2.15.56 Inventaris van het archief van de dossiers van personeelsleden van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, ontslagen in de periode (1932) 1933-1991

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Ik heb het begrepen

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Het ontstaan van de ambtelijke functies bij een ministerie

Na de instelling van het Koninkrijk der Nederlanden werden de functies die bij ministeries hebben bestaan, vastgelegd in wet- en regelgeving. De functie van secretaris-generaal (SG), de hoogste ambtenaar bij een ministerie, is geformaliseerd door het Koninklijk Besluit van 4 september 1823, nr. 7
Dit KB is te vinden in het Algemeen Rijksarchief: H Bonder. De archieven van de Algemeene Staatssecretarie en van het Kabinet des Konings met de daarbij gedeponeerde archieven 1813-1940, inventarisnummer 1741. Het is ook gepubliceerd in: Verslag der Staatscommissie ingesteld bij Koninklijk Besluit van 10 augustus 1910, nr. 26, 's-Gravenhage. 1912. P. 65-74. Aan dit verslag is veel informatie ontleend voor de beschrijving van de ambtelijke functies tot aan 1912.
. Al voor deze formalisering bestond echter de functie van secretaris-generaal, eerst secretaris genoemd
Zie hiervoor bijvoorbeeld de geschiedenis van het ministerie van Binnenlandse Zaken in: P.G. van IJsselmuiden, Binnenlandse zaken en het ontstaan van de moderne overheidsbureaucratie in Nederland 1813-1940. Kampen, 1988.p. 35 e.v.
. De taak van de SG werd in 1823 als volgt omschreven: "Er zal bij ieder ministerie en bij het Commissariaat-Generaal van Oorlog een Secretaris-Generaal en bij ieder ander departement van algemeen bestuur een Secretaris worden aangesteld die, onder de bevelen van het hoofd van het departement, de directie zal hebben van al hetgeen de bureaux betreft en die, ingeval van ziekte of ander beletsel van het hoofd des departements, dezen tijdelijk zal vervangen, wanneer daaromtrent door Ons niet anders mogt zijn beschikt. Alle ambtenaren der bureaux staan onder zijne bevelen, alleen uitgezonderd de zoodanige, welke bij de departementen, waar administrateurs bestaan, aan dezen tot vaste assistentie zijn aangewezen en welke dus onder de bevelen dier administrateurs zullen werkzaam zijn."
Kern van het besluit van 1823 is de instelling van een algemeen secretaris, de SG, waaraan in beginsel alle ambtenaren ondergeschikt zijn. Voordien bestonden namelijk ook zoodanige commissariaten met commissarissen die belangrijke autonomie hadden en die zich konden terugtrekken aan de macht van direct onder de hoofden van het departement, de ministers. Deze situatie kon tot gevolg hebben dat bij verschil van mening tussen de secretaris en een commissaris, de commissaris zich niets aantrok van de tussen SG en minister gemaakte afspraken. Daarom wordt besloten de commissariaten in 1823 geheel af te schaffen. Naast de secretaris-generaal en de administrateurs konden referendarissen worden aangesteld die het hoofd van het departement van advies dienen. Onder de leiding van de administrateurs konden referendarissen worden aangesteld. Referendarissen krijgen geen ambtenaren onder zich en geven dus geen leiding. Vervolgens bestaat de functie van commies, belast met redactiewerk onder leiding en bevelen van de SG en de administrateurs; de commiezen dienden het doctoraat in beide rechten verkregen te hebben. Ter assistentie van het werk der commiezen konden adjunct- commiezen aangesteld worden. Tot slot zijn er kopisten bij de departementen werkzaam, belast met "het gewoon schrijf- en kopijwerk".
In de na 1823 volgende besluiten worden niet meer de taken en bevoegdheden van de verschillende functionarissen vermeld.
Bij Koninklijk Besluit van 25 mei 1846, no. 66
Eveneens gepubliceerd in het in noot 1 genoemde verslag. P. 86 e.v.
worden de volgende rangen beneden de rang van adjunct-commies ingesteld: eerste klerken, tweede klerken en buitengewoon geëmployeerden. Beneden de rang van bode worden ingesteld de rangen van: assistent-bode, vaste-knechts en buitengewone bedienden.
Uit het Koninklijk Besluit van 31 december 1874 (Stb.231) wordt duidelijk dat onder de rang van tweede klerk bestaan de rangen van: kamerbewaarders, conciërges, boden en assistent-boden en vaste knechts.
Bij Koninklijk Besluit van 9 mei 1906 (Stb. 110) worden de rangen bij de departementen opnieuw vastgesteld. Er bestaan vanaf dat moment achtereenvolgens de rangen: secretaris-generaal, administrateur, referendaris, hoofdcommies, commies, adjunct-commies, eerste klerk, tweede klerk en schrijver op jaarloon; de bedienden worden verdeeld in: kamerbewaarders, conciërges, boden, assistent-boden en vaste-knechts. Vanaf de rang van adjunct-commies worden de ambtenaren bij KB benoemd, de ambtenaren van lagere rang door de ministers.
Naast de vastgestelde rangen bestaan er de rangen die bij individueel koninklijk besluit werden gegeven. Dit geldt bijvoorbeeld de directeuren-generaal en de raadadviseurs.
In 1912 wordt op voorstel van de ministerraad opnieuw naar de departementale organisatie gekeken, door de Commissie-Van Leeuwen. Deze commissie brengt in 1912 uitgebreid verslag uit
Zie noot 1.
. Geconstateerd wordt dat dezelfde situatie zich nu onder de noemer van directeur-generaalschappen; als voorbeeld van zo'n commissie resulteert in hernieuwde vaststelling van de ambtelijke rangen bij Koninklijk Besluit van 21 april 1913 (Stb. 136). De wijzigingen ten opzichte van 1906 zijn: het onderscheid tussen eerste en tweede klerken wordt afgeschaft, evenals de rang van assistent-bode.

