1818-1840: geen een- of tweehoofdige leiding van het wapen
Volgens het rapport waarop het besluit om de functies op te heffen gebaseerd was hadden de inspecteur-generaals gediend om het nieuwe leger, dat bij oprichting nogal heterogeen was, tot een eenheid om te smeden. Deze doelstelling was volgens het rapport nu bereikt. Bovendien gingen de inspecteurs-generaal zich steeds aanmatigender gedragen en onttrokken zij zaken aan het departement van Oorlog zoals het zelfstandig uit laten gaan van missives en circulaires.
ARA II, Staatssecretarie inv.nr. 669, rapport van 24 april 1819 nr. 2, bijgevoegd bij KB 16 augustus 1818 nr. 54.
In het bovengenoemde rapport werd bovendien voorgesteld de inspecties voortaan te laten plaatsvinden door de generaals die de divisies commandeerden. Er is geen KB bekend waarin de inspectie feitelijk aan deze generaals werd opgedragen. Wel blijkt dat in praktijk generaals de inspectietaak overnamen. Op 10 september en 16 oktober 1818 kreeg Dibbetz, die immers tot 1 januari 1819 in dienst bleef als inspecteur-generaal, nog de opdrachten om op inspectie te gaan, op 25 april 1819 echter werd de opdracht tot een inspectie van de infanterie aan de provinciale commandanten gegeven.
ARA II, Staatssecretarie inv.nr. 683, KB 10 september 1818 nr. 67; ARA II, Staatssecretarie inv.nr. 704, KB 16 oktober 1818 nr. 1; ARA II, Staatssecretarie inv.nr. 984, KB 25 april 1819 nr. 70.
Bij dit laatste besluit is een advies van de commissaris-generaal van oorlog d'Aubremé gevoegd waarin verwezen werd naar het "Provisioneel reglement van administratie bij de landmagt".
Dit reglement brengt een probleem bij het inspecteren aan het licht, namelijk de verstrengeling van vele soorten inspecties of monsteringen. Men kan twee soorten inspecties onderscheiden: 1) de inspecties die zowel de administratie als het functioneren der troepen controleerden en 2) de inspecties die slechts controleerden of de administratie overeenkwam met de werkelijke staat der troepen. De inspecties van de pas opgeheven inspecteur-generaalschappen zullen onder de eerste categorie hebben gevallen. Over de tweede categorie inspecties, die vaker plaats vonden, het volgende.
Op 14 februari 1814 werd het "Provisioneel reglement op de monstering, betaling en administratie van de armee" vastgesteld.
ARA II, Staatssecretarie inv.nr. 7, KB 14 februari 1814 nr. 71.
Dit reglement bepaalde dat iedere drie maanden de korpsen door "Commissarissen" of "Onder-Commissarissen van de Monstering" moesten worden gemonsterd. Alle soldaten moesten hiervoor volledig bewapend worden opgesteld om te controleren of de werkelijke sterkte in overeenstemming was met de door de leidinggevende officieren verstrekte monsterrollen, dit om te voorkomen dat er teveel aan soldij zou worden uitgekeerd. Het goedkeuren van de administratie op basis waarvan de soldijen uitbetaald moesten worden en de verantwoording daarvan was de belangrijkste taak van de commissarissen. Ook de wapens en kledingstukken die ter vervanging werden voorgedragen werden door de commissarissen eerst gecontroleerd. De hele monstering was eigenlijk bedoeld als een controle op de militaire administratie.
Als opvolger van de commissarissen van de monstering werd begin 1815 het korps "Inspecteurs der Administratie" opgericht.
ARA II, Staatssecretarie inv.nr. 81, KB 20 februari 1815 nr. 20.
Het korps moest bestaan uit 1 inspecteur-generaal, 2 inspecteurs der administratie, één voor de noordelijke provinciën en één voor de zuidelijke provinciën en onder-inspecteurs der eerste en tweede klasse. Iedere inspecteur kreeg een adjunct ter assistentie.
