De geschiedenis van de kunstzuivering
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd al gedacht aan de berechting van diegenen die geheel of gedeeltelijk 'fout' waren geweest. In 1944 werd door de regering een besluit afgekondigd dat de zuivering van ambtenaren regelde. De beoefenaars van vrije beroepen zoals de kunstenaars, vielen daar buiten. Het Militair Gezag (M.G.) begon zich na de bevrijding van het Zuiden met het optreden van niet-zuivere kunstenaars bezig te houden. Nadat ook het Noorden bevrijd was, werden landelijke richtlijnen uitgevaardigd door de Chef Staf M.G.
Op 6 februari 1945 werd een landelijke sectie XIV van het M.G. opgericht, belast met zaken betreffende onderwijs, kunsten en wetenschappen. De subsectie Kunst werd onder andere de taak der kunstzuivering opgedragen. Prof. dr. N.A. Donkersloot nam op 1 juni 1945 de leiding van deze sectie over van L.P.J. Braat. Donkersloot had zich al eerder in de kunstzuivering verdiept in zijn functie bij het Provinciaal Militair Commissariaat voor Noord-Holland en bij de Nederlandse Federatie van Beroepsverenigingen van kunstenaars.
Na de bevrijding van Noord-Nederland werd door het College van Vertrouwensmannen een zogenaamde kunstpauze afgekondigd: kunstenaars mochten zonder toestemming van de Militaire Commissarissen hun beroep niet uitoefenen. Deze kunstpauze werd op 10 juni 1945 opgeheven. Daarna moesten kunstenaars in het bezit zijn van voorlopige vergunningen tot optreden. Deze vergunningen werden afgegeven door Militaire Commissarissen die bij de beoordeling van de aanvragen werden geadviseerd door speciaal ingestelde, plaatselijke commissies. Dit vergunningenstelsel werd, in verband met de aanstaande liquidatie van het M.G. in januari 1946, vervallen verklaard op 15 oktober 1945.
Naast de plaatselijke adviescommissies bestond er een landelijke adviescommissie voor de kunstzuivering. Deze ontstond door fusering van de commissie voor het Zuiden en die voor het Noorden. Naast het adviseren van de Chef Staf M.G. verzamelde de commissie documentatiemateriaal ten behoeve van de kunstzuivering door de in te stellen ereraden voor de kunst.
De ereraden voor de kunstenaarsberoepen werden ingesteld op 15 juni 1945. Er waren aanvankelijk vijf ereraden: voor architectuur, beeldende kunsten, letterkunde, muziek en voor toneel; aan de laatste werden twee leden toegevoegd voor de zuivering van dans- en filmkunstenaars. Later werd een zesde ereraad ingesteld die de houding van amusements- en kleinkunstenaars moest beoordelen. In juni 1945 gaven de ereraden gezamenlijk een verklaring uit. Het lidmaatschap van de Kultuurkamer alleen werd niet voldoende geacht om iemand als niet-zuiver te veroordelen. Profiteren of propageren van maatregelen en instellingen van de bezetter moest wel veroordeeld worden. In deze verklaring werd een algemene maatregel afgekondigd tegen hen die zich aan dit laatste hadden schuldig gemaakt; namen werden niet genoemd. De raden werkten bij de beoordeling van de afzonderlijke personen volgens 'richtlijnen omtrent doel, samenstelling en werkwijze' zoals die door het M.G. voor de ereraden waren opgesteld. Zaken werden in behandeling genomen op verzoek van de belanghebbende kunstenaars zelf.
De uitspraken van de ereraden hadden niet de door hen verwachte uitwerking op de houding van publiek, kunstenaars en overheid. Sommige kunstenaars die door de ereraden waren uitgesloten van beroeps uitoefening, bleven gewoon optreden; burgemeesters traden alleen op wanneer ordeverstoringen dreigden.
Om aan de uitspraken sancties te verbinden werd door het Departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, waaronder de ereraden na de opheffing van de staat van beleg ressorteerden, een Koninklijk Besluit voorbereid. De Raad van State adviseerde in november 1945 dit besluit niet af te kondigen: de Staten Generaal waren inmiddels weer bijeengekomen en de kunstzuivering zou bij wet in plaats van bij K.B. geregeld dienen te worden. Op 5 april 1946 werd de Wet zuivering kunstenaars afgekondigd. Naast de regeling van de ten uitvoerlegging van de uitspraken, werd in de wet de mogelijkheid tot beroep tegen uitspraken vastgelegd. Ten behoeve van dit laatste werd de Centrale Ereraad voor de Kunst in het leven geroepen. Alleen juristen konden deel uitmaken van de Centrale Ereraad.
Nadere regels over de uitvoering van de Wet zuivering kunstenaars werden gegeven in ministeriële beschikkingen van 25 april 1946.