De ambtelijke functies bij het ministerie vanaf 1918

In 1918 komt het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren (BBRA) tot stand (Stb. 1918, 541). Hierin worden alle functies vermeld die bij de departementen en alle daaronder ressorterende diensten, instellingen en bedrijven bestaan, met hun bijbehorende bezoldiging op jaarbasis. Het blijkt dat er in 1918 naast de eerdergenoemde algemene departementsrangen bij het ministerie een directeur- generaal van de Arbeidsinspectie bestaat. Het bezoldigingbesluit wordt na 1918 regelmatig gewijzigd
Zie achtereenvolgens de bezoldigingsbesluiten van 1920 (Stb. 37), van 1925 (Stb. 1924, 476), van 1928 (Stb. 1929, 72) van 1934 (Stb. 783) en van 1948 (Stb. 1949, J 261) met de bijbehorende wijzigingsbesluiten. Vergelijk ook het KB van 4 mei 1938 tot vaststelling van bepalingen betreffende de personeelsbezetting bij de departementen van algemeen bestuur (Stb. 140). In dit besluit worden onder andere de ambtenaren verdeeld in drie groepen met de volgende rangen: groep A: schrijver 2e klasse, schrijver 1e klasse, adjunct-commies; groep B: commies en hoofdcommies: groep C: referendaris en administrateur.
en daardoor wordt steeds een beeld gegeven van de bij het ministerie bestaande rangen en functies
Aan de hand van de in noot 5 genoemde wet- en regelgeving is het mogelijk om alle bij het ministerie bestaande functies te reconstrueren. Daaruit wordt bijvoorbeeld duidelijk welke directeuren-generaal er bestonden voor de instelling van de directoraten-generaal als afzonderlijke organisatie-onderdelen.
.
Het rangenstelsel met de sinds 1823 vertrouwde benamingen als commies, referendaris en administrateur, wordt uiteindelijk door inwerkingtreding van het Bezoldigingsbesluit van 1984 (Stb. 1983, 571) per 1 januari 1984 afgeschaft. Vanaf dat moment worden de functiereeksen ingevoerd zoals die ingevolge artikel 5, derde lid van het BBRA 1984 door de minister van Binnenlandse Zaken worden vastgesteld.
Koninklijke Besluiten tot hernieuwde vaststelling van de taak van de SG worden gepubliceerd in 1966 en 1988
Zie Stcrt. 1966, 252 en Stb. 1988, 449. De toelichting op het besluit van 1988 geeft meer uitgebreide informatie over de taak van de secretaris-generaal. Nog uitgebreider wordt de functie en haar geschiedenis beschreven in de nota bij de brief van de minister van Binnenlandse Zaken van 2 november 1966 (G.W.Z., nr. G66/U 115) aan de minister-president, waarbij het ontwerp-KB ter behandeling in de ministerraad werd aangeboden. Zie voorts over het ambt van secretaris-generaal: A. Th. J. te Brake. De positie van de secretaris-generaal. Den Haag, Stichting Gemeenschappelijke Opleiding. 1976 [Litteratuurrapport]; U. Rosenthal, 'De secretaris-generaal: politisering of verambtelijking?', in Acta Politica, Tijdschrift voor politicologie, (augustus 1979); en W. Lemstra, De secretaris-generaal. Een onderzoek naar de rol van de Secretaris-generaal in het overheidsmanagement, Alphen aan den Rijn, Samson H.D. Tjeenk Willink, 1993.
