Voorgeschiedenis
De benarde omstandigheden waarin de arbeidersklasse, door Domela Nieuwenhuis als "blanke slaven"
Diepenhorst, De Nederlandse arbeidswetgeving, deel l, biz. 154 zie ook: Domela Nieuwenhuis, F. Een vergeten hoofdstuk, Blanke slaven, Amsterdam, 1898.
aangeduid, zich in 1893 bevond, toen de afdeling Arbeid (en Fabriekswezen) met haar werk begon, waren het gevolg van de slechte economische omstandigheden in Nederland bij het verkrijgen van de onafhankelijkheid in 1813. De welvaart, welke handel en scheepvaart hadden gebracht, was grotendeels verloren gegaan en de industrie, in tegenstelling tot de ons omringende landen zoals Engeland, was hier nog nauwelijks ontwikkeld.
Om de achterstand van ongeveer 50 jaar in te lopen werd er tegen scherp concurrerende prijzen geproduceerd. Zo moest de arbeidersklasse (mannen, vrouwen, jonge kinderen) slechte arbeidsomstandigheden, lage lonen en zeer lange werktijden als haast vanzelfsprekend accepteren. Van enige bescherming kon geen sprake zijn omdat bemoeienis van staatswege met het vrije ondernemerschap niet werd getolereerd.
Toch begon in de samenleving voorzichtig het besef te groeien, dat voor de overheid op dit gebied wel degelijk een taak was weggelegd.
De opdracht in 1841 aan de gouverneurs van de provincies om een onderzoek in te stellen naar de kinderarbeid in fabrieken en de prijsvragen welke de Maatschappij voor bevordering van handel en nijverheid in 1849 en 1853 uitschreef voor een beschouwing over de nadelen en noodzakelijke beperking van kinderarbeid, leidden niet tot een aanzet om te komen tot wettelijke maatregelen van de kant van de regering. Een advies, gebaseerd op buitenlandse verordeningen inzake kinderarbeid, opgesteld in 1860 voor de Minister van Binnenlandse Zaken door de Ingenieur van het Stoomwezen, werd terzijde gelegd en de suggestie van de Staatscommissie, ingesteld naar aanleiding van een adres aan Koning Willem III in 1863 om kinderarbeid wettelijk te regelen in samenhang met invoering van de leerplicht, werd evenmin ter harte genomen.
De visie van de overheid op deze materie wordt misschien het duidelijkst uitgedrukt in de woorden van minister Thorbecke dat "vroege jeugd bij fabrieksarbeiders uitzondering is en schandelijke exploitatie van het jonge kind, zoals in andere industrielanden, in Nederland niet bestaat"
Diepenhorst, De Nederlandse arbeidswetgeving, deel l biz. 140.
.
De eerste wettelijke maatregel ter bescherming van de arbeider, in dit geval van de allerjongste, kwam tot stand bij de wet van 19 september 1874, S. 130, tot het tegengaan van overmatige arbeid en verwaarlozing van kinderen. Deze wet, welke geen recht deed aan het initiatief-voorstel van het liberale Kamerlid Mr. S. van Houten, kende gebreken: voor huiselijke en persoonlijke diensten was het verbod van arbeid voor kinderen beneden de leeftijd van 12 jaar niet van toepassing, en het toezicht op de naleving van de bepalingen was niet geregeld.
Het initiatief van - alweer - een Kamerlid, te weten Mr. Goeman Borgesius, om een parlementaire enquête te doen instellen naar de werking van deze wet, de eventuele noodzaak tot aanvulling en uitbreiding ervan en een onderzoek naar de toestand van de fabrieken en werkplaatsen op het gebied van veiligheid, gezondheid en welzijn, kan ook gezien worden als een aanzet om de wettelijke bescherming van de arbeiders een bredere basis te geven.
In het in 1887 uitgebrachte verslag van deze enquête waren talloze voorbeelden van grenzeloze uitbuiting aanwezig. Werktijden van 7 uur 's ochtends tot 6 uur 's avonds met daarna overwerk tot 9 uur, jongens die in ketels moesten gaan zitten om er de te klinken nagels tegen te houden en vrouwen die enkele dagen na de geboorte van hun baby weer aan het werk moesten in werkplaatsen met niet-afgesloten toilet-afvoerbuizen geven een idee van het leven op de toenmalige werkvloer.
Belangrijk is dat de overheid nu ging inzien dat tot handelen moest worden overgegaan. Daarnaast was door groeiend politiek zelfbewustzijn de arbeidersklasse zich gaan organiseren (Sociaal-Democratische Bond en Sociaal-Democratische Arbeiderspartij), waren pressiemiddelen als acties en stakingen een wapen geworden en had ook de Rooms-Katholieke Kerk de zijde van de arbeidende klasse gekozen. Paus Leo XIII had hiervan doen blijken met zijn encycliek van 11 mei 1891, Rerum Novarum (van nieuwe dingen) geheten. Deze ontwikkelingen droegen ertoe bij dat de tijd rijp was voor de voorbereiding en totstandkoming van wetgeving tot het tegengaan van overmatige arbeid.