Verzet tegen de zuivering van kunstenaars kwam vooral van de 'Actie rechtsherstel der Nederlandse kunstenaars'. Deze maakte bezwaren tegen het gebrek aan het juridische gehalte van de M.G.-richtlijnen. De Actie Rechtsherstel achtte de uitspraken tegen kunstenaars in veel gevallen onrechtvaardig zwaar. Anderen vonden daarentegen dat de ereraden in sommige gevallen veel te mild oordeelden. Bij een uitvoering van de Amsterdamse Opera gaf het publiek uiting aan zijn ontstemming over de houding van dit gezelschap in oorlogstijd. Naar aanleiding van deze ongeregeldheden werd een zevende ereraad ingesteld: de Ereraad voor solisten van de afdeling Opera van het Gemeentelijk Theater-bedrijf te Amsterdam.
Na de instelling van de Centrale Ereraad werd door een paar honderd kunstenaars beroep aangetekend tegen de uitspraken van de ereraden. Er werd ook in beroep gegaan tegen de algemene uitspraak van de Verenigde Eereraden uit juni 1945. De Centrale Ereraad maakte bij revisie gebruik van de door de ereraden verzamelde informatie. Ze ging echter ook vaak zelf over tot verhoor en onderzoek. Meestal kwam de Centrale Ereraad tot een mildere strafoplegging dan die van de ereraden. Dit leidde tot een conflict met de nog in functie zijnde ereraden, die zich door herziening van hun uitspraken gedesavoueerd voelden. Zij beschouwden hun werk niet langer zinvol en boden bijna alle eind 1946 hun ontslag aan bij de minister. Deze verleende dat pas per 1 januari 1948. Na hun ontslagaanvragen namen de ereraden geen zaken meer in behandeling; de meeste waren toen ook al afgedaan. De Centrale Ereraad had alle beroepszaken in maart 1948 afgehandeld. Omdat in een nieuwe wet nieuwe taken aan haar zouden worden opgedragen, werd zij niet van haar taak ontheven. Bij wet van 2 juni 1949 kreeg de Centrale Ereraad de bevoegdheid zaken in de eerste aanleg te behandelen. Verder werd bepaald, dat leden van de voormalige ereraden in de Centrale Ereraad zitting moesten nemen; de eis dat de leden van de Centrale Ereraad juristen moesten zijn, kwam hiermee te vervallen. In januari 1951 werd de laatste zaak door de ereraad afgesloten. Een aantal zaken werd geseponeerd. De leden werd per 9 januari 1952 ontslag verleend.
De organisatie van de ereraden en de centrale ereraad voor de kunst
Bij de instelling van de ereraden werd door de Chef Staf M.G. een algemeen voorzitter benoemd. Deze woonde, net als de adviseur voor kunstzaken van het M.G., Donkersloot, de vergaderingen van alle ereraden bij. Aan elk der ereraden werd een secretaris toegevoegd. Na enige tijd werd besloten voor elk ereraad een eigen voorzitter te benoemen; deze moest jurist zijn.
Ten behoeve van alle ereraden functioneerde er een bureau der Vereenigde Eereraden voor Kunststenaarsberoepen, ook wel genoemd Bureau Zuivering Kunstenaars en later, na de opheffing van de ereraden, bureau Centrale Ereraad. Dit bureau was onderdeel van het M.G., maar werd na opheffing daarvan, toegevoegd aan het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Het bureau handelde eenvoudige zaken af; het merendeel van de stukken werd ter afdoening doorgezonden naar de verschillende ereraden of Donkersloot.
De zaken werden door de raden in hun vergadering behandeld. Er werden anders dan bij de later ingestelde Centrale Ereraad - geen afzonderlijke zittingen per kunstenaar gehouden. Informatie ontleenden zij aan particulieren, kunstenaarsverenigingen en voor een belangrijk deel aan de archieven van Duitse instellingen, zoals de Kultuurkamer. Verhoren van de aangeklaagden vonden lang niet in alle gevallen plaats.
De Centrale Ereraad werkte anders. Dit kwam mede door de afkondiging van de Wet zuivering kunstenaars en de ministeriële beschikkingen die eisen stelden aan de procedure. Alle leden van de raad waren bovendien jurist. Het verhoren van de kunstenaars werd nu algemeen gebruik. Voor alle kunstenaars werden afzonderlijke zittingen gehouden (voor één zaak meestal meer dan één). Hiervan werden processen-verbaal opgemaakt. Meer dan voorheen werden de uitspraken gemotiveerd. De hogere eisen die aan de bewijslast en de procedure werden gesteld, resulteerden in de meeste gevallen in een mildere strafoplegging dan die van de ereraden.
De Centrale Ereraad kende drie kamers waar recht werd gesproken. Het vierde rechtscollege vormde de zogenaamde voorzitterskamer. Deze kamer bestond uit de drie voorzitters van de drie kamers en behandelde de ernstigste zaken. De raad had met het oog op het aantal kamers, en vanwege het feit dat zowel in Amsterdam als in Den Haag recht gesproken werd, een aantal secretarissen. Het algemeen secretariaat werd ondergebracht bij de Afdeling Kabinet van het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen.