1 Een organisatiegeschiedenis van de Ie-IVe Divisie/Legerkorps, 1870-1914
Voor de taak en de omvang van het Veldleger tot 1885: W. Klinkert
Het vaderland verdedigd - Plannen en opvattingen over de verdediging van Nederland. 's-Gravenhage, 1992 XI.
De Vestingswet
18 april 1874, Staatsblad nr. 64.
was in zekere zin de uitkomst van een lange discussie van hoe in Nederland de defensie geregeld diende te worden. Als uitvloeisel van deze wet kwam er behoefte aan een nieuwe organisatie van het leger. De vestingen waren niet langer uitsluitend het centrale uitgangspunt bij de verdediging van Nederland.
Handhaving van de (gewapende) neutraliteit en afzijdigheid waren andere basisbegrippen in de buitenlandse politiek van Nederland. Hiertoe dienden de grenzen bewaakt te worden. Bij een onverhoopte aanval zou de verdediging zich concentreren.
De oorlog tussen Frankrijk en Pruisen was mede debet aan de Vestingwet en de legerhervormingen. Nederland mobiliseerde als voorzorgmaatregel zijn leger maar deze mobilisatie verliep erg traag. Bovendien leidde de keuze voor een verdediging door middel van vestingen ertoe dat de troepen gebonden waren aan deze vestingen; met moeite kon een veldleger op de voet worden gebracht.
Een nieuw verdedigingsconcept deed zijn intrede, dat een paradox in zich droeg: de verdediging van Nederland was slechts mogelijk op een deel van het grondgebied - vanaf 1922 staat dit gebied bekend als Vesting Holland - en gedurende een beperkte periode.
Gebaseerd op: W. Bevaart Nederlandse defensie - 1839-1874. Den Haag, 1993.
De keuze voor dit kerngebied werd ingegeven door het feit dat hier de commercieel belangrijke industrie gevestigd was.
De strategie die tot mei 1940 werd aangehouden was een mogelijke aanval vertragen totdat buitenlandse bondgenoten Nederland te hulp zouden schieten.
Vóór 1870 was er nog geen sprake van een in vredestijd vastgestelde oorlogsorganisatie van een regulier Veldleger. Ook bestond er geen opperbevel of divisieverbanden. Op 20 juli 1870 bepaalde koning Willem III dat een deel van het leger zou worden omgevormd tot een Veldleger, ook wel mobiel- of observatieleger genaamd. Het zou bestaan uit 3 divisies van 2 brigades en drie afzonderlijke brigades.
I.L. Uijterschout Beknopt overzicht van de belangrijkste gebeurtenissen uit de Nederlandsche krijgsgeschiedenis van 1568 tot heden. Kampen, 1933. 408-409.
Bij Koninklijk Besluit (voortaan: KB) van 26 maart 1873, nr. 25
Zie ook:
Recueil militair, bevattende de wetten, besluiten en orders betreffende de koninklijke Nederlandsche landmagt. (Voortaan: RM) Beknopte uitgave. 2e stuk. 1852-1873. 's-Gravenhage, 1880. 1323-1325.
werd het Veldleger ingedeeld in vier divisies infanterie. Elke divisie bestond uit twee brigades, een reserve-brigade infanterie, een reserve-brigade cavalerie en een reserve-brigade artillerie. De commandanten van de divisies stonden in vredestijd onder bevel van de minister van Oorlog. In oorlogstijd zouden zij onder de Opperbevelhebber van het Veldleger staan. De commandanten van de vier divisies waren tevens bevelhebber van één van de vier militaire afdelingen waarin Nederland was verdeeld (Zie verder paragraaf 1.6).
Bij KB van 16 april 1880
RM, 3e stuk. 1874-1881.'s-Gravenhage, 1882. 1774-1776.
werd de instructie van de commandant van de divisie herzien. Voortaan stond hij in vredestijd onder bevel van de Inspecteur der Infanterie, in oorlogstijd onder de "Bevelhebber van het leger". De commandant van een divisie was verantwoordelijk voor de
"strijdvaardigheid der onder zijne bevelen gestelde troepen".
