensten Landmacht.
De personele unie van Chef Generale Staf/Bevelhebber der Landstrijdkrachten, die sinds 1954 bestond, zou ophouden te bestaan en de functie van Bevelhebber der Landstrijdkrachten zou komen te vervallen. De bevelhebberstaken zouden worden verdeeld over een nieuwe functionaris, de Nationale Commandant, en de Internationale Commandant, i.c. de commandant van het Eerste Legerkorps. Dit zou betekenen dat de Chef Generale Staf, net als voor de oorlog het geval was, geen bevelsbevoegdheid meer zou hebben over de landstrijdkrachten, hetgeen precies paste in het streven om de constitutionerende, dirigerende en uitvoerende taken binnen de Koninklijke Landmacht zoveel mogelijk te scheiden.
Het Nationaal Commando werd echter nooit opgericht omdat de minister van mening was dat de personele unie Chef Generale Staf/Bevelhebber der Landstrijdkrachten gehandhaafd diende te blijven. Wel werd in de geest van de gewenste afscheiding van de uitvoerende taken besloten tot de oprichting van een aparte Staf van de Bevelhebber der Landstrijdkrachten. Dit geschiedde per 1 november 1969.
De voornoemde scheiding van constitutionerende, dirigerende en uitvoerende taakelementen gaven in de praktijk echter steeds vaker aanleiding tot verwarring. De taakscheiding tussen Chef Generale Staf en Bevelhebber der Landstrijdkrachten enerzijds en tussen de constitutionerende en dirigerende taken anderzijds bleek onmogelijk. Daarom werd besloten het takenpakket van Chef Generale Staf en Bevelhebber der Landstrijdkrachten weer in één staf te combineren. Deze samenvoeging kreeg op 1 september 1972 haar beslag. Hiermee werd echter gedeeltelijk een streep gehaald door de bezuinigingsplannen van staatssecretaris Haex. Daarom werd besloten het adviesbureau Bakkenist, Spits & Co. in te schakelen om te onderzoeken of en waar er nog bezuinigingen mogelijk waren. De Nederlandse bijdrage aan de NAVO, het Eerste Legerkorps en de sector opleidingen dienden buiten dit onderzoek te blijven. Het adviesbureau stelde in haar eindrapport van 16 mei 1972 een grondige reorganisatie van de legertop voor. Inmiddels had een commissie van civiele en militaire deskundigen, de Commissie van Rijckevorsel, in haar op 27 maart 1972 uitgebrachte rapport, gepleit voor een reorganisatie van het Nederlandse Defensieapparaat.
Op 13 juli 1972 werden door minister H.J. de Koster plannen bekend gemaakt voor een ingrijpende wijziging van de topstructuur van Defensie. Ten koste van de zelfstandigheid van de drie krijgsmachtdelen zou het horizontale element binnen het departement verstevigd worden. De drie krijgsmachtdelen stonden uiteraard zeer gereserveerd tegenover deze voorstellen. Ook binnen de politieke leiding ontstond hierover onenigheid. Staatssecretaris A. van Es, een oud-marineofficier, die voorstander was van een verticaal gestructureerd defensieapparaat, was het niet eens met de voornemens van minister De Koster en diende op 15 april 1972 zijn ontslag in. Na dit politieke rumoer werd de discussie over de nieuwe reorganisatievoorstellen op een laag pitje voortgezet.
Naar aanleiding van de door minister H. Vredeling op 9 juli 1974 gepresenteerde Defensienota "Om de veiligheid van het bestaan", kwam deze problematiek weer in de actualiteit. Er werd aangekondigd dat het defensiebeleid in de jaren 1974 - 1983 een grondige reorganisatie zou ondergaan.
De voorstellen die minister De Koster had gedaan, werden voor een groot deel overgenomen. De leden van de krijgsmachtdeelraden zouden nevengeschikt zijn, maar de door het adviesbureau Bakkenist, Spits & Co. en door de Commissie van Rijckevorsel voorgestelde exclusieve status van de Chef Generale Staf/Bevelhebber der Landstrijdkrachten werd niet overgenomen.
Ter uitvoering van de in de Defensienota 1974 voorgestelde hoofdlijnen voor een nieuwe topstructuur van Defensie werd de Stuurgroep Herstructurering Defensie in het leven geroepen. Omdat de politieke leiding meer greep wilde krijgen op het besluitvormingsproces, meende de minister en de beide staatssecretarissen dat een matrixorganisatie hiervoor het meest in aanmerking kwam. Deze matrixorganisatie kenmerkt zich vooral door een uitgebreid netwerk van overleg- en werkverbanden op overeenkomstige niveaus binnen elk functiegebied.
In haar eindrapport "Reorganisatie Topstructuur Ministerie van Defensie" van 1976, stelde de stuurgroep een procesmatige benadering van het defensieplanningproces voor, inclusief een procedureschema, dat de gewenste gang van zaken aangaf. Nadat deze voorstellen werden aanvaard, werd de matrixorganisatie op 1 december 1976 van kracht.
Als gevolg van deze reorganisatie werden eind 1976 nieuwe benamingen ingevoerd voor de verschillende staven en directies. De Chef Generale Staf/Bevelhebber der Landstrijdkrachten werd voortaan Chef Landmachtstaf/Bevelhebber der Landstrijdkrachten genoemd, de Kwartiermeester-generaal werd Directeur Materieel Koninklijke Landmacht, de Opperofficier Personeel werd Directeur Personeel Koninklijke Landmacht en de Directeur Administratieve Diensten Landmacht werd in het vervolg met Directeur Economisch Beheer Koninklijke Landmacht aangeduid.
Kenmerkend voor de matrixorganisatie is de hiërarchische nevenschikking van de topfunctionarissen binnen het centrale apparaat (de Chef Defensiestaf en de drie Directeuren-generaal) en van de topfunctionarissen van de ministeriële organen binnen de krijgsmachtdelen (de chefs van de krijgsmachtdelen en de directeuren materieel, personeel en economisch beheer).
Echter, uitsluitend de bevelhebber is verantwoordelijk voor de taakuitvoering van zijn krijgsmachtdeel. Een goede overlegstructuur is daarom een eerste vereiste en daarom zijn er naast de Defensieraad zowel functioneel gerichte als productgerichte samenwerkingsverbanden nodig.
De bij de nieuwe organisatie behorende orgaan- en functiebeschrijvingen werden, via de Stuurgroep Begeleiding Reorganisatie, opgenomen in het op 1 april 1978 in werking tredende Voorlopig Organisatiehandboek van het Ministerie van Defensie. De procesgang werd vastgelegd in de Handleiding voor het Nederlands Defensieplanningproces Programmabudgettering, die sinds 1 januari 1978 als leidraad geldt voor het planningsproces. Vanaf die datum wordt er ook niet meer gesproken van de Landmachtstaf en de Staf van de Bevelhebber der Landstrijdkrachten, maar van respectievelijk het ministerieel en het niet-ministerieel deel van de Landmachtstaf.

