I (Het College van) Rijksbemiddelaars (1924) 1940-1942 en de Gemachtigde voor den Arbeid 1942-1945
De 'Wet van den 4den Mei 1923, houdende bepalingen tot bevordering van de vreedzame bijlegging van geschillen over arbeidsaangelegenheden en tot het voorkomen van zoodanige geschillen' (Arbeidsgeschillenwet 1923, Stb. no. 182) bepaalde in artikel 1: 'In elk der districten, waarin het Rijk door Ons verdeeld wordt, of in elk der door Ons aangewezen bedrijven is een Rijksbemiddelaar (..) werkzaam tot bevordering van de vreedzame bijlegging van geschillen over arbeidsaangelegenheden en tot het voorkomen van zoodanige geschillen'.
Deze Rijksbemiddelaars werden benoemd door de Kroon.
De wet was mede ondertekend door de minister van Arbeid, Handel en Nijverheid, een van de voorlopers van het ministerie van Sociale Zaken.
De Arbeidsgeschillenwet trad in werking bij koninklijk besluit van 7 april 1924 (Stb. no. 174) op 16 april 1924.
Het eerste jaarverslag over 1924 vermeldt dat het college (met kleine letter: de Rijksbemiddelaars opereerden nog individueel) een voorzitter benoemde en door de minister van Arbeid, Handel en Nijverheid een secretaris toegevoegd kreeg, van wie als plaatsvervangers enkele ambtenaren van dit ministerie werden aangewezen.
De Rijksbemiddelaars waren onafhankelijk en hadden tot taak door bemiddeling arbeidsconflicten tot een oplossing te brengen: verplichtingen opleggen konden zij niet.
In de 'Verslagen van de werkzaamheden van de Rijksbemiddelaars' worden diverse bemiddelingsgevallen uitgebreid beschreven.
In mei 1940 vielen de Duitsers ons land binnen.
Rijksbemiddelaars waren toen H.P.J. Bloemers, prof. mr. A.C. Josephus Jitta, mr. T.J. Verschuur en mr. dr. S. de Vries Czn..
Al snel werden door de Duitsers strafbaar gesteld 'opruiing tot staking, het moedwillig neerleggen van de arbeid, werkstaking en het verhinderen van werkwillige elementen'.
Het 'Besluit van den Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht van 24 Mei 1940, No. O.800, betreffende inschakeling van Rijksbemiddelaars bij geschillen over arbeidsvoorwaarden' bepaalde, dat werknemers waarvan de arbeidsvoorwaarden na 9 mei 1940 ongunstiger waren geworden, zich konden wenden tot het College van Rijksbemiddelaars. Als bemiddeling faalde, kon het College (gezamenlijk) een regeling bindend opleggen. (Hier werd voor de eerste maal het predikaat 'College' (met hoofdletter) aan de Rijksbemiddelaars toegevoegd.)
Dit besluit werd ingetrokken door Verordening 111/1940 van de Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied van 27 augustus 1940 betreffende het verbod van verlaging van lonen en salarissen. (Deze en andere Verordeningen werden door de Rijkscommissaris uitgevaardigd op grond van § 5 van het Decreet van de Führer van 18 mei 1940 over de uitoefening van de Regeringsbevoegdheden in Nederland. Deze paragraaf bepaalde dat de Rijkscommissaris verordeningen kon uitvaardigen die kracht van wet hadden.)
Het 1e Uitvoeringsbesluit van de Waarnemend Secretaris-Generaal van het departement van Sociale Zaken bepaalde dat het College van Rijksbemiddelaars bevoegd was tot het verlenen van vergunningen tot verlaging van lonen en salarissen.
Verordening 217/1940 van 28 november 1940 betreffende de totstandkoming van regelingen inzake lonen, salarissen en andere arbeidsvoorwaarden bepaalde onder anderen dat nieuwe collectieve arbeidsovereenkomsten goedkeuring behoefden, als er verhogingen van lonen of salarissen in voorkwamen.
Als er geen collectieve arbeidsovereenkomst tot stand kwam, kon de Secretaris-Generaal van het departement van Sociale Zaken of een door hem aangewezen instantie lonen en salarissen of andere arbeidsvoorwaarden bindend vaststellen. Ook de bevoegdheid van de minister (van Sociale Zaken) tot uitvoering van de Wet van 25 mei 1927 op het verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (Stb. no. 801), kon nu door de secretaris-generaal uitgeoefend worden of op een door hem aan te wijzen instantie overgedragen worden.
Het Eerste Uitvoeringsbesluit van de waarnemend secretaris-generaal van het departement van Sociale Zaken van 30 november 1940 droeg alle in de Verordening genoemde bevoegdheden op aan het College van Rijksbemiddelaars. Het voeren van de loonpolitiek werd dus in feite aan het College opgedragen.
Door middel van richtlijnen bij de uitvoering van de Verordening probeerden 'de Duitse instanties' (de Hauptabteilung Soziale Verwaltung) van het departement het College tot uitvoerders te maken van hun politiek. Het College wenste zich echter hiervoor niet als instrument te laten gebruiken.
De spanningen tussen College en Duitse instanties liepen daardoor steeds hoger op. Mede daarom werd door de Duitsers een geheel nieuwe organisatie op poten gezet. Voor het College was dit reden om diverse bedrijfstakken en bedrijven, die daarom vroegen, nog van een zo gunstig mogelijke regeling te voorzien.
Bij beschikking van 31 augustus 1942 droeg het College de bevoegdheid tot het verlenen van dispensaties van zijn regelingen over aan dr. ir. A.H.W. Hacke, directeur-generaal van den Arbeid. Deze beschikking werd direct na het aantreden van de Gemachtigde voor den Arbeid door deze ingetrokken.
Op 13 oktober 1942 werd de Verordening 114/1942 betreffende de ordening van den arbeid afgekondigd. De Verordening zou op 1 november 1942 in werking treden. In deze Verordening werden alle bevoegdheden tot regeling en ordening van de arbeid opgedragen aan een Gemachtigde voor den Arbeid. Tevens werden de Arbeidsgeschillenwet 1923, de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst 1927, de Wet op het verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten 1937 en de Verordeningen 111/1940 en 217/1940 buiten werking gesteld.
Bij Uitvoeringsbesluit van de waarnemend secretaris-generaal werden alle collectieve arbeidsovereenkomsten en door het College van Rijksbemiddelaars goedgekeurde regelingen aangemerkt als bindende minimum-regelingen in de zin van de Verordening.
Het College van Rijksbemiddelaars, bestaande uit mr. dr. S. de Vries Czn., H.P.J. Bloemers, ir. A. Plate, prof. mr. C.P.M. Romme en mr. T.J. Verschuur, hield bij de inwerkingtreding van deze Verordening op te bestaan en vergaderde op 31 oktober 1942 voor het laatst.
Het secretariaat van het College had van te voren maatregelen getroffen dat het direct bij het bekend worden van de inwerkingtreding van Verordening 114/1942 ontslag kon nemen, wat ook gebeurde. Daardoor stond de Gemachtigde voor de opgave een geheel nieuw secretariaat op te bouwen.
De functie van Gemachtigde voor den Arbeid werd aanvankelijk waargenomen door de Waarnemend Secretaris-Generaal van het departement van Sociale Zaken ir. R.A. Verweij. Op 1maart 1943 begon de definitief benoemde Gemachtigde C.J. van Rijst met zijn werkzaamheden.
De Gemachtigde voor den Arbeid bleef ondergeschikt aan de waarnemend secretaris-generaal van het departement van Sociale Zaken, die hem benoemd had en ook kon ontslaan. Rechtstreeks onder de Gemachtigde ressorteerde een secretariaat, onder leiding van een Directeur-Secretaris.
De bureaus waren gevestigd aan het Bezuidenhout 85 en 87 en het Emmapark 2, 4 en 6 te 's-Gravenhage.
De voornaamste taken van de Gemachtigde bestonden uit 'de ordening van de arbeid' en 'het handhaven van de bedrijfsvrede'. Dit omvatte alle maatregelen die moesten worden genomen om ongewenste spanningen in de bedrijven te voorkomen: het voeren van een doelmatige loonpolitiek, het vormen van een nieuw arbeidsrecht en het handhaven van een loonstop. Ter uitvoering van zijn taken kon hij beschikkingen uitvaardigen.
Op klachten van de Gemachtigde konden strafbepalingen toegepast worden. Artikel 5.2 van Verordening 114/1942 bepaalde dat de Gemachtigde bij maatregelen van principiële aard verplicht was overleg te plegen met de Leider van het Nederlandsche Arbeidsfront. (Dit was de organisatie waarin de vakverenigingen door de Duitse instanties waren 'verenigd'.)
Ter controle van de uitvoering van verordeningen en beschikkingen was aan het Bureau van de Gemachtigde een staf van 5 hoofdrapporteurs en 50 rapporteurs verbonden. Op 31 december 1943 bestond de totale personeelssterkte van het Bureau uit 225 personen.
Ingevolge artikel 17 van het koninklijk besluit van 17 september 1944, Stb. E 93, houdende vaststelling van het besluit bezettingsmaatregelen werd Verordening 114/1942 buiten werking gesteld 'zodra het grondgebied van het Rijk in Europa door den vijand wordt ontruimd'. Hierbij werd dus ook de functie van Gemachtigde voor den Arbeid opgeheven. Op 5 mei 1945 werd deze ontruiming ingezet. Wanneer de Gemachtigde daadwerkelijk zijn werkzaamheden heeft gestaakt, is niet precies meer na te gaan.
II Het College van Rijksbemiddelaars 1945-1963 en het Loonbureau 1963-1970
Het College van Rijksbemiddelaars werd ingesteld bij koninklijk besluit (KB) van 5 oktober 1945, Stb. F 214, houdende vaststelling van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (BBA 1945).
Dit College bestond niet uit de allereerste 'Rijksbemiddelaars'. De Arbeidsgeschillenwet 1923, Stb.no. 182 kende ook Rijksbemiddelaars: Artikel 1,1e lid van deze wet bepaalde namelijk: 'In elk der districten, waarin het Rijk door Ons verdeeld wordt, of in elk der door Ons aangewezen bedrijven is een Rijksbemiddelaar overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet werkzaam tot bevordering van de vreedzame bijlegging van geschillen over arbeidsaangelegenheden en tot het voorkomen van zodanige geschillen'.
Deze Rijksbemiddelaars bemiddelden dus.
Het BBA 1945 kende aan het College van Rijksbemiddelaars (zoals het in het besluit al werd genoemd) veel grotere bevoegdheden toe. Artikel 12 bepaalde: 'Het College kan, hetzij op verzoek van organisaties van werkgevers en werknemers, hetzij ambtshalve, regelingen van en in verband met de lonen en andere arbeidsvoorwaarden van werknemers bindend vaststellen. Deze regelingen hebben dezelfde rechtskracht als krachtens de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten verbindend verklaarde bepalingen'.
En artikel 14, 1e lid bepaalde: 'Nieuwe collectieve arbeidsovereenkomsten en wijzigingen van bestaande collectieve arbeidsovereenkomsten behoeven de goedkeuring van het College'.
Artikel 15, 1e lid: 'De bevoegdheden, ingevolge de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten toekomende aan Onze minister en de verplichtingen, ingevolge die wet op deze rustende, worden uitgeoefend, onderscheidenlijk vervuld door het College'.
Artikel 16: 'Het College kan binnen het kader van door Onze minister gegeven algemene aan wijzingen met betrekking tot de regeling van lonen en andere arbeidsvoorwaarden richtlijnen vaststellen'.
Als het College een regeling bindend had vastgesteld of een CAO of bepalingen van een CAO algemeen verbindend verklaard had of een richtlijn had vastgesteld, was het de werkgever verboden daarvan af te wijken. Het College kon evenwel dispensatie verlenen (artikel 17).
Volgens artikel 19 van het BBA 1945 was het College verplicht, alvorens een beslissing te nemen krachtens de artikelen 12,14, 15 en 16 het advies in te winnen van de Stichting van de Arbeid. Desgewenst kon het College ook andere publiekrechtelijke organen en andere organisaties advies vragen.
Voor het College werd, krachtens artikel 11, 3e lid van het BBA 1945 bij Ministeriële beschikking van 31 december 1945 een reglement vastgesteld.
De leden van het College werden benoemd door de minister van Sociale Zaken, maar waren geen ambtenaar.
Vanaf de bevrijding van de Duitse bezetting in mei 1945 tot de inwerkingtreding van het BBA 1945 waren tijdelijk Rijksbemiddelaars in functie. Deze waren benoemd op grond van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1944, dat door het BBA 1945 vervallen werd verklaard. Het waren:
- jhr. dr. Ir. W.J.J.J. de Muralt, te Maastricht, aanvankelijk voor het 4e district, later voor het bevrijde gebied;
- mr. Cl. Prinsen, burgemeester van Roosendaal, voor Noord-Brabant;
- M.H.J. Coenders, te Sittard, voor Limburg;
- mr. J.A.H.J. v.d. Dussen, burgemeester van Hengelo voor Gelderland en Overijssel;
- mr. A.A. v.d. Meulen, wethouder van de gemeente Leeuwarden, voor Friesland;
- mr. J.A. Berger, voorzitter van de Raad van Arbeid te Groningen, voor Groningen en Drenthe;
- prof. mr. C.P.M. Romme, te Overveen, voor Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht.
Vanaf 26 november 1944 tot en met 12 oktober 1945 hebben de tijdelijk Rijksbemiddelaars voor hun district, dan wel gezamenlijk voor het hele land beschikkingen van algemene strekking getroffen.
Aanvankelijk was het Bureau van het College gevestigd in het flatgebouw Willemspark aan de Zeestraat te 's-Gravenhage, waar ook het ministerie van Sociale Zaken gevestigd was, maar het werd in augustus 1945 verplaatst naar de Bezuidenhoutseweg 121 te 's-Gravenhage, terwijl ook spoedig enkele villa's in het nabijgelegen Emmapark in gebruik genomen werden.
Het College was in het trotse bezit van een buitendienst: namelijk vier "Inspecteurs van het College van Rijksbemiddelaars". De vier werkgebieden van deze inspecteurs omvatten respectievelijk de provincies:
- I Friesland, Groningen, Drenthe en Overijssel;
- II Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht;
- III Gelderland, Noord-Brabant en Limburg;
- IV Zeeland.
De indeling van deze rayons wisselde nogal eens.
Een vastomschreven taak hadden deze inspecteurs niet. Maar in de praktijk ontwikkelde de taakstelling zich tot de volgende werkzaamheden:
- het verstrekken van inlichtingen aan het College inzake plaatselijke en regionale loon- en andere arbeidsvoorwaarden;
- het verstrekken van voorlichting aan plaatselijke en regionale overheidsinstanties;
- het verstrekken van voorlichting aan en het samenwerken met het bedrijfsleven.
De buitendienst voorzag in een reële behoefte in de periferie. De inspecteurs hadden de bevoegdheid om looncontroles uit te oefenen, welke taak vanaf 1 februari 1950 aan de Loon controledienst werd toebedeeld.
Omdat veel organisaties van werkgevers en werknemers vlak na de 2e Wereldoorlog nog niet waren hersteld kwamen er in de eerste jaren weinig CAO's tot stand. Diverse bindende regelingen werden door het College vastgesteld. Het is hier overigens niet de plaats om in te gaan op de loonpolitiek en de werkzaamheden van het College. Hierover is literatuur aanwezig. Zie hiervoor de literatuuropgave.
In 1962 adviseerde de Sociaal-Economische Raad tot wijziging van het systeem van loonvorming. De wet van 16 januari 1963, houdende een tijdelijke voorziening met betrekking tot het systeem van loonvorming machtigde de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid om bij beschikking af te wijken van de artikelen 12 tot en met 20 van het BBA 1945. (Al deze artikelen hadden betrekking op lonen en andere arbeidsvoorwaarden). De inhoud van de Ministeriële beschikking van 8 maart 1963, in werking getreden op 14 maart 1963, kwam grotendeels overeen met de inhoud van de Wet van 20 juni 1963 tot wijziging van het BBA 1945.
De belangrijkste wijziging betrof de aanwijzing van de Stichting van de Arbeid, in plaats van het College, als het orgaan dat belast werd met de goedkeuring van CAO's. Als de Stichting niet tot overeenstemming kon komen, zou het College de bevoegdheid uitoefenen. Wel had het College het recht de Stichting van de Arbeid te verzoeken een ingediende CAO aan een bijzonder onderzoek te onderwerpen (z.g. "gele lamp") en eventueel de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid te adviseren om, in geval van goedkeuring, bepalingen daarvan onverbindend te verklaren (z.g. "rode lamp").
De bevoegdheid tot het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten kwam weer terug bij de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, na advies daartoe van het College.
Het verbindend verklaren bleef voorbehouden aan het College evenals de bevoegdheid tot het vaststellen van bindende regelingen.
Omdat de Stichting van de Arbeid geen geëigend apparaat bezat om haar nieuwe plichten naar behoren te vervullen, stelde de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid het secretariaat van het College mede ter beschikking van de Stichting van de Arbeid.
De veranderde werkzaamheden werden begonnen op 14 maart 1963. Na een overgangsperiode werd dit secretariaat tot een zelfstandige dienst gemaakt door de beschikking van de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 23 juli 1964, no. 52577, Hoofdafdeling Arbeidsverhoudingen en Bezitsvorming: Instellingsbeschikking Loonbureau.
Het Loonbureau kreeg tot taak:
"...ten dienste van de Stichting (van de Arbeid), van het College (van Rijksbemiddelaars) en van de minister (van Sociale Zaken en Volksgezondheid) werkzaamheden te verrichten, welke deze organen voor de uitvoering van het loonbeleid behoeven".
Als waarborg voor de objectiviteit van het bureau kreeg het een Commissie van Toezicht op het Loonbureau, waarin vertegenwoordigers van alle drie genoemde instanties zitting hadden.
Het Loonbureau onderwierp alle binnenkomende voorstellen met betrekking tot CAO's en bindende regelingen aan een onderzoek, dat zich in de eerste plaats uitstrekte tot de inhoud der voorstellen en de juridische vormgeving daarvan. Ook andere kwesties die voor de toetsende instantie van belang konden zijn, konden aan de orde komen. Tevens werden door het bureau verzoeken tot verlening van dispensaties voorbereid. De bevindingen werden vastgelegd in informatieve notities aan de beleidsorganen.
Verder hield het bureau een documentatie bij van alle CAO's en bindende loonregelingen en van verleende dispensaties.
Medewerking werd verleend aan de kennisgeving c.q. openbaarmaking van de door de beleidsorganen genomen beslissingen: het formuleren ervan, het redigeren van door het College van Rijksbemiddelaars vast te stellen beschikkingen en het verzorgen van de publicatie ervan in de Nederlandse Staatscourant.
Gezien de feitelijke ontwikkeling van de loonkosten in 1966 maakte de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid gebruik van de hem in artikel 18a van het gewijzigde BBA 1945 verleende bevoegdheid en droeg voor de rest van dat jaar de bevoegdheden tot goedkeuring van CAO's weer over aan het College van Rijksbemiddelaars, dat ook in 1967 met die taak belast bleef.
In de periode 1968-1970 werd een nieuw loonpolitiek systeem in een wetsontwerp neergelegd. De wet van 12 februari 1970, houdende regelen met betrekking tot de loonvorming (Wet op de loonvorming) trad in werking op 20 april 1970.
Daar bij deze wet de derde titel van het BBA 1945 (de artikelen 11-20) werd ingetrokken, hield het College van Rijksbemiddelaars op te bestaan.