Organisatie en institutionele geschiedenis
De overbrenging van de sociale of arbeidwetgeving van het Ministerie van Justitie naar het Ministerie van Waterstaat, Handel en Nijverheid had plaats als gevolg van het Koninklijk besluit van 29 november 1892, S.257, waarbij de zorg voor de uitvoering van de Arbeidswet 1889 en de daaruit voortvloeiende besluiten in handen werd gelegd van het laatstgenoemde ministerie.
In de organisatiebeschikking van het Ministerie van 13 februari 1893, no. 107, Secr. B werd de afdeling Arbeid en Fabriekswezen belast met de als volgt omschreven taak:
"Uitvoering der wetten betrekkelijk het toezicht bij het oprichten van inrichtingen welke gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken; tot regeling van het toezicht op het gebruik van stoomtoestellen; tot het tegengaan van overmatigen en gevaarlijken arbeid van jeugdige personen en van vrouwen. Maatregelen tot beveiliging van personen, die in fabrieken of werkplaatsen arbeid verrichten, tegen ziekte of ongevallen. Statistiek van de philantropische spaaren leenbanken over 1892 en volgende jaren".
Bij Koninklijk besluit van 26 augustus 1901, S.206, verhuisde de taak van de afdeling per 1 september van dat jaar naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Een organisatiebeschikking die de nadere regeling ervan bevat, is niet aangetroffen.
De naamsverandering van Arbeid en Fabriekswezen in Arbeid was het gevolg van een politieke ingreep. Geregeld werd dat in 1901 de Arbeidswet c.a. naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken zou gaan, in ruil voor Landbouw (Kabinet Kuyper). De Hinderwet en Stoomwet bleven bij het Ministerie van Waterstaat, Handel en Nijverheid en gingen daar naar de afdeling Handel en Nijverheid. Na de oprichting van het Ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel (september 1905) vonden enige reorganisaties plaats, onder andere de splitsing van de afdeling Handel en Nijverheid in afzonderlijke afdelingen (per 1.11.1906). De Hinderwet en Stoomwet kwamen weer bij de afdeling Arbeid, die de titel "en Fabriekswezen" niet terugkreeg, voornamelijk wegens mogelijke verwarring met de naam van de afdeling Nijverheid
Mededeling H.A.J. van Schie, Algemeen Rijksarchief, Tweede Afdeling
. Van het bovenstaande werd niets in een Koninklijk besluit of ministeriële beschikking teruggevonden. In het Kabinetsarchief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken werd alleen een minuut aangetroffen van de wet en memorie van toelichting van 3 februari 1902.S.14. houdende wettelijke voorziening naar aanleiding van het Koninklijk besluit van 26 augustus 1901, S.206, waarop de woorden "en Fabriekswezen" met een pennestreek zijn doorgehaald.
In de staatsalmanak wordt als taak van de "nieuwe" afdeling per 1 september 1901 vermeld:
"Uitvoering Arbeidswet 1889, Veiligheidswet 1895, Phosphorluciferswet 1901, Wet op de Kamers van Arbeid 1897, de Ongevallenwet 1901. Maatregelen in het belang van arbeiders (verplichte verzekering tegen de gevolgen van ziekte, invaliditeit en ouderdom)".
In schema is hieronder aangegeven bij welke ministeries en onder wiens leiding de afdeling Arbeid (en Fabriekswezen) van ontstaan tot opheffing heeft gefunctioneerd.
| Arbeid (en Fabriekswezen) |
Hoofden van de Afdeling |
| 1893-1901 |
|
| Ministerie van Waterstaat, Handel en Nijverheid |
Mr. J.C.Th. Heijligers |
|
Mr. J.W.S.A. Versteeg |
| 1901-1905 |
|
| Ministerie van Binnenlandse Zaken |
Mr. J.W.S.A. Versteeg |
| 1905-1918 |
|
| Ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel |
Mr. J.W.S.A. Versteeg |
|
Mr. Dr. Ch.M.A. Bijleveld |
|
H.W. Nicolai |
| 1918-1922 |
|
| Ministerie van Arbeid |
H.W. Nicolai |
|
Mr. J. Westhoff |
| 1923-1931 |
|
| Ministerie van Arbeid, Handel en Nijverheid |
Mr. J. Westhoff |
| 1932-1933 |
|
| Ministerie van Economische Zaken en Arbeid |
Mr. J. Westhoff |
|
Mr. A.M. Engels |
| 1933-1941 |
|
| Ministerie van Sociale Zaken |
Mr. A.M. Engels |
De Koninklijke besluiten waarbij de nieuwe departementen werden ingesteld, geven geen nadere aanduiding van de "inrichting" en specifieke taak van de afdeling Arbeid.
De beschikking van de Minister van Arbeid van 3 januari 1919, no.4, afd. A.S. bepaalde dat naast de voorbereiding van wettelijke maatregelen de arbeidersbescherming betreffende, afgezien van de eerder vermelde wetten, uitvoering moest gegeven worden aan de Caissonwet 1905, de Steenhouwerswet 1911, de Stuwadoorswet 1914, de Stoomwet 1896, de Wet van 7 december 1918, S.788 houdende nadere bijzondere maatregelen ten opzichte van de Kamers van Arbeid met het oog op de tegenwoordige buitengewone omstandigheden en aan de Hinderwet 1875. Hetzelfde gold voor maatregelen tot bevordering van het onderwijs in eerste hulp bij bedrijfsongevallen en andere onderwerpen met arbeidersbescherming verband houdende, voor zover zij niet behoren tot de werkkring van één der andere afdelingen.
