Het ontstaan van de ambtelijke functies bij een ministerie
Na de instelling van het Koninkrijk der Nederlanden werden de functies die bij ministeries hebben bestaan, vastgelegd in wet- en regelgeving. De functie van secretaris-generaal (SG), de hoogste ambtenaar bij een ministerie, is geformaliseerd door het Koninklijk Besluit van 4 september 1823, nr. 7
Dit KB is te vinden in het Algemeen Rijksarchief: H Bonder. De archieven van de Algemeene Staatssecretarie en van het Kabinet des Konings met de daarbij gedeponeerde archieven 1813-1940, inventarisnummer 1741. Het is ook gepubliceerd in: Verslag der Staatscommissie ingesteld bij Koninklijk Besluit van 10 augustus 1910, nr. 26, 's-Gravenhage. 1912. P. 65-74. Aan dit verslag is veel informatie ontleend voor de beschrijving van de ambtelijke functies tot aan 1912.
. Al voor deze formalisering bestond echter de functie van secretaris-generaal, eerst secretaris genoemd
Zie hiervoor bijvoorbeeld de geschiedenis van het ministerie van Binnenlandse Zaken in: P.G. van IJsselmuiden, Binnenlandse zaken en het ontstaan van de moderne overheidsbureaucratie in Nederland 1813-1940. Kampen, 1988.p. 35 e.v.
. De taak van de SG werd in 1823 als volgt omschreven: "Er zal bij ieder ministerie en bij het Commissariaat-Generaal van Oorlog een Secretaris-Generaal en bij ieder ander departement van algemeen bestuur een Secretaris worden aangesteld die, onder de bevelen van het hoofd van het departement, de directie zal hebben van al hetgeen de bureaux betreft en die, ingeval van ziekte of ander beletsel van het hoofd des departements, dezen tijdelijk zal vervangen, wanneer daaromtrent door Ons niet anders mogt zijn beschikt. Alle ambtenaren der bureaux staan onder zijne bevelen, alleen uitgezonderd de zoodanige, welke bij de departementen, waar administrateurs bestaan, aan dezen tot vaste assistentie zijn aangewezen en welke dus onder de bevelen dier administrateurs zullen werkzaam zijn."
Kern van het besluit van 1823 is de instelling van een algemeen secretaris, de SG, waaraan in beginsel alle ambtenaren ondergeschikt zijn. Voordien bestonden namelijk ook zoodanige commissariaten met commissarissen die belangrijke autonomie hadden en die zich konden terugtrekken aan de macht van direct onder de hoofden van het departement, de ministers. Deze situatie kon tot gevolg hebben dat bij verschil van mening tussen de secretaris en een commissaris, de commissaris zich niets aantrok van de tussen SG en minister gemaakte afspraken. Daarom wordt besloten de commissariaten in 1823 geheel af te schaffen. Naast de secretaris-generaal en de administrateurs konden referendarissen worden aangesteld die het hoofd van het departement van advies dienen. Onder de leiding van de administrateurs konden referendarissen worden aangesteld. Referendarissen krijgen geen ambtenaren onder zich en geven dus geen leiding. Vervolgens bestaat de functie van commies, belast met redactiewerk onder leiding en bevelen van de SG en de administrateurs; de commiezen dienden het doctoraat in beide rechten verkregen te hebben. Ter assistentie van het werk der commiezen konden adjunct- commiezen aangesteld worden. Tot slot zijn er kopisten bij de departementen werkzaam, belast met "het gewoon schrijf- en kopijwerk".
In de na 1823 volgende besluiten worden niet meer de taken en bevoegdheden van de verschillende functionarissen vermeld.
Bij Koninklijk Besluit van 25 mei 1846, no. 66
Eveneens gepubliceerd in het in noot 1 genoemde verslag. P. 86 e.v.
worden de volgende rangen beneden de rang van adjunct-commies ingesteld: eerste klerken, tweede klerken en buitengewoon geëmployeerden. Beneden de rang van bode worden ingesteld de rangen van: assistent-bode, vaste-knechts en buitengewone bedienden.