Organisatie

De doelstellingen van het ministerieel deel van de Landmachtstaf zijn: het voeren van het operationeel beleid van de Koninklijke Landmacht, gericht op het doen functioneren van de Koninklijke Landmacht overeenkomstig zijn doelstelling, zulks met inachtneming van de functionele aanwijzingen en richtlijnen gegeven door de Chef Defensiestaf.
De doelstellingen van het niet-ministerieel deel van de Landmachtstaf zijn: het doen functioneren van de militaire eenheden en inrichtingen van de Koninklijke Landmacht, voor zover deze onder bevel zijn gesteld, in onderlinge samenhang en elk afzonderlijk, ter uitvoering van de opgedragen taken in vredestijd en de oorlogsvoorbereiding.
Aan het hoofd van de Landmachtstaf staat de Chef Landmachtstaf, die tevens Bevelhebber der Landstrijdkrachten is. Als Chef Landmachtstaf is hij verantwoordelijk voor het functioneren van het ministerieel deel van de Landmachtstaf; hierbij staat hij hiërarchisch onder de minister van Defensie en, binnen hun bevoegdheden, onder de Staatssecretarissen van Defensie. Functioneel staat hij onder de Chef Defensiestaf. De Chef Landmachtstaf is nevengeschikt aan de Directeur Personeel Koninklijke Landmacht, de Directeur Materieel Koninklijke Landmacht en de Directeur Economisch Beheer Koninklijke Landmacht. In verband met zijn verantwoordelijkheden voor het operationele functiegebied, dat richtgevend (maar niet maatgevend) is voor de overige functiegebieden, is hij "primus inter pares".
Als Bevelhebber der Landstrijdkrachten is hij verantwoordelijk voor het functioneren van het niet-ministerieel deel van de Landmachtstaf; hierbij staat hij hiërarchisch onder de minister van Defensie. Functioneel staat hij onder de Staatssecretaris(sen) van Defensie, voor zover het zaken betreft die tot zijn (hun) takenpakket behoren.
De Bevelhebber der Landstrijdkrachten is nevengeschikt aan de Directeur Personeel Koninklijke Landmacht, de Directeur Materieel Koninklijke Landmacht en de Directeur Economisch Beheer Koninklijke Landmacht. In verband met zijn verantwoordelijkheid voor de taakuitvoering van de Koninklijke Landmacht is hij "primus inter pares".
De uit deze doelstelling voortvloeiende taken in hoofdlijnen voor het ministerieel deel van de Landmachtstaf zijn: in het kader van het Nederlands Defensie Planningsproces Koninklijke Landmacht (NDPP-KL) ontwikkelen van een aantal plannen op operationeel gebied.
De uit de doelstellingen voortvloeiende taken in hoofdlijnen voor het niet-ministerieel deel van de Landmachtstaf zijn: het voeren van het bevel over en het doen functioneren van eenheden en inrichtingen, die onder bevel zijn gesteld. Ter uitvoering van deze doelstellingen en taken heeft de Chef Landmachtstaf/Bevelhebber der Landstrijdkrachten de beschikking over de Landmachtstaf, bestaande uit een aantal functionarissen, afdelingen en secties.
Naamlijst van officieren, die belast waren met de taak van (plaatsvervangend) Chef Generale Staf/Bevelhebber der Landstrijdkrachten (CGS/BLS) c.q. Chef Landmachtstaf/ Bevelhebber der Landstrijdkrachten (CLAS/BLS), met de datum van benoeming, over de periode 1973 - 1979.
    CGS/BLS (CLAS/BLS):
  • Luitenant-generaal G. IJsselstein 1 januari 1972
  • Luitenant-generaal J.E. van der Slikke 4 december 1973
  • Luitenant-generaal C. de Jager 1 mei 1977
    Plaatsvervangend CGS/BLS (plv CLAS/BLS):
  • Generaal-majoor H.J. van der Meer 24 oktober 1972
  • Generaal-majoor C.J. Dijkstra 1 september 1973
  • Generaal-majoor C. de Jager 1 september 1974
  • Generaal-majoor J.G. Roos 1 mei 1977