De tweede gevonden organisatiebeschikking, die van de Minister van Sociale Zaken van 24 juni 1939, no. 203 Kabinet, afdeling Comptabiliteit, vermeldde naast uitvoering van de materie, welke in de beschikking van 1919 te lezen staat, de Huisarbeidswet 1933, de Arbeidsgeschillenwet 1923, de Wet op de Hoge Raad van Arbeid 1927, de Bedrijfsradenwet 1933, de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten 1937, de Wet inzake de verdeling van de beschikbare arbeid 1937 alsmede maatregelen ter bestrijding van waterverontreiniging. Duidelijk blijkt uit deze beschikkingen de toegenomen grootte en belangrijkheid in taak van de afdeling.
Begonnen in 1893 met een formatie die bestond uit 1 referendaris, chef van de afdeling, 2 adjunct-commiezen, terwijl nog een tweede klerk af en toe bij het archief behulpzaam was, bleken in 1899 de werkzaamheden van de afdeling sterk toegenomen. In deze periode van 6 jaar waren de 1923 ingekomen en 2337 uitgegane stukken gestegen tot 7500 respectievelijk 8080. In een nota uit het Kabinetsarchief van het Ministerie van Waterstaat, Handel en Nijverheid (1899, no. 6) waarvan de bovenstaande getallen afkomstig zijn, wordt gepleit om de arbeidwetgeving los te maken van het ministerie en daarvoor een afzonderlijk (9e) departement in te stellen.
Bij de verdere ontwikkeling van de arbeidwetgeving groeide ook de formatie van de afdeling om tenslotte te bestaan uit 1 administrateur, hoofd van de afdeling, 2 referendarissen, 1 hoofdcommies, 6 commiezen en 2 adjunct-commiezen. De lagere rangen worden in de staatsalmanakken niet aangegeven.
In deze vorm werd de afdeling Arbeid bij beschikking van de Secretaris-Generaal van 24 december 1941, no. 1132 Kab., afdeling Comptabiliteit, met ingang van 1 januari 1942 gesplitst in de afdelingen Arbeid I en Arbeid II.
Taak
De taak van de afdeling Arbeid heeft gelegen in het voorbereiden van wettelijke maatregelen welke betrekking hadden op:
- het tegengaan van overmatige arbeid;
- het tegengaan van gevaarlijke arbeid;
- het bemiddelen inzake arbeidsverhoudingen;
- het beschermen van derden tegen gevaar, schade of hinder, veroorzaakt door arbeid.
Als gevolg hiervan had de afdeling eveneens te maken met de personele en comptabele aangelegenheden van de ambtenaren, die werkzaam waren bij de Arbeidsinspectie, de Inspectie van de Havenarbeid, het Stoomwezen, het Rijksinstituut voor Zuivering van Afvalwater en de Hoge Raad van Arbeid.
Het bevorderen van onderwijs in eerste hulp bij bedrijfsongevallen viel ook onder haar bemoeienis.
Wettelijke maatregelen tot het tegengaan van overmatige arbeid
In de eerste wet op dit gebied, de Arbeidswet van 5 mei 1889, S. 48, nog tot stand gekomen onder verantwoording van de Minister van Justitie, Ruys van Beerenbroek, werd bedrijfsarbeid voor kinderen beneden de leeftijd van 12 jaar verboden, werden regels voor vrouwen en jeugdigen beneden de leeftijd van 16 jaar vastgesteld, waaronder een verbod van zondagsarbeid en beperking van de arbeidsduur tot maximaal 11 uur per dag. Een drietal inspecteurs werd opgedragen om toezicht op de naleving van deze bepalingen te houden.
De wet van 19 januari 1890, S.1 houdende voorbereidende maatregelen tot het verkrijgen van nodige kennis van feiten en toestanden ter beoordeling in hoeverre aanvulling van de sociale wetgeving vereist wordt, had tot gevolg dat er een staatscommissie werd benoemd die de regering van advies moest dienen. Het eindrapport van 1894 vermeldde dat ook voor volwassen mannen, speciaal voor bakkers en stuwadoors, een regeling van de arbeidstijd nodig was.
Er werden sindsdien pogingen ondernomen om met andere wetsontwerpen de werking van de Arbeidswet 1889 uit te breiden. Het ontwerp van wet tot regeling van arbeids- en rusttijden in fabrieken en werkplaatsen voor personen op wier arbeid de Arbeidswet niet van toepassing is, waar de ministers Lely (1898) en Kuyper (1901) de verantwoording voor droegen, werd niet in behandeling genomen, omdat o.a. als bezwaar werd gevoeld dat de omschrijving van de wet ruimer was dan de inhoud. Evenmin succes had de poging van minister Talma in 1909 om de zondagsarbeid en nachtarbeid in broodbakkerijen en de arbeidsduur van de bakkersgezellen te beperken. Gevreesd werd dat deze regelgeving een gezonde bedrijfsvoering zou belemmeren.