Hij diende deze strijdvaardigheid te bevorderen door middel van oefeningen. Verder besliste hij over aanvragen van verlof, overplaatsingen, beloningen en medailles, ontslag et cetera.
Op 1 april 1881
Koninklijk Besluit (voortaan: KB) van 14 februari 1881, nr. 7 (RM, beknopte uitgave, 3e stuk 1874-1881. 's-Gravenhage, 1882. 1977-1984.)
vormde het regiment grenadiers en jagers en de overige acht regimenten infanterie voortaan drie divisies infanterie.
De Ie divisie bestond uit het regiment grenadiers en jagers en het 4e en 7e regiment infanterie. Het hoofdkwartier van deze divisie was gevestigd te 's-Gravenhage.
De IIe divisie bestond uit het 1e, 5e en 8e regiment infanterie, het hoofdkwartier was gevestigd in Arnhem.
In Breda was het hoofkwartier van de IIIe divisie gevestigd. Deze divisie was samengesteld uit het 2e, 3e en 6e regiment infanterie.
Volgens
Het Nederlandsche leger op voet van oorlog ('s-Gravenhage, 1894) zou tijdens mobilisatie het leger uit drie divisies bestaan. Een divisie op voet van oorlog was volgens genoemd boekwerk opgebouwd uit de volgende delen:
- een staf
- 3 regimenten infanterie, elk à 4 bataljons
- 1 regiment huzaren, à 5 veldeskadrons
- 1 regiment veldartillerie
- 1 veldcompagnie van het korps Genietroepen
Bij KB van 30 maart 1905, nr. 40
RM 1905, 368-401
werd de vredesorganisatie van de infanterie gewijzigd. Het aantal divisies werd uitgebreid van drie naar, wederom, vier. De samenstelling was als volgt:
| Ie divisie |
regiment grenadiers en jagers 4e en 10 regiment infanterie |
| IIe divisie |
7e, 8e en 11 regiment infanterie |
| IIIe divisie |
2e, 3e en 6e regiment infanterie |
| IVe divisie |
1e, 5e en 9e regiment infanterie |
Bij KB van 7 november 1907, nr. 21
RM 1907, 948-953
werd ondermeer de instructie van de divisiecommandanten in tijd van vrede vastgesteld. Deze stonden rechtstreeks onder bevel van de Commandant van het Veldleger.
Bij KB van 22 november 1907, nr. 61 werd de vredesorganisatie van het Veldleger bepaald.
RM 1907, 933.
Volgens genoemd besluit zou het Veldleger in vredestijd bestaan uit het Hoofdkwartier, vier divisies, het korps rijdende artillerie en het eskadron ordonnansen. Een divisie zou bestaan uit een staf, drie regimenten infanterie, een regiment cavalerie en een regiment veld-artillerie.
In 1910 werden de divisies uitgebreid met een compagnie wielrijders en een mitrailleurafdeling.
Bij ministeriële beschikking van 25 april 1910, nr. 167. RM 1910, 591-592
Bij KB van 28 maart 1913, nr. 38 en 39
RM, 's-Gravenhage, 1913. 238-244
werd een nieuwe legerorganisatie verordonneerd. Om vlot van de vredes- naar de oorlogsorganisatie te kunnen overschakelen waren in vredestijd constant sterke kernen aanwezig. De infanterie bestond uit 12 brigades.
Honderdvijftig jaar Generale Staf. 's-Gravenhage, 1964. 92
Tijdens de mobilisatie van 1914-1919 bezat het veldleger een sterkte van 95.000 man. Een divisie bestond uit 23.000 man.
Het Hoofdkwartier van het Veldleger (voortaan: HKV) was tijdens de mobilisatie van de Eerste Wereldoorlog opgebouwd uit 9 secties, te weten Generale Staf (sectie I), Intendance (sectie II), Geneeskundige Dienst (sectie IIIa), Veterinaire Dienst (sectie IIIb), Artillerie (sectie IV), Genie (sectie V), Rechtspleging (sectie VI), Mandaatering (sectie VII) en Betaalmeester (sectie VIII).