Geschiedenis van het archiefbeheer

De geschiedenis van het archief

Het archief is ontstaan bij de secretarie van de Chef Generale Staf/Bevelhebber der Landstrijdkrachten, later genaamd Chef Landmachtstaf/Bevelhebber der Landstrijdkrachten, gehuisvest in de Prinses Julianakazerne te Den Haag. Het archief werd tot en met de jaargang 1976 per jaar afgesloten en gescheiden opgeslagen. Het archief over de jaren 1977-1979 werd als één geheel gevormd en opgeslagen. Dit laatste gedeelte werd per 31 december 1979 afgesloten. De totale omvang van het gehele archief bedroeg voor de vernietiging ongeveer 170 meter, verdeeld over een ongeclassificeerd deel (114 meter) en een geclassificeerd deel (56 meter).Het geclassificeerd deel werd echter wel gescheiden gehouden van het ongeclassificeerd deel en apart opgeslagen.
Het archiefblok werd van 1979 tot 1983 gefaseerd overgedragen aan het Limbo-archief van de afdeling Post- en Archiefzaken Koninklijke Landmacht. Dit archief was gehuisvest in de Frederikkazerne te Den Haag en had als taak het ingeleverde archief te schonen en gereed te maken voor inlevering bij het Centraal Archievendepot van het Ministerie van Defensie. Dit laatste is echter, met uitzondering van de jaargang 1973 van het geclassificeerd deel, nooit gebeurd aangezien tussentijds de Marine-, de Landmacht- en de Luchtmachtstaf elk een eigen semi-statisch archief kregen, die de door hen ingezamelde archieven na selectie en inventarisatie aan de Rijksarchiefdienst hebben overgedragen.
Het archiefdeel over de jaren 1973-1976 was oorspronkelijk geordend volgens het rubriekenstelsel, terwijl het gedeelte over de jaren 1977-1979 volgens het dossierstelsel was geordend met behulp van de voor die perioden geldende registratuurplannen. Het dossierstelsel was al voorgeschreven bij het Koninklijk Besluit van 2 oktober 1950, K 425, maar was bij de Generale Staf nooit daadwerkelijk uitgevoerd. Eerst na een organisatieonderzoek in 1976, waarin dit aan de orde werd gesteld, werd per 1 januari 1977 overgegaan op het dossierstelsel.
Zowel het rubriekenstelsel als het dossierstelsel zijn in beide periodes niet consequent doorgevoerd. De inschrijving van de documenten geschiedde door middel van het fichedoorschrijfsysteem. De stukken in de periode 1973-1976 werden voorzien van een correspondentienummer, dat voor wat betreft het ongeclassificeerd deel bestond uit de laatste twee cijfers van het desbetreffende jaar, gevolgd door een viercijferig nummer, te beginnen bij het nummer 6000. Was er reeds over het betreffende onderwerp voorgaande correspondentie aanwezig, dan werd het correspondentienummer voorzien van een schuine streep met hierachter een volgletter. In de periode 1977-1979 werd op soortgelijke wijze geregistreerd, echter met gebruikmaking van een nummerserie beginnend bij 10.000, hierbij werd het jaarnummer niet meer vermeld.
Voor wat betreft het geclassificeerd deel werden de stukken in de periode 1973-1976 voorzien van een correspondentienummer, dat bestond uit een volgnummer, te beginnen bij het nummer 001, gevolgd door de laatste twee cijfers van het desbetreffende jaar. Was er reeds over het betreffende onderwerp voorgaande correspondentie aanwezig, dan werd ook in dit deel het correspondentienummer voorzien van een schuine streep met hierachter een volgletter. In de periode 1977-1979 werd op dezelfde wijze geregistreerd, te beginnen bij nummer 001, echter met weglating van het jaarnummer.