Het Tweede Kamerlid Schaper diende in 1911 een motie in, waarin hij pleitte voor wettelijke beperking van de arbeidsduur voor alle volwassen arbeiders tot 10 uren per etmaal. In de verdeling van de dag in 8 uur arbeid, 8 uur rust en 8 uur persoonlijk leven zag hij een mogelijkheid om de kwaliteit van mens en samenleving te verbeteren. De Kamer, als afspiegeling van de toen heersende tijdgeest, kon in deze visie nog niet meegaan. Pas de Eerste Wereldoorlog zou een verandering in de algemene denkwijze teweegbrengen.
Eind 1918 waren er soldatenrellen in de Harskamp en spoorde Troelstra, leider van de SDAP, de arbeiders aan om de macht te grijpen.
In "burgerlijke" kringen werd revolutie in navolging van de buitenlandse voorbeelden dan ook niet onaannemelijk geacht. Zo voerde de burgemeester van Rotterdam besprekingen met leiders van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen, om wanneer er revolutie zou komen, deze rustig te doen verlopen. De revolutionaire gezindheid bleek tenslotte geen breed draagvlak te hebben. Wel is het een feit, dat waar Schaper in 1911 met zijn motie nog geen kans in het parlement had gehad, nu de Arbeidswet van 1 november 1919, S. 624. snel tot stand kon komen.
Aanvankelijk had de verantwoordelijke minister Aalberse alleen maar de bestaande wet willen wijzigen, maar onder druk van de Tweede Kamer werd een nieuw voorstel ingediend. Hierin werd de arbeidstijdverkorting voor volwassen mannen, vrouwen en kinderen geregeld om zo gestalte te geven aan het doorgebroken besef dat welvaart niet alleen gelegen is in het stoffelijke maar evenzeer in het geestelijke.
De opzet van de nieuwe wet met 101 artikelen en diverse Algemene Maatregelen van Bestuur was bedoeld om het pluriforme bedrijfsleven niet met voor iedereen geldende detailregelingen te belemmeren.
Lange tijd echter bleven diverse categorieën van werkenden uitgesloten van de werking van de nieuwe wet, zoals de land- en tuinbouwarbeiders en de chauffeurs. Hierdoor dreigde een niet-terechte splitsing te ontstaan en zo werden in de periode 1920-1940 nieuwe wetsvoorstellen ingediend om deze verschillen weg te nemen.
Met betrekking tot de landbouwarbeid was de overheid, net als in het buitenland, bevreesd om met al te veel bindende regels te komen. Ongrijpbare elementen als "natuur" en "seizoen" waren minder gemakkelijk dan "industrie" aan banden te leggen. Gehoopt werd dat de toenemende mechanisatie in de landbouw en het instrument van de collectieve arbeidsovereenkomst regelgeving zouden brengen met inachtneming van het speciale karakter van deze tak van arbeid.
De verkorting van de arbeidsduur tot 40 uur per week was een kwestie die begon te spelen toen ruim 14 jaar na de invoering van de Arbeidswet 1919 er nog grote groepen arbeiders waren die aanzienlijk langer dan 48 uur per week werkten. Wegens de ingezette economische neergang vreesde de regering dat invoering van de wet zou kunnen leiden tot stijging van de productiekosten voor de zwakke bedrijven die aldus tot ondergang gedoemd waren. Een tussenoplossing meende men gevonden te hebben in het aannemen van een afwachtende houding.
Lange tijd van voorbereiding ging vooraf aan de totstandkoming van de Winkelsluitingswet van 29 november 1930, S.460. De Staatscommissie voor de handeldrijvende en industriële Middenstand was in 1909 met een ontwerp van wet gekomen.
Dit ontwerp, dat in 1920 door de Middenstandsraad werd overgenomen, heeft ook als uitgangspunt gediend voor de wet van 1930.
Wettelijke regeling van de winkelsluiting was nodig gebleken om contrôle op de uitvoering van het Werktijdenbesluit voor winkels 1929
Zie inventarisnummers 288-289
te kunnen uitoefenen. Daarbij kwam dat de eenheid van regeling niet bevorderd werd door de afzonderlijke gemeentelijke regelingen, die ongunstige gevolgen hadden voor werkgever, werknemer en klant.
Lage lonen, lange arbeidstijden, kinderarbeid, ongezonde werkplaatsen, inbreuk op het privé- en gezinsleven, het zijn allemaal trefwoorden, passend bij het begrip "huisarbeid". Omstreeks 1919 was het aantal thuiswerkers gaan minderen, doordat nieuwe organisatie- en productietechnieken het voor de werkgever voordeliger maakten zijn krachten in moderne werkruimten te laten werken.
Toch was er voor de wetgever reden om de nog bestaande misstanden door middel van de Huisarbeidswet van 17 november 1933, S.597 te bestrijden, temeer daar de crisistijd aanleiding gaf tot uitbuiting van de economisch zwaksten.