Daarnaast behoorden tot het HKV de telegraafafdeling, de pontonafdeling, het detachement luchtvaartafdeling, het autostation voor draadloze telegrafie en de veldpostafdeling.
De stafkwartieren van de vier divisies bestonden uit 5 secties, namelijk de Generale Staf (sectie I), de Intendance (sectie II) de Geneeskundige Dienst (sectie IIIa) de Veterinaire Dienst (sectie IIIb) en Artillerie (sectie IV).
Eind 1917, begin 1918 werd overwogen het Veldleger te reorganiseren. Er werden twee alternatieven ontwikkeld, namelijk 8, dan wel 12 divisies vormen. Deze zouden twee-aan-twee dan wel drie-aan-drie samengevoegd worden tot vier divisiegroepen.
Het kwam echter niet verder dan voorbereidende maatregelen. Vanwege de demobilisatie werd de voorgenomen reorganisatie afgeblazen.
Met ingang van 10 maart 1922 werd de vredessamenstelling van de staf van een divisie en de verdeling van de brigades en regimenten infanterie over de divisies opnieuw vastgesteld.
Op grond van het KB van 11 februari 1922, nr. 36. Bij ministeriële beschikking van 15 februari 1922, nr. 190.
(Legerorders bevattende de wetten, besluiten, ministerieele beschikkingen, kennisgevingen en mededeelingen van belang voor de koninklijke Nederlandsche landmacht (voortaan: Legerorders) 1922, nr. 62.)
De indeling van regimenten bij divisies van 1873 tot 1913
H. Ringoir Afstammingen en voortzettingen der infanterie. 's-Gravenhage, 1977. 132.
RGJ = Regiment Grenadiers en Jagers
RI = Regiment Infanterie
Ie divisie
| 1873 |
3 RI |
6 RI |
|
|
| 1881 |
RGJ |
4 RI |
7 RI |
|
| 1904 |
RGJ |
4 RI |
7 RI |
10 RI |
| 1905 |
RGJ |
4 RI |
|
10 RI |
IIe divisie
| 1873 |
4 RI |
7 RI |
|
|
| 1881 |
1 RI |
5 RI |
8 RI |
|
| 1904 |
1 RI |
5 RI |
8 RI |
11 RI |
| 1905 |
1 RI |
|
8 RI |
11 RI |
IIIe divisie
| 1873 |
2 RI |
5 RI |
|
|
| 1881 |
2 RI |
3 RI |
6 RI |
|
| 1904 |
2 RI |
3 RI |
6 RI |
9 RI |
| 1905 |
2 RI |
3 RI |
6 RI |
|
IVe divisie
| 1873 |
1 RI |
8 RI |
|
|
| 1881 |
--- |
|
|
|
| 1904 |
|
|
|
|
| 1905 |
7 RI |
5 RI |
9 RI |
|
Samenstelling van de Landmacht op voet van vrede
Samenstelling van de Landmacht op voet van vrede. Breda, 1922.
