Geschiedenis van de archiefvormer
De Ministeries van Oorlog en van Marine
Vanaf 1843 tot 1928 waren er twee ministeries parallel actief in de territoriale verdediging van Nederland en haar koloniën: de departementen van Marine en van Oorlog. In 1928 fuseerden beide departementen tot het Ministerie van Defensie. In 1941 werd door de Nederlandse regering in Londen de fusie ongedaan gemaakt en de beide departementen hersteld in functie. In 1959 fuseerden beide departementen opnieuw tot Ministerie van Defensie, die daarmee definitief rechtsopvolger is geworden van de beide departementen.
Taken met betrekking tot personele zorg en met betrekking tot beheer van de personeelsgegevens zijn lange tijd nauw verweven geweest binnen een organisatieonderdeel. Veranderingen in functie of rang bij militairen werden vastgelegd in registers, de stamboeken, die met de hand werden beschreven. Begin 20e eeuw ging men geleidelijk over op een losbladig systeem, later dossierstelsel genoemd. Beide administratieve stelsels hebben tot ca. 1940 parallel aan elkaar bestaan. Niettemin bleef het begrip stamboek ook na WO II in gebruik.
De personeelsdossiers in deze inventaris zijn gevormd in de jaren 1930 en verder, want mannen konden in militaire dienst treden vanaf hun twintigste levensjaar. De periode 1911-1920 betreft dus de geboortejaren van militairen. Sporadisch zijn er ook vrouwen actief geweest in militaire dienst, veelal bij het korps geneeskundige troepen. Sinds de oprichting van een Luchtvaartafdeling in 1913 was de personele administratie bij de landmacht ondergebracht tot deze afdeling een zelfstandig krijgsmachtonderdeel werd in 1953.
Bij de landmacht werd van oudsher een uitgebreide personeelsadministratie bijgehouden. Zeer uitgebreide en gedetailleerde instructies golden voor de administrateurs bij de regimenten en korpsen, teneinde de grootst mogelijke uniformiteit te verkrijgen. De bekendste documenten vormen de stamboeken, waarin de persoonsgegevens van militairen en gegevens betreffende hun militaire loopbaan werden ingeschreven. Naast deze registers bestonden de strafregisters, waarin op compagnies-, eskadrons- of batterijniveau de krijgstuchtelijk en strafrechtelijke opgelegde straffen werden ingeschreven. Deze registers hebben bestaan sinds de oprichting van de Koninklijke Landmacht in de jaren 1814-1815. Teneinde de militaire administratie te vereenvoudigen en daarmee bezuinigingen door te voeren, werd geleidelijk van de vastbladige registers overgegaan op losbladige registers (feuilles) en kaartregisters (kaartsystemen). Die ontwikkeling begon in 1904, toen bij de juist opgerichte
Landweer controlebladen werden ingevoerd, bevattende op losse vellen de stamboekgegevens van de individuele militair. Deze bladen werden door de compagniesadministrateur in een of meer portefeuilles bijeengehouden en maakten daar een gedeelte uit van het zgn. administratieboek.
Zodra een militair werd ingelijfd, werd een controleblad toegevoegd. Bij overplaatsing of ontslag van een militair werd zijn controleblad weer verwijderd en opgezonden naar het nieuwe onderdeel resp. opgezonden naar een hogere instantie. Voorheen werden deze gegevens in vastbladige registers bijgehouden. Het losbladige karakter maakte veel schrijfwerk overbodig, omdat nu eenvoudig een controleblad kon worden verzonden, hetgeen bij registers uiteraard niet mogelijk was. Deze methode van werken beviel zo goed, dat die vanaf 1 januari 1906 ook werd toegepast bij de gewone onderdelen van de landmacht. Daar werden de controlebladen echter controlelijsten genoemd.
Ook hier werden de controlelijsten opgemaakt en bijgehouden door de
compagniesadministrateur als onderdeel van het administratieboek. De controlelijsten werden
vergeleken met de stamboeken van het onderdeel, en gewaarmerkt door de korps- of
regimentsadministrateur.
Het succes van de losbladige administratie leidde er vervolgens toe dat in 1907 de strafregisters
werden vervangen door straflijsten. Ook hier werd een vereenvoudiging en bezuiniging bereikt,
want bij overplaatsing behoefde eveneens geen afschriften meer vervaardigd te worden.
Overigens duurde het nog tot 1924 voor de stamboeken werden afgeschaft. Per 1 januari 1923
werd het dubbel van het stamboek, dat op het Ministerie van Oorlog werd bijgehouden,
vervangen door de losbladige inlijvingsstaten. Met ingang van 1 juli 1924 werd vervolgens het
stamboek bij de regimenten en korpsen afgeschaft. Deze administratie verviel geheel. Vanaf dat
tijdstip gold de verzameling controlelijsten als stamboek. Toch was reeds eerder al
geëxperimenteerd met een losbladige stamboekregistratie. Toen in augustus 1915 de eerste
lichtingen landstormplichtigen in werkelijke dienst werden opgeroepen, schreef men hen niet in in vastbladige stamboeken, maar werd de door de burgemeester opgemaakte stamboekbladen
(model C) tot stamboek geformeerd. Deze bladen werden niet ingebonden. Ook de vrijwillige
landstorm werd niet in een vastbladig stamboek ingeschreven.