Uit het Koninklijk Besluit van 31 december 1874 (Stb.231) wordt duidelijk dat onder de rang van tweede klerk bestaan de rangen van: kamerbewaarders, conciërges, boden en assistent-boden en vaste knechts.
Bij Koninklijk Besluit van 9 mei 1906 (Stb. 110) worden de rangen bij de departementen opnieuw vastgesteld. Er bestaan vanaf dat moment achtereenvolgens de rangen: secretaris-generaal, administrateur, referendaris, hoofdcommies, commies, adjunct-commies, eerste klerk, tweede klerk en schrijver op jaarloon; de bedienden worden verdeeld in: kamerbewaarders, conciërges, boden, assistent-boden en vaste-knechts. Vanaf de rang van adjunct-commies worden de ambtenaren bij KB benoemd, de ambtenaren van lagere rang door de ministers.
Naast de vastgestelde rangen bestaan er de rangen die bij individueel koninklijk besluit werden gegeven. Dit geldt bijvoorbeeld de directeuren-generaal en de raadadviseurs.
In 1912 wordt op voorstel van de ministerraad opnieuw naar de departementale organisatie gekeken, door de Commissie-Van Leeuwen. Deze commissie brengt in 1912 uitgebreid verslag uit
Zie noot 1.
. Geconstateerd wordt dat dezelfde situatie zich nu onder de noemer van directeur-generaalschappen; als voorbeeld van zo'n commissie resulteert in hernieuwde vaststelling van de ambtelijke rangen bij Koninklijk Besluit van 21 april 1913 (Stb. 136). De wijzigingen ten opzichte van 1906 zijn: het onderscheid tussen eerste en tweede klerken wordt afgeschaft, evenals de rang van assistent-bode.
De ambtelijke functies bij het ministerie vanaf 1918
In 1918 komt het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren (BBRA) tot stand (Stb. 1918, 541). Hierin worden alle functies vermeld die bij de departementen en alle daaronder ressorterende diensten, instellingen en bedrijven bestaan, met hun bijbehorende bezoldiging op jaarbasis. Het blijkt dat er in 1918 naast de eerdergenoemde algemene departementsrangen bij het ministerie een directeur- generaal van de Arbeidsinspectie bestaat. Het bezoldigingbesluit wordt na 1918 regelmatig gewijzigd
Zie achtereenvolgens de bezoldigingsbesluiten van 1920 (Stb. 37), van 1925 (Stb. 1924, 476), van 1928 (Stb. 1929, 72) van 1934 (Stb. 783) en van 1948 (Stb. 1949, J 261) met de bijbehorende wijzigingsbesluiten. Vergelijk ook het KB van 4 mei 1938 tot vaststelling van bepalingen betreffende de personeelsbezetting bij de departementen van algemeen bestuur (Stb. 140). In dit besluit worden onder andere de ambtenaren verdeeld in drie groepen met de volgende rangen: groep A: schrijver 2e klasse, schrijver 1e klasse, adjunct-commies; groep B: commies en hoofdcommies: groep C: referendaris en administrateur.
en daardoor wordt steeds een beeld gegeven van de bij het ministerie bestaande rangen en functies
Aan de hand van de in noot 5 genoemde wet- en regelgeving is het mogelijk om alle bij het ministerie bestaande functies te reconstrueren. Daaruit wordt bijvoorbeeld duidelijk welke directeuren-generaal er bestonden voor de instelling van de directoraten-generaal als afzonderlijke organisatie-onderdelen.
.
Het rangenstelsel met de sinds 1823 vertrouwde benamingen als commies, referendaris en administrateur, wordt uiteindelijk door inwerkingtreding van het Bezoldigingsbesluit van 1984 (Stb. 1983, 571) per 1 januari 1984 afgeschaft. Vanaf dat moment worden de functiereeksen ingevoerd zoals die ingevolge artikel 5, derde lid van het BBRA 1984 door de minister van Binnenlandse Zaken worden vastgesteld.