Ook het vervoerswezen kende grote misstanden waar het te lange rijtijden en de daaruit voortvloeiende overbelasting van de chauffeur betrof. Naast de plicht dit sociaal onrecht te bestrijden vond de regering ook dat door verkorting van de arbeidsduur de verkeersveiligheid gestimuleerd moest worden. Omdat de bestaande regeling zoals het Rustdagbesluit voor transportarbeiders te land 1929
Zie inventarisnummers 286-287
, de Motor- en Rijwielwet van 10 februari 1905, S.69 en de Wet Openbare Vervoermiddelen van 23 april 1880, S.67 onvoldoende basis boden voor een daarop aansluitende regeling, werd door de verantwoordelijke Ministers van Sociale Zaken en van Waterstaat gekozen voor een ontwerp van wet welke beide elementen verenigde. Het resultaat was de Rijtijdenwet van 9 november 1939, S.802.
Wettelijke maatregelen tot het tegengaan van gevaarlijke arbeid
De Staatscommissie van 1890 die al gepleit had voor arbeidstijdverkorting voor volwassen mannen, gaf een belangrijke impuls aan de totstandkoming van wetgeving met betrekking tot het tegengaan van gevaarlijke arbeid. Zij verklaarde namelijk dat regeling van de arbeidsveiligheid noodzakelijk was omdat bij de werkgevers verantwoordelijkheidsbesef hiervoor ontbrak.
Het op 30 november 1893 door minister Lely ingediende ontwerp van wet houdende bepalingen tot beveiliging bij het verblijven in fabrieken en werkplaatsen ondervond aanvankelijk tegenstand. Er waren Kamerleden die het van ziekelijke menslievendheid vonden getuigen om volwassen mannelijke arbeiders te behoeden voor de gevaren welke hun arbeid noodzakelijkerwijs met zich mee bracht. Evenmin mocht de overheid treden in de verplichtingen van de ondernemer. Maar na uitvoerige beraadslagingen nam de Tweede Kamer op 21 juni 1895 het ontwerp aan met slechts 3 stemmen tegen. In de Eerste Kamer werd het ontwerp zonder hoofdelijke stemming op 18 juli 1895 aangenomen, waardoor de Veiligheidswet van 20 juli 1895, S. 137 een feit was.
De voortschrijdende techniek maakte het nodig dat er een algemene regeling kwam om het hoofd te bieden aan de gevaren, beroepsziekten en bedrijfsongevallen welke zich buiten fabrieken en werkplaatsen voordeden.
Aangezien bij de Veiligheidswet van 1895 het accent lag op de beveiliging in fabrieken of werkplaatsen was het nodig deze te vervangen door de nieuwe wet van 2 juli 1934, S.352. Het was een raamwet waarbij per Algemene Maatregel van Bestuur veiligheidsvoorschriften werden gegeven voor de in de afzonderlijke hoofdstukken genoemde categorieën. Deze betroffen:
- fabrieken of werkplaatsen;
- arbeid in het algemeen;
- landbouw-, tuinbouw-, bosbouw-, veehouderij- of veenderij-ondernemingen;
- vervoer te water, uitgezonderd zeeschepen en het laden en lossen van schepen, niet zijnde zeeschepen;
- arbeid aan boord van vissersvaartuigen, in gebruik bij de zeevaart;
- gebruik van loodhoudende stoffen bij schilderwerk;
- verbodsbepalingen voor gevaarlijke toestellen;
- veiligheidscommissies.
De bestaande Stoomwet, Phosphorluciferswet, Caissonwet, Steenhouwerswet en Stuwadoorswet werden niet in de nieuwe wet opgenomen omdat dit het geheel te ingewikkeld zou maken, ook voor de bedrijven die aan de oude vorm gewend waren.
De Phosphorluciferswet van 28 mei 1901, S.133 was het resultaat van een onderzoek door de Arbeidsinspectie waarbij ontdekt was dat witte of gele phosphor ernstige vergiftigingen veroorzaakte en de beenderen, in het bijzonder die van de kaak, aantastte. Omdat slechts een klein aantal volwassen mannen in deze industrie werkzaam was, werd aanvankelijk gedacht dat speciale wetgeving niet nodig zou zijn. Maar de aanhoudende ziektegevallen (phosphornekrose) deden de regering besluiten om bij wet in de fabricagemethode van lucifers in te grijpen, iets wat nieuw was voor die tijd. Het gebruik van witte of gele phosphor werd verboden. Deze wet kan tevens gezien worden als een eerste aanzet tot de bestrijding van beroepsziekten. Het begrip "bedrijfsgeneeskunde" is ook van toepassing op de Caissonwet van 22 mei 1905, S. 143.
De bepalingen welke de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders moesten garanderen, hadden een sterk medisch karakter. Alleen gezonde mannen tussen de 20 en 50 jaar, waarbij vooraf de conditie van hart, longen en nieren onderzocht was, mochten werken in ruimten met een grotere dan de atmosferische luchtdruk. De zogenaamde Caissonziekte, een shocktoestand veroorzaakt door abrupte daling van de bloeddruk als gevolg van de plotselinge verandering van de uitwendige druk, waardoor bewusteloosheid of zelfs dood kan optreden, moest worden voorkomen. Hiertoe diende de overgang naar de normale druk zeer geleidelijk, met behulp van een sluizenstelsel, te geschieden.