De controlebladen van de Landweer zijn ingevoerd per 1 juni 1904 bij §12 van de Landweer-Instructie I, vastgesteld bij beschikking van de Minister van Oorlog van 27 april 1904, VIIe Afd. no.142 (R.M. 1904, p.455), volgens het bij die beschikking gevoegde model D. De Landweer-Instructie van 27 juni 1913, Afd. Militie en Landweer (L.), No. 393 (R.M. 1913, p.717) wijzigde het model van de controlebladen op ondergeschikte punten in §14.
De controlelijsten werden ingevoerd per 1 januari 1906 bij beschikking van de Minister van Oorlog van 23 oktober 1905, VIIIe Afd. no. 57 (R.M. 1907, p. 1095) tot wijziging van de Voorschriften tot uitvoering van het Reglement van Administratie bij de Landmacht. Bij art. A, sub II werd de controlelijst als model 170aa aan dit voorschrift toegevoegd. Voorts werd daarbij voorgeschreven hoe deze controlelijsten moesten worden ingevuld en behandeld. Bij een van de latere wijzigingen van dat voorschrift werd het model genummerd 118aa. De lijsten hebben in de loop der jaren wel enige wijzigingen ondergaan, maar die zijn hoofdzakelijk van redactionele aard.
STRAFLIJSTEN
De straflijsten zijn ingevoerd bij beschikking van de Minister van Oorlog van 8 juli 1907, Ie Afd. no.344 (R.M. 1907, p.607) houdende voorschriften voor het aanhouden van losse straflijsten en het verstrekken van uittreksels uit die lijsten.
Geschiedenis van het archiefbeheer
Tussen 1860 en 1928 was het gegevens- en archiefbeheer toevertrouwd aan de Afdeling Personeel van de beide departementen van Marine en van Oorlog. Bij de marine had deze afdeling `taken omtrent de stamboeken van de zeeofficieren en schepelingen.' Bij de landmacht waren de taken (tussen 1880-1928): `stamboeken, kaderlijsten, ranglijsten en conduitelijsten van officieren'. Vanaf 1890 had men tevens tot taak het bijhouden van: `registers van gepensioneerden van de landmacht en van gewezen militairen die niet meer voor de dienst aangenomen mogen worden'. Met het oog op de fusie van beide departementen kwam het in 1927 tot een reductie van taken, maar het bijhouden van stamboeken van officieren en de beroepsmilitairen beneden de rang van officier, bleef in het takenpakket.
Na de fusie in 1928 tot Ministerie van Defensie zijn de stamboeken in gebruik geweest tot medio 1940, toen de fusie werd opgeheven en er weer een departement van Oorlog en van Marine ontstond. De afdeling Personeel werd in 1928 organisatorisch gesplitst in een 3e Afdeling Personeel Landmacht en een 3e Afdeling Personeel Zeemacht. Bij de landmacht had men, naast personele zorg, taken betreffende het bijhouden van het `stamboek van de officieren en van de beroeps- en reserve militairen beneden de rang van officier en het bijhouden van `beoordelingslijsten'.
Bij de marine ontbreken specifieke omschrijvingen van administratieve taken, maar men was verantwoordelijk voor de personele zorg, van het aannemen van mensen tot en met het pensioneren van militairen. Zonder beheer over de registers (de stamboeken) en/of de losbladige controlestaten (personeelsdossiers) kan men deze taken niet goed hebben uitgevoerd. Op zijn minst moet men toegang hebben gehad tot de administratie. Het is aannemelijk dat men zelf de administratie bijhield van de eigen taken.
Van 1946 tot 1959 werd het archiefbeheer bij het departement van Oorlog uitgevoerd door Afdeling A I (militair personeel). Namelijk, door `het aanleggen en aanvullen van de beoordelingslijsten van de beroeps- en reserveofficieren van de Koninklijke Landmacht; en het aanleggen en aanvullen van de [losbladige] stamboeken van de beroeps- en reserveofficieren van de Koninklijke Landmacht.'
Bij het Departement van Marine was de Hoofdafdeling Intendance en Administratie van 1946 tot 1959 onder meer verantwoordelijk voor de betaling, kleding en voeding van militairen. Tevens had men de zorg voor militaire- straf- en tuchtrecht-pleging. Een specifieke taakomschrijving betreffende het bijhouden van de administratie ontbreekt wederom. Aangezien de term administratie wel in de naam van de afdeling voorkomt en men de zorg voor salarisbetalingen en strafopleggingen had, is het aannemelijk dat deze afdeling van de Marine zelf de personeelsdossiers bijhield.
Dossierbeheer van gepensioneerden militairen
De generatie actieve militairen, geboren in de periode 1901-1920, is sinds de jaren 1960 geleidelijk met pensioen gegaan, tenzij men al eerder tijdens militaire operaties was gesneuveld of ontslag had genomen. Het beheer van hun personeelsgegevens verplaatste zich geleidelijk naar organisatieonderdelen die met taken bezig waren rond post-actieve dan wel gepensioneerde militairen. Om die reden wordt hier kort aandacht geschonken aan de organisatie van het archiefbeheer van personeelsdossiers van niet-actieve militairen.