De inhoud van de functies van de inspecteurs der administratie werd bepaald door het KB van 20 februari 1815 nr. 21. De inspecteur-generaal moest toezicht houden op de inspecteurs, de onder-inspecteurs, de adjuncten en de administrateurs van de korpsen. Hij zag erop toe dat de leveranciers hun contracten nakwamen, dat het leger behoorlijk gehuisvest was, dat militairen in hospitalen naar behoren gevoed en verzorgd werden en dat transportmiddelen slechts volgens de regels zouden worden gevorderd.
De inspecteur-generaal moest eenmaal per jaar alle korpsen van de armee monsteren. De inspecteurs moesten alle troepen in hun administratieve directies eens per drie maanden monsteren en de onder-inspecteurs moesten dat in hun provincies elke maand doen. De chefs der korpsen moesten hierbij monsterrollen inleveren welke nauwgezet moesten worden gecontroleerd door de inspecteurs. Deze zouden de monsterrollen, voorzien van een verslag, inleveren bij de bevoegde instanties. Deze bevoegde instanties waren de inspecteurs in het echelon boven hen en voor de inspecteur-generaal was dat het Departement van Oorlog. De inspecteurs moesten nauwkeurige staten van veranderingen bijhouden, omdat zij de fondsen moesten goedkeuren waarmee de troepen betaald werden.
Tot de taak van de inspecteurs behoorde ook de controle van de kazernering, op properheid en inrichting volgens de voorschriften. Ook de uitdelingen van 'vivres, fourages, brand en licht' vielen onder hun toezicht. Daarnaast moesten ze toezicht houden op de militaire hospitalen en gevangenissen.
Op 1 februari 1819 werd het korps inspecteurs weer opgeheven, omdat de controle van de administratie overgenomen werd door administratieve agenten van het departement van oorlog. Deze werden ingesteld bij de vaststelling van het "Provisioneel reglement op de administratie van de landmagt".
ARA II, Staatssecretarie inv.nr. 761, KB 1 februari 1819 litt. I5 en litt. N5.
Een klein deel van de taken van de voormalige inspecteurs van de administratie gingen daarnaast over op de territoriale commanderende generaals, nl. het toezicht op de kazernering, de huisvesting van marcherende troepen en de verzorging der transportmiddelen. Ook in dit provisionele reglement was het grootste deel gericht op betalingen van soldijen, tractementen, goederen en op de verantwoording en controle van de boeken en administratie. Pas aan het einde, in het zesde hoofddeel, derde afdeling, tweede paragraaf van het reglement kwam men op de monstering terug.
In artikel 344 werd bepaald hoe de monstering, volgens de eerder vermelde eerste categorie, plaats zou moeten vinden. Het ging hierbij dus om de inspecties zoals de inspecteur-generaals die voorheen uitgevoerd hadden. " De Koning bepaalt, op voordragt van het Departement van Oorlog, de tijden, waarop de jaarlijkse monsteringen, voor alle wapen-korpsen zullen geschieden, door Generaals of andere Hoofd-officieren, hiertoe bijzonder te benoemen. Deze Inspecteurs zullen, buiten en behalve alle bijzonderheden van den inwendigen dienst, ook de instructie, kleeding, manier van leven en bijzonderlijk de administratie der korpsen nagaan, zich van de regelmatigheid derzelve, en van de naakoming van dit reglement volkomen overtuigen,...".
Provisioneel reglement van administratie bij de landmagt, 's-Gravenhage/Amsterdam 1819, p. 150. Ook in: Algemeen Rijksarchief, Tweede Afdeling, Archieven van het Ministerie van Oorlog 1813-1913, inv. nr. 14559.
Hierna volgt in ruim twintig punten hoe de inspectie in detail uitgevoerd moest worden. Bij deze inspectie zou, indien nodig een agent van het departement assisteren.