De Steenhouwerswet van 7 oktober 1911, S.315 moest regelgeving brengen op een arbeidsterrein waar veel wantoestanden heersten. De gevaarlijke en ongezonde arbeid welke vaak de luchtwegen, longen en borst aantastte, was er de oorzaak van dat de gemiddelde levensduur van de arbeiders niet boven de 35 jaar kwam. Bij de volksvertegenwoordiging kwam ook nog de opvatting naar voren dat wie voor dit beroep koos, nu eenmaal niet oud werd. De bedoeling van de wet was onder meer te jeugdige arbeidskrachten te weren, stofverspreiding tegen te gaan en te grote vermoeidheid bij de arbeiders te voorkomen. De ingevoerde medische keuringen betekenden een uitbreiding van de medisch-hygiënische zorg.
De Stuwadoorswet van 16 oktober 1914, S. 486 was noodzakelijk doordat in het havenbedrijf sinds jaar en dag lange werkdagen, gevaarlijke arbeid en zwaar drankmisbruik aan de orde van de dag waren.
In 1911 had minister Talma een wetsontwerp ingediend waarin beperking van arbeidsuren, grotere veiligheid en uitbetaling van het rechtmatig loon centraal stonden. Stuwadoorsverenigingen zouden slechts met toestemming van de minister werkzaam mogen zijn en arbeids- en rusttijden zouden gecontroleerd worden door invoering van het arbeidsboekje. Zondagsarbeid zou slechts met ministeriële vergunning en tegen hoger loon mogelijk zijn.
De opvolger van bovengenoemde minister zwakte het ontwerp af. Minister Treub diende in 1913 een ontwerp van wet in waaruit de bepalingen inzake de stuwadoorsverenigingen, het arbeidsboekje en het zondagsloon waren verdwenen.
De Kamer nam het ontwerp toch aan, in de overtuiging dat de praktijk al spoedig een herziening nodig zou maken.
De noodzaak van een ontwerp van Wet inzake bouwveiligheid (1908-1917) lag in het feit dat de gevaren in deze beroepssector niet in voldoende mate ondervangen werden door het Arbeidsbesluit 1897
Zie inventarisnummer 173
en het Veiligheidsbesluit 1896
Zie inventarisnummer 506
. Statistieken hadden uitgewezen dat per 1000 arbeiders het aantal ongevallen hier het hoogst lag in vergelijking tot de andere groepen waarop de Ongevallenwet van 2 januari 1901, S.1
Bosters, A.M.; Telgt, H.A. en Rooij, G.V.W.L. van Inventaris van het archief van de Afdeling Arbeidersverzekering (Sociale Verzekering) 1901-1949 Ministerie van Sociale Zaken, 1979
van toepassing was. Dit wetsvoorstel, dat niet alleen de bouw in eigenlijke zin betrof, maar ook gold voor werkzaamheden zoals onderhoud en vernieuwing, wees het districtshoofd van de Arbeidsinspectie aan als autoriteit om bij calamiteiten in te grijpen. In grote gemeenten zou de Dienst voor het Bouw- en Woningtoezicht met deze taak belast worden.
Om arbeiders te beschermen bij hun werk met toestellen en vaten waarbij dampen of gassen van hogere spanning dan die van de dampkringlucht gebruikt werden en waarop de Stoomwet van 15 april 1896, S.69
Zie inventarisnummer 5691
niet van toepassing was, werd het noodzakelijk gevonden wettelijke maatregelen te treffen.
Het gebruik van cylinders met vloeibaar gemaakte en sterk gecomprimeerde gassen, waarbij in 1913 in 's-Gravenhage en Rotterdam doden waren gevallen, vroeg eveneens om regeling van het toezicht op het gebruik, goedkeuring nà onderzoek en periodieke herkeuring van deze toestellen.
Tot afkondiging van regelgeving voor deze ontplofbare toestellen is het nooit gekomen.
De wetten tot aanduiding van het gewicht op grote stukken vervoerd per schip van 19 maart 1932, S.116 en 117 waren gebaseerd op het in de 12e zitting van de Internationale Arbeidsconferentie aangenomen ontwerp- verdrag, dat bepaalde dat elk stuk of voorwerp van een gewicht van 1000 kg of meer, op duidelijke en duurzame manier moest worden voorzien van een gewichtsaanduiding, met het oog op de veiligheid van de bij de laad- en losarbeid betrokken arbeiders.
Gezien het internationale aspect wilde de regering niet achterblijven bij het maken van een nationale wetgeving.
Wettelijke maatregelen met betrekking tot het bemiddelen inzake arbeidsverhoudingen
De Wet op de Kamers van Arbeid van 2 mei 1897, S.141 had tot doel de belangen van patroons en werklieden in onderlinge samenwerking te bevorderen. Naast het verzamelen van inlichtingen, het gevraagd of ongevraagd adviseren van de Rijksoverheid en de provincie- en gemeentebesturen over arbeidsaangelegenheden, het dienen van advies en het ontwerpen van overeenkomsten en regelingen op verzoek van de belanghebbenden, hadden de Kamers van Arbeid de taak om arbeidsgeschillen te voorkomen of te vereffenen door arbitrage tussen de strijdende partijen.