Koninklijke Besluiten tot hernieuwde vaststelling van de taak van de SG worden gepubliceerd in 1966 en 1988
Zie Stcrt. 1966, 252 en Stb. 1988, 449. De toelichting op het besluit van 1988 geeft meer uitgebreide informatie over de taak van de secretaris-generaal. Nog uitgebreider wordt de functie en haar geschiedenis beschreven in de nota bij de brief van de minister van Binnenlandse Zaken van 2 november 1966 (G.W.Z., nr. G66/U 115) aan de minister-president, waarbij het ontwerp-KB ter behandeling in de ministerraad werd aangeboden. Zie voorts over het ambt van secretaris-generaal: A. Th. J. te Brake. De positie van de secretaris-generaal. Den Haag, Stichting Gemeenschappelijke Opleiding. 1976 [Litteratuurrapport]; U. Rosenthal, 'De secretaris-generaal: politisering of verambtelijking?', in Acta Politica, Tijdschrift voor politicologie, (augustus 1979); en W. Lemstra, De secretaris-generaal. Een onderzoek naar de rol van de Secretaris-generaal in het overheidsmanagement, Alphen aan den Rijn, Samson H.D. Tjeenk Willink, 1993.
. De taak van de SG wordt in 1988 (bijna gelijk aan de formulering uit 1966) omschreven als: "Bij elk ministerie is een secretaris-generaal
die, met inachtneming van de aanwijzingen van Onze Minister, belast met de leiding van het ministerie, belast is met de ambtelijke leiding van al hetgeen het ministerie betreft". De eerste secretaris-generaal van het ministerie is mr. Dr. A.L. Scholtens
Mr. Dr. A.L. Scholtens wordt benoemd met ingang van 4 oktober 1918 als secretaris-generaal van het ministerie van Arbeid en wordt daarmee in 1933 ook de eerste secretaris-generaal van de taakopvolger: het ministerie van Sociale Zaken. Van hem is geen personeelsdossier aanwezig; deze informatie is ontleend aan het dossier "mr. Dr. A.L. Scholtens-fonds", aanwezig in het archief van de afdeling Organisatie van het ministerie.
.
De functie van plaatsvervangend secretaris-generaal (pSG) bestaat nog niet zo lang
Zie voor de functie van plaatsvervangend secretaris-generaal ook de brief van de Formatiecommissie van 20 december 1983 (nr. FC 83040) aan de minister van Binnenlandse Zaken. Hierin wordt onder andere gesteld dat deze functie ontstaat aan het einde van de jaren zestig bij verschillende departementen , ter ondersteuning van de SG. Twee vormen van pSG-functies zijn te onderscheiden: de pSG die een duidelijk eigen terrein namens de SG voor zijn rekening neemt en de pSG die de SG dagelijks ondersteunt op het gehele terrein van het departement.
. Wel bestaan er verschillende stukken waaruit blijkt dat voor de Tweede Wereldoorlog personeelsleden benoemd werden tot loco-secretaris-generaal
Zie bijvoorbeeld de ondertekening van het arbeidscontract met mr. A.C.M. van de Ven dat is ondertekend door W. Antheunissen als loco-secretaris-generaal. Ook mr. A.M. Engels en mr. J.H. Klatte ondertekenen stukken onder die aanduiding.
; dit was echter geen afzonderlijk bestaande functie en van afzonderlijke aanwijzingsbesluiten is ook niets gevonden.
Uit de stukken blijkt dat na de oorlog de oudste administrateur en afdelingschef tevens de functie van plaatsvervanger van de SG vervult
Zie het dossier van mr. A.M. Engels. In de brief aan de Koningin van 18 november 1948 schrijft de minister: "De heer Engels [...] is in rang de oudste administrateur bij het ministerie, en is uit hoofde hiervan aangewezen als plaatsvervangend secretaris-generaal."
. Bovendien fungeert vanaf
1 september 1946 het hoofd van het Bureau van de secretaris-generaal naast de plaats-vervangend SG als waarnemend SG
Zie vervallen concept van de brief van 3 mei 1949 van de minister aan de minister van Binnenlandse Zaken in het dossier van mr. J.J.Klatte.