Naast deze jaarlijkse inspectie moesten er ook driemaandelijkse inspecties plaatsvinden. Deze inspecties moesten worden uitgevoerd door de chefs van de korpsen. Na de inspecties moesten de verslagen door tussenkomst van de commanderende generaals, dat zijn de generaals commanderende in de zes grote militaire commando's, aan het Departement van Oorlog worden gezonden. De monsterrollen moesten naar de agenten van het departement worden gezonden. Deze inspecties waren dus meer in de zin van de tweede categorie, zoals eerder uitgevoerd door de inspecteurs van de administratie, dat is dus als de hierboven eerder vermelde inspecties die slechts controleerden of de administratie overeenkwam met de werkelijke staat der troepen.
Uiteindelijk bleek er nog een derde categorie inspecties te zijn, namelijk buitengewone inspecties. De koning moest hiervoor, op voordracht van het Departement van Oorlog, een besluit uitvaardigen waarin bepaald werd welke korpsen wanneer door wie geïnspecteerd moesten worden. Het Departement van Oorlog moest er dan nog een speciale instructie bijvoegen. Het was een dergelijke inspectie die, zoals hierboven al gemeld, op 25 april 1819 opgedragen werd aan de provinciale commandanten.
In december van het zelfde jaar werd er door het Departement van Oorlog nog een extra instructie uitgegeven met betrekking tot de driemaandelijkse monsteringen omdat hierover nog al wat verwarring heerste. Uitdrukkelijk werd hierin gesteld dat de driemaandelijkse monsteringen gelijk waren aan de monsteringen vroeger uitgevoerd door de voormalige inspecteurs van de administratie en dat de monsterrollen opgezonden dienden te worden aan de agenten van het departement. Deze instructie is nog voorzien van een groot aantal voorbeeld-formulieren die bij deze monsteringen zouden moeten worden ingevuld.
Recueil Militair, 1819 II, p. 175-202.
Hoewel nog steeds niemand specifiek de inspectie van het wapen der infanterie voor langere duur opgedragen had gekregen blijkt uit de algemene orders dat deze taak uitgevoerd werd door de luitenant-generaals commanderende de grote militaire commando's en de generaals van het wapen.
Recueil Militair, 1822, p. 193-202.
Deze algemene orders zijn verbeteringsvoorstellen naar aanleiding van de jaarlijkse inspecties.
Pas in 1826 werd de inspectie expliciet toegewezen: " Het onmiddellijk toezigt over de oefening, het onderwijs, de krijgstucht , de inwendige dienst, de kleding en wijze van leven, mitsgaders het houden der inspectiën over de korpsen, zal bij de onderscheiden wapenen worden opgedragen als volgt: Bij het wapen der Infanterie aan zes Generaals waarvan één in ieder Groot Militair Kommando en van welke twee met den rang van Luitenant-Generaal zullen kunnen zijn bekleed, en de overige Generaal-Majoors zijn, allen regtstreeks de bevelen ontvangende van het Departement van Oorlog".
ARA II, Staatssecretarie inv.nr. 2578, KB 24 september 1826 nr. 137.
Vier maanden later, in januari 1827, volgde de instructie voor de inspecties, waarbij er twee soorten inspecties zijn: 1) inspecties in het bijzonder gericht op het personeel, het onderwijs en de oefeningen, 2) inspecties volgens artikel 344 van het provisioneel reglement.
Recueil Militair, 1827, p. 16-58 p. 25, KB 24 januari 1827 nr. 53. Instructie voor de generaals in de groote militaire commando's en provinciën, mitsgaders die met de inspectiën der troepen belast.
Dit artikel 344 is hierboven op pagina 4 reeds besproken en geciteerd.
In september 1829 werd een Koninklijk Besluit uit juni 1828 ten uitvoer gebracht. Daarbij werd de infanterie verdeeld over vier divisies elk verdeeld in twee brigades. De inspecties moesten van toen af aan gedaan worden door de "generaals de divisies commanderende" en de onder hen vallende brigadecommandanten.
Recueil Militair, 1829, p. 136-144, KB 30 juni 1828 nr. 99.
