Verantwoording van de bewerking
In 1949/1950 werd het archief grootscheeps herordend. De verantwoordelijke persoon vervulde een functie als secretaris van de Centrale Ereraad en was tevens plaatsvervangend chef van de Afdeling Kabinet van het ministerie die verantwoordelijk was voor de kunstzuivering; de archieven van het uitvoerend orgaan, de Centrale Ereraad, en het verantwoordelijk orgaan, het ministerie, raakten door deze omstandigheid verward. In de jaren zestig werden de archieven geïnventariseerd door een medewerker van de Centrale Archiefbewaarplaats van het ministerie. Daarna ging een deel van deze archieven in 1968 door brand verloren. Deze vier factoren maakten een herinventarisatie noodzakelijk.
Bij de archiefordening was met het bestemmingsbeginsel geen rekening gehouden. De archieven van het M.G. (zowel van de Chef Staf als van de Provinciale en Plaatselijke Militaire Commissarissen), van de ereraden, de Centrale Ereraad en van de Afdeling Kabinet van het Ministerie van O.,K. en W. waren sterk vermengd geraakt. Bij de inventarisatie van de jaren zestig is deze toestand ongewijzigd gebleven. Bij de herinventarisatie werd getracht de oorspronkelijke plaats zoveel mogelijk aan de stukken terug te geven; in een aantal gevallen was deze niet meer te achterhalen. Met name de M.G.en de Kabinetsstukken werden van de andere archieven afgescheiden. Niet afgescheiden werden de retroacta die geïncorporeerd waren in de dossiers die dienden bij de behandeling van de zaken door de ereraden. Deze retroacta, deels in originali, deels in afschrift, zijn afkomstig uit ondermeer de archieven van de kunstenaars zelf, de Kultuurkamer en het Departement voor Volkvoorlichting en Kunsten; het laatste archiefmateriaal werd verzameld door de Adviescommissies voor het Zuiden en het Noorden en na opheffing aan het Bureau der Verenigde Eereraden voor de Kunstenaars overgedragen.
Stukken betreffende hoger beroepszaken, die door de Centrale Ereraad behandeld werden, kwamen zodoende in de archieven van de ereraden terecht. Ook de persoonsdossiers van de kunstenaars die nooit voor de ereraden waren geweest, maar door de Centrale Ereraad in eerste instantie waren behandeld, kwamen terecht in de archieven van de ereraden. Deze orde werd bij de herinventarisatie verlaten, het bestemmingsbeginsel is duidelijker uitgangspunt geworden. Echter, de stukken die zijn ontvangen of opgemaakt bij de eerste behandeling van zaken door de ereraden betreffende in beroep gegane kunstenaars, zijn geplaatst in het archief van de Centrale Ereraad. Dit is gedaan ter bevordering van de toegankelijkheid, terwijl het bovendien niet altijd mogelijk was de ereraads- en Centrale Ereraadsstukken van elkaar te scheiden. Bij de dossiers inzake de zuivering van individuele kunstenaars door de Centrale Ereraad is aangegeven welke ereraad de zaak in eerste instantie heeft behandeld; waar dit niet vermeld is, behandelde de Centrale Ereraad deze zaken in eerste aanleg.
Door de onvolledigheid van de archieven waren de leden niet voor alle ereraden te achterhalen. Alleen de lijst van de leden van de centrale ereraad is volledig. Hierbij konden ook de data van benoeming en ontslag worden vermeld; waar laatstgenoemde data niet afzonderlijk zijn opgegeven, geldt 9 januari 1952.
Dubbelen en stukken van eenvoudige aard werden vernietigd. De omvang van de archieven bedraagt na inventarisatie 1.250 m.