In 1984 werd bij het Limbo-archief, dat inmiddels Semi-statisch Archief Koninklijke Landmacht was gaan heten, begonnen met de schoning en selectie van het ongeclassificeerd deel van het archief. Dit werd gevolgd door de samenvoeging van het gedeelte 1973-1976 met het gedeelte 1977-1979. Deze samenvoeging, die nodig was om de toegankelijkheid te verhogen, geschiedde door de documenten uit het gedeelte tot en met 1976 te voegen bij een overeenkomstig dossier uit het gedeelte 1977-1979.
De gevolgde methode bleek achteraf zeer tijdrovend, vooral omdat er documenten uit de jaren 1973-1974 en in mindere mate uit de jaren 1975 en 1976 waren die geen vervolg hadden in de periode na 1977.
Van deze documenten moesten aan het eind van de samenvoeging aparte dossiers gemaakt worden. Nadat alle documenten verwerkt waren, werden de aldus ontstane dossiers nogmaals gecontroleerd op juistheid en volledigheid en zonodig verbeterd. Hierna werden de dossiers in een gewijzigde volgordegeborgen in archiefdozen.
In april 1987 was de herordening van het archief gereed. De omvang van het ongeclassificeerd archief was toen 28 meter, waarvan 10 meter op termijn vernietigbaar is. In aansluiting hierop is in april 1987 begonnen met dezelfde procedure voor wat betreft het geclassificeerd deel van het archief, hetgeen in augustus 1988 afgerond werd. De omvang van het geclassificeerd archief was toen 18 meter, waarvan 31/2 meter op termijn vernietigbaar is. In november 1988 werd begonnen met de inventarisatie van de resterende hoeveelheid van 18 meter van het ongeclassificeerd deel, dat beschreven is in deel 1 van de inventaris. Met de inventarisatie van de resterende hoeveelheid van 141/2 meter van het geclassificeerd deel werd in mei 1989 begonnen. Dit gedeelte is beschreven in het deel 'geclassificeerd' van de inventaris. Het gehele archief werd in 2002 overgedragen aan het Centraal Archievendepot van het Ministerie van Defensie.
Het archief van de Legerraad, waarvan de Chef Landmachtstaf/Bevelhebber der Landstrijdkrachten voorzitter is, wordt gescheiden opgeslagen en apart geïnventariseerd. Het NATO-archief van de Landmachtstaf wordt beheerd door het Semi-statisch NATO-archief en wordt conform NATO-voorschrift niet overgedragen.
In de inventaris ontbreken de volgende delen:
  • Stukken betreffende het Nederlands Detachement Unifil. (11/2 meter). Deze stukken, uit 1979, zijn gevoegd bij het archiefblok over de jaren 1980-1989.
  • Stukken betreffende het Curatorium van de Koninklijke Militaire Academie, waarvan het secretariaat door de Landmachtstaf wordt gevoerd (1/2 meter). Deze stukken zijn gevoegd bij het archief van het Curatorium en beschreven in een afzonderlijke inventaris.
  • Stukken van afdelingen en secties die een eigen archief beheren: de afdelingen Kabinet, Personeel en Inlichtingen & Veiligheid, alsmede de secties Juridische zaken, Krijgsgeschiedenis (later Militaire Geschiedenis) en Welzijnszorg.

De verwerving van het archief

Overbrenging van een overheidsarchief