De bijbehorende instructie van 28 december 1829 verwees direct naar de instructies van januari 1827. Op 3 maart 1830 werden de tijdstippen vastgelegd waarop de diverse inspecties moesten plaatsvinden. De brigadecommandanten moesten eenmaal in april en eenmaal in de herfst een inspectie houden over de korpsen van hun brigades, de generaals van de divisies moesten in juli alle korpsen van hun divisies inspecteren en verdeeld over twee jaar nogmaals alle korpsen in hun divisies. Verder kon het Departement van Oorlog, als het nodig mocht zijn, nog buitengewone inspecties opdragen.
Recueil Militair, 1830 I, p. 82-87, KB 3 maart 1830 nr. 152.
Na de Belgische opstand van 1830 werd het leger gereorganiseerd en volgde een nieuwe instructie voor de inspecties. In principe veranderde er weinig in vergelijking met eerdere instructies, alleen blijkt uit deze instructies dat de inspecties uitgevoerd door de divisie- en brigadecommandanten zoals bepaald in het hierboven besproken besluit van juni 1828, alleen plaatsvonden en bleven plaatsvinden bij het mobiele leger. Voor garnizoenstroepen was de inspectie anders geregeld: " De troepen van het wapen der infanterie, daaronder begrepen de schutterijen, in de vestingen gestationeerd, zullen door de opperbevelhebbers derzelve geïnspecteerd worden, even zoo als vroeger, door de generaals, in de groote kommando's het bevel voerende, geschiedde. De garnizoenen der forten, zullen in oogenschouw worden genomen, door de bevelhebbers der vestingen, waaronder die sterkten behoren. De troepen van het wapen der infanterie, daaronder begrepen de schutterijen, niet tot het leger te velde of tot de garnizoenen der vestingen behoorende, zullen geïnspecteerd worden door de generaals, kommanderende in de groote militaire kommando's, in welke die troepen zijn gestationeerd".
Recueil Militair, 1832 I, p. 95-127. "Pro memorie" van de directeur-generaal van oorlog De Eerens, 10 februari 1832 nr. 2.
Dat deze situatie niet de bedoeling was en haar oorzaak vond in de Belgische opstand blijkt uit twee besluiten genomen in 1839. In dat jaar probeerde men de infanterie zodanig te hervormen dat ze in overeenstemming zou komen met de toestand zoals die in het besluit van juni 1828 was bedoeld maar die door de Belgische opstand niet was verwezenlijkt. Ook de nieuwe instructie voor de divisie- en brigadegeneraals zoekt deze overeenstemming, maar dan met het besluit van december 1829, en dus met de instructies van januari 1827. " Overwegende, dat de omstandigheden in welke de korpsen infanterie en kavalarie van Ons leger, zich sedert 1830 hebben bevonden, de algehele instructie voor de generaals kommanderende de divisiën, en voor de brigade kommandanten dier wapenen, vastgesteld bij Ons besluit van de 28sten December 1829, nr.86, hebben belet, en wel voornamelijk uit hoofde, dat ten gevolge dier omstandigheden, niet alle onderdeelen der bedoelde korpsen, onder het onmiddellijke toezicht en de bevelen der gemelde autoriteiten, hebben kunnen blijven. Willende dienaangaande zoodra mogelijk, weder orde en gelijkvormigheid invoeren."
Recueil Militair, 1839, p. 50-59. Reorganisatie van de infanterie: KB 8 september 1839 nr. 4; Recueil Militair, 1839, p. 71-76. Instructie voor de divisie en brigade generaals: KB 25 oktober 1839 nr. 127.
1850-1940: de Inspecteur als chef van het wapen
Intussen vonden er binnen de infanterie, in 1841, 1843 en 1849, een aantal reorganisaties plaats, waarbij in 1843 het aantal der divisie- en brigadegeneraals werd verminderd. Deze reorganisaties vonden hun oorzaak in de bezuinigingen van die tijd. In 1850 vond nogmaals een reorganisatie plaats. Het gehele bestaande echelon tussen het Departement van Oorlog en de brigades, dat wil zeggen de gehele verdeling in divisies, werd vervangen door een inspecteur, die de rang van luitenant-generaal kon hebben. Daarmee was het wapen weer terug bij een eenhoofdige leiding.