Tot 1963 werden de pensioenaanvragen van marine-militairen behandeld door een eigen bureau bij de hoofdafdeling Personeel van het ministerie van Marine. De pensioenaanvragen van militairen van de Land- en Luchtmacht werden behandeld door de afdeling Pensioenen en Wachtgelden van de directie Militair Personeel van het Ministerie van Oorlog. Vanaf 1963 werd op centraal niveau één Hoofdafdeling Pensioenen en Wachtgelden ingesteld, die vanaf dat moment voor personeel van de drie krijgsmachtdelen de pensionering ging verzorgen. Echter, wordt in dezelfde studie (zie Publicaties: `GEEF ACHT') een uitzondering genoemd voor de Marine, waarbij haar bureau Pensioenen en Wachtgelden pas in 1973 wordt opgeheven (i.p.v. 1963). Hoe dan ook, in 1974 werkte de afdeling Pensioenen en Wachtgelden voor alle krijgsmachtonderdelen. Uit het actorenregister van het Nationaal Archief blijkt verder nog dat de Afdeling Pensioenen en Wachtgelden ook zaken met betrekking tot pensioenen en wachtgeld voor (voormalig) burgerpersoneel behandelde.
Bureau Registratie en Informatie Ontslagen Personeel (BRIOP)
De uitvoering van de informatievoorziening rond pensioenzorg voor militairen werd apart ondergebracht bij Bureau Registratie en Informatie Ontslagen Personeel (BRIOP). BRIOP ontstond in 1974 door de verzelfstandiging van `sectie 3' van het Centraal Archieven Depot (CAD). Op haar beurt was het CAD opgericht in 1961 om de `oudere archieven van het departement en van de staven, onderdelen, diensten en inrichtingen van de Koninklijke landmacht, de Koninklijke
luchtmacht en van de mobiele colonnes onder centraal beheer te stellen'.
Twee secties binnen BRIOP behandelden informatieverzoeken ten aanzien van personen in de uiteenlopende bestanddelen (zie bijlagen: Lijst archiefbestanddelen BRIOP 1974 & 1979). Sectie 3 was specifiek belast met het beheer van de `bestanden van personeelsdossiers en kaarten (BPK)' en met registratie van mutaties. Hoofdzakelijk bestond het beheer uit het invoegen van kaarten en persoonsdossiers van recent `ontslagen' personeel. De kaarten en persoonsdossiers waren afkomstig van krijgsmachtonderdelen en dienstplichtzaken. De primaire taak van BRIOP was informatie-voorziening. Men had geen archiefbeheertaken, zoals het opschonen van dossiers, etc.
Na een onderzoek in 1979 naar het functioneren van BRIOP werd de formatie van BRIOP uitgebreid vanwege de geringe personeelsbezetting en de grote achterstanden in beheer, al daterend van voor de verhuizing naar Hoensbroek, en mede veroorzaakt door slechte huisvesting.
Na twintig jaar gefunctioneerd te hebben buiten het CAD werd in 1994 een omgekeerde beweging zichtbaar: BRIOP en het CAD functioneerden nu naast elkaar in een `koepel', die voortaan Defensie Archieven en Registratie Centrum (DARC) werd genoemd. In DARC werden vier organisatie-eenheden ondergebracht die zelfstandig archieven beheerde:
a. de leiding en staf van de centrale afdeling documentaire informatie-voorziening (CDI);
b. het centraal archievendepot (CAD);
c. het centraal medisch archief (CMA) en
d. het bureau registratie informatie ontslagen personeel (BRIOP).
Verder werd DARC per 1 januari 1995 ondergebracht bij de Groep Defensie Ondersteuning (GDO).
In 2006 werd de naam DARIC, men had inmiddels de I van informatie toegevoegd aan de naam, omgedoopt tot Dienstencentrum Documentaire Informatievoorziening (DCDI). De vier organisatie-eenheden bleven zelfstandig functioneren onder de nieuwe naam.
Het semi-statisch-archiefbeheer binnen de krijgsmacht vond echter nog steeds plaats bij de vier krijgsmachtonderdelen. Een reorganisatie in 2006-2007 gaf in 2008 vorm aan de integratie van deze vier krijgsmachtonderdelen samen met het CAD, BRIOP, CDI en CMA, onder de vlag van alweer een nieuwe naam: Semi Statische Archiefdiensten (SSA). CAD, BRIOP en de andere twee eenheden hielden op te bestaan.
Bij een reorganisatie in 2013 werd het SSA omgedoopt tot de afdeling Semi-statisch Informatie Beheer (SIB) en onderdeel van de afdeling Informatiebeheer, die deel uitmaakt van het Joint Informatie Voorziening Commando (JIVC), de IT-afdeling van Defensie.
De verwerving van het archief
Het archief is krachtens bepalingen van de Archiefwet overgebracht.