In de tijd dat deze wet van kracht is geweest werden weliswaar de nodige geschillen inzake al dan niet terecht gegeven ontslag behandeld, maar met geschillen waarbij gehele bedrijfstakken betrokken waren, was dit in veel mindere mate het geval, zodat maar betrekkelijk weinig stakingen en uitsluitingen door tussenkomst van de Kamers van Arbeid beëindigd zijn.
De behoefte om op slagvaardiger wijze de sociale vrede te bewaren was de leidende gedachte bij de Arbeidsgeschillenwet van 4 mei 1923, S. 182. Het voorkomen van arbeidsconflicten en het oplossen van geschillen van collectief karakter werd des te gunstiger voor het bedrijfsleven gevonden, omdat een zonder belemmeringen verlopend produktieproces noodzakelijk was om de verarming die de Eerste Wereldoorlog had gebracht te boven te komen. Gekozen werd voor een procedure waarbij de strijdende partijen eerst zouden proberen het probleem zelf op te lossen, om bij geen resultaat het vrijwillig maar volgens een vastgestelde procedure aan een daartoe ingesteld orgaan voor te leggen.
Tevens werd de mogelijkheid geschapen om door het instellen van een enquête te onderzoeken wie of wat de oorzaak van het geschil was, dan wel er de verantwoordelijkheid voor droeg.
Een ander "rustgevend" middel was de collectieve arbeidsovereenkomst, welke een wettelijke grondslag kreeg door de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst van 10 december 1927, S.415. Naast de erkenning van de rechtsgeldigheid werd zo eveneens vastgelegd dat het "algemene" boven het "individuele" ging. De Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van collectieve arbeidsovereenkomsten van 25 mei 1937, S.801 regelde dat bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten ook van toepassing konden worden verklaard op groepen die niet bij het afsluiten daarvan betrokken waren geweest. Het zich (vrijwillig) afzijdig houden kon namelijk in het nadeel van de betrokken partijen gaan werken, zeker in economisch slechte tijden.
Een zodanige regeling was al bepleit in 1911 in een rapport betreffende de werking van de Wet op de Kamers van Arbeid.
Bij de Bedrijfsradenwet van 7 april 1933, S.160 werd uitgegaan van de realiteit dat het overleg tussen werkgever en werknemer meer bedrijfsgewijs plaatsvond. De bedrijfsraad bestaande uit vertegenwoordigers van werknemers- en werkgeversverenigingen moest functioneren waar zaken van overleg, advies, bemiddeling en beslechting van geschillen aan de orde waren. De Rijksbemiddelaar die krachtens de Arbeidsgeschillenwet 1923 zich ook met deze kwesties kon bemoeien, werd geacht dat pas te gaan doen wanneer de bedrijfsraad verder in gebreke bleef.
Zorg over de langdurige werkloosheid in de sigarenindustrie, niet veroorzaakt door de economische recessie maar door wijzigingen in het productieproces, lag ten grondslag aan de wet van 5 november 1936, S.639E. Gezocht werd de fatale kringloop te doorbreken, waarbij door mechanisatie werkloos geraakte vaklieden thuis goedkopere sigaren gingen vervaardigen en de fabrikant aldus gedwongen werd om nog verder in prijs omlaag te gaan door verdere doorvoering van mechanisatie. Aangezien verbod van het gebruik van machines of verhoging van accijns niet effectief was, werd gehoopt door temporisatie van het mechanisatieproces een situatie te krijgen waarbij werkgever èn werknemer baat zouden hebben.
Verdeling van de beschikbare arbeid bij wet van 28 mei 1937, S.802 was gebaseerd op de toezegging in de memorie van antwoord op het voorlopig verslag naar aanleiding van de Rijksbegroting 1937, waarin aangedrongen was op maatregelen tegen de steeds toenemende vervanging van volwassen mannelijke arbeidskrachten door jeugdig en/of vrouwelijk personeel.
De man als gezinshoofd en kostwinner moest door afremmende bepalingen beschermd worden tegen de bezuinigingsdrift van de werkgevers. Het verbieden van bepaalde fabrieksarbeid door vrouwen en meisjes, het slechts onder bepaalde omstandigheden toestaan ervan en het bij Algemene Maatregel van Bestuur bepalen van het percentage vrouwen en meisjes dat in fabrieken en werkplaatsen mocht werken, zou mogelijk tot een betere verdeling van de arbeid leiden. De werkingsduur van de wet was op drie jaar gesteld, gezien de hoop op het aanbreken van betere tijden.
Georganiseerde werkgevers waren begonnen om hun arbeiders een toeslag boven het loon te geven aangezien het over het algemeen lage peil van de lonen het onderhouden van een (groot) gezin tot een niet gemakkelijke zaak maakte. De overheid wilde het niet georganiseerde deel van de werkgevers tot hetzelfde verplichten. De Kinderbijslagwet van 23 december 1939, S.806 bracht een algemene, bedrijfsgewijze opgebouwde regeling waarbij uit de aan het Kindertoeslagfonds van een bedrijfstak betaalde premies, de toeslagen betaald moesten worden.