Aan de inspecteur der infanterie werd een majoor der infanterie toegevoegd en zijn standplaats was 's-Gravenhage. Bovendien kreeg hij ook nog een adjudant tot zijn beschikking. Tot inspecteur werd provisioneel benoemd de luitenant-generaal A. Schuurman.
ARA II, Kabinet des Konings inv.nr. 642, KB 21 november 1850 nr. 70; ARA II, Kabinet des Konings inv.nr. 643. KB 28 november 1850 nr. 75.
Vanaf deze datum tot en met 1940 is er altijd een inspecteur van de infanterie geweest.
In februari 1851 kreeg de inspecteur van de infanterie zijn instructie. Deze opdracht verschilt inhoudelijk niet zoveel van die van zijn voorgangers, de divisie-generaals. De instructie bestaat uit de volgende 12 artikelen:
- De inspecteur staat onder direct bevel van de Minister van Oorlog.
- Hij houd zich bezig met de geschiktheid en wijze van leven van de officieren en verder personeel.
- Hij houd oog op de zaken die de bruikbaarheid van het korps bepalen zoals onderwijs, oefening, krijgstucht, inwendige dienst, kleding en wapens.
- Hij zorgt voor de strikte navolging van reglementen, voorschriften, bepalingen en hij herstelt fouten en afwijkingen.
- Hij zorgt dat jonge officieren het hun geleerde bijhouden en zich met de militaire wetenschappen bezig houden.
- Om het hierboven bepaalde te kunnen uitvoeren houdt hij op door de minister te bepalen tijdstippen inspecties.
- Na afloop van een inspectie stuurt hij een uitvoerig verslag voorzien van commentaar naar de minister.
- Hij wordt op inspecties vergezeld door de hem toegevoegde officier en als de inspectie zich meer op de administratie richt door een lid van de militaire administratie.
- Hij correspondeert met de commandanten van de brigades en korpsen over alle zaken die tot zijn functie behoren.
- De commandanten moeten hem alle informatie verschaffen die hij nodig acht.
- Hij doet voorstellen die volgens hem de bruikbaarheid van het wapen verhogen.
- Hij moet de minister vooraf verlof vragen zich van zijn standplaats te verwijderen.
Recueil Militair, 1851, p. 84-88.
In 1873 vond een grote reorganisatie plaats waarbij de gebreken werden verholpen die bij de mobilisatie, naar aanleiding van de Frans-Duitse oorlog van 1870, naar buiten waren gekomen. Hierbij kreeg, in maart, de inspecteur in vredestijd het Instructie-Bataillon en het Depot van Discipline onder zijn bevelen. In mei kreeg de inspecteur echter volgens zijn nieuwste instructies het Instructie-Bataillon, het Algemeen Depot van Discipline en als extra de Normaal Schietschool onder zijn bevelen zonder de bepaling dat dit alleen in vredestijd gold. Deze hernieuwde instructies verschilden behalve op dit punt weer weinig van voorgaande instructies.
Recueil Militair, 1873, p. 107-113, KB 26 maart 1873 nr. 25; Recueil Militair, 1873, p. 129-131, KB 28 mei 1873 nr. 26.
De samenstelling van de inspectie bleef dus bestaan uit één inspecteur, zijn adjudant en een toegevoegde majoor.
In november 1877 veranderde de positie van de inspecteur. Als gevolg van een reorganisatie op het Departement van Oorlog werd de inspecteur van de infanterie naast inspecteur ook chef van de afdeling infanterie, de derde afdeling van het departement. De adjudant en de toegevoegde van de inspecteur kwamen ook op het departement te zitten en werden niet meer adjudant en toegevoegde van de inspecteur genoemd maar kapitein en souschef. Voor de inspecteur volgde in april 1878 weer een inhoudelijk nauwelijks gewijzigde instructie.
Recueil Militair, 1877 II, p.250-264, KB 27 november 1877 nr. 1; Recueil Militair, 1874-1878 I, p. 831-832, KB 24 april 1878 nr. 18.
10 maart 1880 werd de reorganisatie op het departement echter weer ongedaan gemaakt zodat de inspecteur en zijn beide helpers weer buiten de organisatie van het departement kwamen te staan en zich weer ten volle aan hun oorspronkelijke taak konden wijden.
Weer volgden een aantal reorganisaties bij de infanterie met bijbehorende instructies. In de instructie voor de inspecteur van de infanterie van april 1880 staat, naast de bekende inspectie-instructie, dat nu de "divisiecommandanten", de "instructie-bataillons", de "Pupillenschool", de "Normaal Schietschool" en het "Depôt van Discipline" onder zijn bevelen vielen. Blijkens de instructie voor de divisiecommandanten gold dit, in ieder geval voor hen, echter alleen in vredestijd. Het toezicht op het militair onderwijs bij de infanterie was echter sinds 1878 toegewezen aan de Inspecteur van het Militair Onderwijs. Dit duurde tot 1886 waarna het toezicht aan de Inspecteur der Infanterie werd toegewezen. In 1891 werd de functie van Inspecteur van het Militair Onderwijs weer in ere hersteld waardoor het toezicht op het onderwijs weer bij hem kwam totdat deze functie in 1925 wederom werd opgeheven.
H.H. Jongbloed, Inventaris van de archieven van de Speciale commissie van Inspectie over het Militair Onderwijs, 1840-1866 en van de Inspecteur van het Militair Onderwijs, 1878-1913, 's-Gravenhage 1990, kodenr. toegang 2.13.62.02.
Ook voor lagere echelons zoals de divisiecommandanten was er een inspecterende taak weggelegd. Zij moesten de troepen onder hun bevel inspecteren en de verslagen daarvan kwamen via de inspecteur bij het Departement van Oorlog.
Recueil Militair, 1879-1881 I, p. 133-172, p.135 en p.149, KB 16 april 1880 nr. 16.
Weliswaar werd er in het leger en bij de infanterie nog aanzienlijk gereorganiseerd, onder andere in 1881, voor de inspectie had dat geen gevolgen. Alleen werd het bureau van de inspecteur vanaf 1890 met een gedetacheerde eerste-luitenant uitgebreid. De man die de reeks gedetacheerde eerste-luitenants opende was echter een kapitein. Op welke grond deze bij de inspecteur gedetacheerd werd is niet bekend.
Pas in mei 1902 kwam er weer verandering. In die maand vond er een reorganisatie plaats van het leger in vredestijd. De personeelsformatie van de inspecteur werd hierbij uitgebreid en ging van drie naar vijf. De aan de inspecteur toegevoegde majoor, welke sinds april 1880 ook een luitenant-kolonel mocht zijn, kreeg versterking van nog een majoor c.q. luitenant-kolonel en van een kapitein.
Recueil Militair, 1902, p. 707-727, KB 31 mei 1902 nr. 43.
In 1922 vond er opnieuw een grote reorganisatie van de krijgsmacht plaats. Dit was een gevolg van de nieuwe Dienstplichtwet van 4 februari 1922. Het wapen der infanterie was het eerst aan de beurt om te veranderen. Voor de inspecteur had dit tot gevolg dat hij de op zijn bureel gedetacheerde luitenant kwijt raakte en dat de aan hem toegevoegde militairen deels van een lagere rang moesten zijn dan voorheen. Bovendien ontstond naast zijn functie, die van Inspecteur van de Vrijwillige Landstorm. Deze staat echter zowel bij de infanterie als bij de artillerie als memoriepost bij de staven geboekt, dat wil zeggen dat hij wel in de staf van de wapens zitting had maar niet in de formatiesterkte van de staf meetelde. Ook deze inspecteur had vier officieren tot zijn beschikking.
ARA II, kabinet der Koningin inv.nr. 6719, KB 17 maart 1922 nr. 14; ARA II, Kabinet der Koningin inv.nr. 6721, KB 27 maart 1922 nr. 82.
In de "Staatsalmanakken" staan ze als een zelfstandig onderdeel, bij de "Naam- en ranglijst der Officieren" vallen ze echter onder de infanterie.
Voor de Inspecteur traden er sindsdien tot de capitulatie in mei 1940 geen veranderingen meer op. Weliswaar ondernam de Minister van Defensie in 1932 nog een poging hem weg te bezuinigen maar fel protest van de Chef van de Generale Staf en de Commandant van het Veldleger heeft dat voorkomen.
Algemeen Rijksarchief, Tweede Afdeling, Archief van het Hoofdkwartier van het Veldleger 1907-1942 inv. nr. 1012, dossier 862 G IV, brief van het Departement van Defensie 20 juli 1932 litt. U 90 en van de Commandant Veldleger 1 augustus 1932 nr. 868 G.
Na de capitulatie werd het Nederlandse leger ontbonden. Vanaf 25 juni 1940 werden de taken die bij de Inspecteur der Infanterie berustten, voortgezet door het Afwikkelingsbureau Inspecteur der Infanterie welke per 15 juli 1940 weer overgingen op het Regelingsbureau Inspecteur der Infanterie. Op die datum werd ook de laatste Inspecteur der Infanterie, Hackstroh, met pensioen gestuurd. Op 15 november 1940 werden ook de regelingsbureaux ontbonden en ging de resterende taak, in concreto het afwikkelen van schadevergoedingen, over op het territoriale afwikkelingsbureau 's-Gravenhage III.
Zie de ingekomen circulaires en brieven in inv.nr. 87, dossiers 11825 en 11846; inv.nr. 93 dossier 15323.
Inspecteurs van de Infanterie:
De jaartallen verwijzen naar de Naam- en ranglijst der officieren, waarin de persoon in de desbetreffende functie voor het eerst en voor het laatst wordt vermeld.
- Schuurman, A.; 1851 - 1852
- Verhorst, A.J.; 1853 - 1858
- Duijcker, H.F.K.; 1859 - 1866
- Happé, C.H.; 1867
- Engelbregt, J.H.; 1868 - 1872
- Mac Leod, N.; 1873 - 1878
- Willis, N. van; 1879 - 1884
- Pfeiffer, F.J.; 1885 - 1891
- Taets van Amerongen, J.N.A.; 1892
- Hennus, H.P.J.; 1893 - 1897
- Kesteren, C.O.; 1898 - 1902
- Snijders, W.G.F.; 1903 - 1905
- Campbell, J.M.; 1906 - 1909
- Roest van Limburg, A.E.; 1910 - 1911
- Bischoff van Heemskerck, W.F.K.; 1912 - 1913
- Buijze, P.D.; 1914 - 1917
- Ophorst, W.P.A.; 1918 - 1919
- Croockewit, H.; 1920
- Grinten, A.J.W. van der; 1921 - 1922
- Boellaard, W.H.C.; 1923
- Rijswijk de Jong, W.S.A.A.H.M.; 1924 - 1926
- Borel, J.H.; 1927 - 1930
- Hardenberg, J.H.; 1931 - 1932
- Reynders, I.H.; 1933 - 1934
- Iongh, H. de; waarnemend 1935
- Iongh, H. de; 1936
- Hackstroh, W.F.H.; 1937 - 1940
Inspectie van de vrijwillige landstorm
Idem.
- Bosch, J.L. ten; (insp.); 1923
- Wijnaendts, H.; 1923 - 1925
- Stuyvesant Meijen, J.J.J. van; 1923 - 1924
- Kraak, L.H.; 1923
- Fris, G.W.; (insp.); 1924 - 1926
- Schlingemann, A.L.; 1925 - 1930
- Froger, W.; 1926 - 1927
- Borel, J.H.; (waarn. insp.); 1927 - 1930
- Schotman, J.A.J.M.; 1928 - 1934
- Lohmeijer, A.J.J.M.; 1931 - 1934
- Iongh, H. de; (insp.); 1935 - 1940
- Dingemanse, P.; 1935
- Gerlach, W.; 1935