. De eerste die in de afzonderlijk bestaande functie van plaatsvervangend secretaris-generaal wordt benoemd is mr. J.P.F.H. Kloppenborg, hoofd van het bureau van de secretaris-generaal.
In 1965 wordt besloten tot de instelling van de functie van een tweede plaatsvervangend- secretaris-generaal. Dit hield verband met de grote belasting van de top van het departement. De functie-scheiding tussen de SG en de twee pSG's loopt parallel met de functiescheidingen tussen de minister en de beide staatssecretarissen: de SG heeft de ambtelijke portefeuille van de minister, de beide pSG's hebben de ambtelijke zorg voor de respectievelijke portefeuilles van de beide staatssecretarissen
Zie hiervoor met name de brief van 28 september 1964 aan de minister van Binnenlandse Zaken, aanwezig in het dossier van drs. H.A.M. Moeskops. Vanaf 15 februari 1950 bestaan er bij het ministerie van Sociale Zaken staatssecretarissen. De een wordt belast met de sector Arbeid (A) en de ander met de sector Volksgezondheid (V). Weer later wordt steeds afzonderlijk bepaald met welke taakgebieden de staatssecretaris(sen) zijn belast.
. Later verdwijnt de functie van tweede plaatsvervangend secretaris-generaal weer. De plaatsvervangend secretaris-generaal wordt later meestal belast met de zorg voor het interne beheer bij het gehele ministerie en hoofd van de centrale en stafdirecties.
Van 1 november 1983 tot 1 januari bestaat bovendien de functie van assistent-secretaris-generaal, welke functionaris speciaal belast wordt met twee grote projecten: "Organisatie-verandering van het ministerie"en "Nieuwbouw ministerie"
Zie hiervoor het dossier van drs. J.I.C.M. Daniëls.
. De functie van directeur-generaal bestaat in ieder geval net zo lang als het ministerie. (Vergelijk ook wat hierover in de eerste paragraaf is vermeld.)
In 1909 werd de eerste directeur-generaal van de Arbeid benoemd. Pas in 1964 worden directoraten-generaal ingesteld als afzonderlijke organisatie-onderdelen met aan het hoofd een directeur-generaal. Een hoofd van een van de afdelingen of directies werd als plaatsvervanger aangewezen. Vanwege de zwaarte van de functie van DG wordt later ook de afzonderlijke functie van plaatsvervangend-directeur-generaal (pDG) ingesteld
In het dossier van mr. P.H.M. Werner wordt in 1946 uitvoerig gecorrespondeerd met de minister van Binnenlandse Zaken over de instelling van de afzonderlijke functie van plaatsvervangend directeur-generaal van het Rijksarbeidsbureau. De instelling van deze functie vond echter toen niet plaats, waarbij verwezen werd naar de slechte toestand van de overheidsfinanciën en het ontbreken bij de meeste directoraten-generaal, (ook bij andere ministeries) van de afzonderlijke functie van plaatsvervangend directeur-generaal.
. In de jaren 1980 wordt in de meeste gevallen een functionele scheiding aangebracht tussen de taken van DG en pDG: de DG heeft de algehele leiding over het directoraat-generaal, de pDG is met name belast met de zorg voor het interne beheer binnen het DG, en treedt daarnaast als vervanger van de DG op.
Het aantal ambtenaren heeft in de loop der tijden zeer gevarieerd. Dit aantal wordt aanvankelijk per departement bij KB vastgesteld. Daarbij wordt aangegeven hoeveel ambtenaren in welke rang door het ministerie mochten worden aangesteld
Zie bijvoorbeeld het KB van 2 mei 1913 (Stb. 172) waarbij de formatie van het departement van Landbouw, Nijverheid en Handel werd bepaald op: vijf administrateurs, 14 referendarissen, 19 hoofdcommiezen, 22 commiezen en 63 adjunct-commiezen en klerken. Aangezien na de instelling van het ministerie van Sociale Zaken in 1993, een dergelijke formatie-vaststelling niet meer bij gepubliceerd KB plaatsvond, worden hier geen gegevens vermeld
.