Vacantie met behoud van loon was een reeds ingeburgerd begrip bij rijk, provincies en gemeenten en andere (verlichte) werkgevers. Met de aanzet van een wettelijke regeling van deze materie, vooralsnog alleen voor werkenden in fabrieken of werkplaatsen, winkels en kantoren, werd erkend dat het verhoogde arbeidstempo en de monotonie ervan, rust van lichaam en geest nodig maakten.
In het ontwerp werd uitgegaan van een halve dag vacantie per 30 dagen dat er in de periode van 1 mei van een jaar tot 1 mei van het daaropvolgende jaar bij dezelfde werkgever gewerkt was.
Voor vaak van baas wisselende arbeiders werd aan een vacantiebonnen-systeem gedacht.
Wettelijke maatregelen tot het beschermen van derden tegen gevaar, schade of hinder, veroorzaakt door arbeid
Het toezicht bij het oprichten van inrichtingen welke gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken was geregeld in de Hinderwet van 2 juni 1875, S.95.
Het Keizerlijk decreet van 15 october 1810 (Décret impérial, relatif aux manufactures et ateliers, qui répandent une odeur insalubre ou incommode) was de eerste algemene regeling op dit terrein geweest. Onvolkomenheden in dit decreet, zoals het ontbreken van strafbepalingen, hadden geleid tot het Koninklijk besluit van 31 januari 1824, S.19. Ook dit besluit bevatte gebreken - de mogelijkheid tot het instellen van hoger beroep ontbrak bijvoorbeeld - maar bleef desondanks ongeveer 50 jaar van kracht.
De vraag naar een nieuwe wettelijke regeling deed zich voor toen de Hoge Raad bij arrest van 15 mei 1855 een besluit van de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch, om een abattoir op te richten en het slachten daarbuiten te verbieden, vernietigde.
De Hoge Raad vond dat hierdoor artikel 151 van de Gemeentewet, waarin stond dat een plaatselijke verordening geen rechtskracht had wanneer het onderwerp al geregeld was bij algemene maatregel van bestuur of provinciale verordening, overtreden was.
Tijdens het zittingsjaar 1864-1865 van de Staten-Generaal werd door minister Thorbecke een ontwerp van wet ingediend. Dit ontwerp, evenals het ontwerp van minister Fock, in het zittingsjaar 1869-1870 ingediend, kwam niet in openbare behandeling. Pas in het zittingsjaar 1874-1875 werd het door de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Oorlog, Heemskerk en Weitzel, ingediende ontwerp van wet door het parlement aangenomen.
Toezicht op stoomwerktuigen was geregeld bij Koninklijk besluit van 6 mei 1824, S.32. Om ongelukken door onvoorzichtig gebruik of door zwakke constructie te voorkomen, was erin bepaald dat de gouverneur van de provincie een "akte van permissie" moest afgeven, na het advies van de daartoe benoemde deskundige ingewonnen te hebben. De noodzaak van een Stoomwet was het gevolg van het feit dat de industrie en het gebruik van stoomtoestellen dusdanig gegroeid waren dat de met het toezicht belaste ambtenaren en de gebruikers aan vaste regels moesten worden gebonden.
De Stoomwet van 1869 regelde uitsluitend het toezicht op stoomketels. Regelgeving voor het beperken van gevaren welke verbonden waren aan andere, onder stoomdruk werkende toestellen werd nog niet nodig gevonden. Pas wanneer "een derde" schade opliep, had de Overheid de plicht om tussenbeide te komen.
De strekking van de Veiligheidswet 1895 maakte het nodig om, in het belang van de arbeiders, de niet aan toezicht onderworpen toestellen in een wet onder te brengen.
Gezien de technische materie werd in plaats van uitbreiding der werking van de Veiligheidswet 1895 gekozen voor een geheel nieuwe Stoomwet, te weten de Wet van 15 april 1896, S. 69.
Hierin werd niet alleen het toezicht op het gebruik van stoomketels geregeld, maar ook het toezicht op de met deze ketels verbonden stoomtoestellen zoals voorverwarmers, stoomverhitters en stoomvaten.
De Hoge Raad van Arbeid, ingesteld bij Koninklijk besluit van 4 october 1919, S.591, heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de voorbereiding van de arbeidswetgeving. Het instellingsbesluit schreef voor dat de Raad diende te adviseren over "ontworpen regelingen omtrent onderwerpen, welke de belangen van de arbeid raken en over andere aangelegenheden op het gebied van de arbeid".
De Hoge Raad van Arbeid was samengesteld uit vertegenwoordigers van de belangrijkste werkgevers- en werknemersorganisaties en ambtenaren, te weten de Secretaris-Generaal van het Ministerie, de Directeur-Generaal van de Arbeid, de chef van de afdeling Arbeid, de chef van de afdeling Arbeidsverzekering, de directeur van de Dienst Werkloosheidsverzekering en Arbeidsbemiddeling en de directeur van het Centraal Bureau voor de Statistiek.
Ter voorbereiding van de werkzaamheden konden commissies worden ingesteld om preadviezen aan de Raad uit te brengen.