Onderdelen van het wapen der infanterie en der artillerie tot de divisiën behorende
| Ie divisie |
I Infanteriebrigade (Brigade Grenadiers en Jagers) |
|
- Regiment Grenadiers |
|
- Regiment Jagers |
|
- 15 Regiment infanterie |
|
|
|
II Infanteriebrigade |
|
- 4 Regiment infanterie |
|
- 10 Regiment infanterie |
|
- 22 Regiment infanterie |
|
|
|
1 Stormschool (in Vredesorganisatiën 1930 vervallen) |
|
|
|
1 Artilleriebrigade |
|
|
| IIe divisie |
III Infanteriebrigade |
|
- 1 Regiment infanterie |
|
- 9 Regiment infanterie |
|
- 12 Regiment infanterie |
|
|
|
IV Infanteriebrigade |
|
- 8 Regiment infanterie |
|
- 11 Regiment infanterie |
|
- 19 Regiment infanterie |
|
|
|
II Artilleriebrigade |
|
|
|
Korps rijdende artillerie (in Vredesorganisatiën 1930 vervallen) |
|
|
| IIIe divisie |
V Infanteriebrigade |
|
- 2 Regiment infanterie |
|
- 13 Regiment infanterie |
|
- 17 Regiment infanterie |
|
|
|
VI Infanteriebrigade |
|
- 3 Regiment infanterie |
|
- 6 Regiment infanterie |
|
- 14 Regiment infanterie |
|
|
|
III Artilleriebrigade |
|
|
|
Het bataljon wielrijders (in Vredesorganisatiën 1930 vervallen) |
|
|
| IVe divisie |
VII Infanteriebrigade |
|
- 7 Regiment infanterie |
|
- 18 Regiment infanterie |
|
- 20 Regiment infanterie |
|
|
|
VIII Infanteriebrigade |
|
- 5 Regiment infanterie |
|
- 16 Regiment infanterie |
|
- 21 Regiment infanterie |
|
|
|
IV Artilleriebrigade |
|
|
|
Stormschool (in Vredesorganisatiën 1930 vervallen) |
Bij KB van 19 mei 1939, nr. 63 werd - ondermeer - wederom de vredesorganisatie van het veldleger, van hoofdkwartier en de staven van de legerkorpsen en divisies gewijzigd.
Het Veldleger bestond uit het HKV te 's-Gravenhage, vier legerkorpsen, de lichte divisie, het regiment kustartillerie, de artilleriemeetafdeling, de brigade genietroepen (met uitzondering van 3 regiment genietroepen en van de SR der genie) en het korps pontonniers en torpedisten.
Bij ministeriële beschikking van 24 augustus 1939, nr. 13
Legerorders 1939, nr. 342 O
werd voortaan van legerkorpsen in plaats van divisiegroepen gesproken. Een legerkorps was volgens het boekwerk Vredesorganisatiën 1939 opgebouwd uit de staf, twee divisies en een regiment motorartillerie.
Een divisie bestond uit een staf, drie regimenten infanterie en een regiment veldartillerie.
Legerorders 1939, nr. 227.
4. Reorganisatiecommissie, 1931-1932
"Ten einde" (...) de minister van defensie (...) van voorlichting te dienen nopens mogelijke versobering in de vredessamenstelling van de onderdelen der infanterie- en artilleriebrigades" werd bij ministeriele beschikking van 23 juli 1931, Z 82 de reorganisatiecommissie ingesteld.
Legerorders 1932, nr. 277.
Er werd een werkcommissie en een uitvoerende commissie gevormd. De werkcommissie bestond uit kolonel S.G.N. Nauta Pieter in de rol van voorzitter, luitenant-kolonel H. de Iongh en kapitein H.H. Thoden van Velzen. Deze werkcommissie kwam met plannen en voorstellen welke in de uitvoerende commissie werden besproken. Suggesties vanuit de uitvoerende commissie werden vervolgens door de werkcommissie verwerkt. Hierop werd een en ander aan luitenant-generaal Seyffard voorgelegd om vervolgens wederom door de uitvoerende commissie te worden behandeld. Vervolgens werd het aldus geamandeerde plan besproken met de Commandant Veldleger. Eventuele op- en aanmerkingen werd nogmaals besproken in de voltallige commissie (de uitvoerende commissie inclusief voorzitter Seyffard), voorgestelde wijzigingen werden aangebracht door de werkcommissie en uiteindelijk kon het definitieve plan worden voorgelegd aan de minister van defensie.
Nauta Pieter werd, op voorstel van voorzitter Seyffardt, pas bij beschikking van 17 September 1931, K 106 als lid aan de commissie toegevoegd.
De eerste vergadering werd gehouden op 20 oktober 1931.
Uiteindelijk kon de commissie niet tot een eenduidig standpunt en advies aan de minister komen.
De commissie werd onder dankzegging voor bewezen diensten ontbonden bij ministeriële beschikking van 10 oktober 1932, nr. 19.