. De taak van de SG wordt in 1988 (bijna gelijk aan de formulering uit 1966) omschreven als: "Bij elk ministerie is een secretaris-generaal
die, met inachtneming van de aanwijzingen van Onze Minister, belast met de leiding van het ministerie, belast is met de ambtelijke leiding van al hetgeen het ministerie betreft". De eerste secretaris-generaal van het ministerie is mr. Dr. A.L. Scholtens
Mr. Dr. A.L. Scholtens wordt benoemd met ingang van 4 oktober 1918 als secretaris-generaal van het ministerie van Arbeid en wordt daarmee in 1933 ook de eerste secretaris-generaal van de taakopvolger: het ministerie van Sociale Zaken. Van hem is geen personeelsdossier aanwezig; deze informatie is ontleend aan het dossier "mr. Dr. A.L. Scholtens-fonds", aanwezig in het archief van de afdeling Organisatie van het ministerie.
.
De functie van plaatsvervangend secretaris-generaal (pSG) bestaat nog niet zo lang
Zie voor de functie van plaatsvervangend secretaris-generaal ook de brief van de Formatiecommissie van 20 december 1983 (nr. FC 83040) aan de minister van Binnenlandse Zaken. Hierin wordt onder andere gesteld dat deze functie ontstaat aan het einde van de jaren zestig bij verschillende departementen , ter ondersteuning van de SG. Twee vormen van pSG-functies zijn te onderscheiden: de pSG die een duidelijk eigen terrein namens de SG voor zijn rekening neemt en de pSG die de SG dagelijks ondersteunt op het gehele terrein van het departement.
. Wel bestaan er verschillende stukken waaruit blijkt dat voor de Tweede Wereldoorlog personeelsleden benoemd werden tot loco-secretaris-generaal
Zie bijvoorbeeld de ondertekening van het arbeidscontract met mr. A.C.M. van de Ven dat is ondertekend door W. Antheunissen als loco-secretaris-generaal. Ook mr. A.M. Engels en mr. J.H. Klatte ondertekenen stukken onder die aanduiding.
; dit was echter geen afzonderlijk bestaande functie en van afzonderlijke aanwijzingsbesluiten is ook niets gevonden.
Uit de stukken blijkt dat na de oorlog de oudste administrateur en afdelingschef tevens de functie van plaatsvervanger van de SG vervult
Zie het dossier van mr. A.M. Engels. In de brief aan de Koningin van 18 november 1948 schrijft de minister: "De heer Engels [...] is in rang de oudste administrateur bij het ministerie, en is uit hoofde hiervan aangewezen als plaatsvervangend secretaris-generaal."
. Bovendien fungeert vanaf
1 september 1946 het hoofd van het Bureau van de secretaris-generaal naast de plaats-vervangend SG als waarnemend SG
Zie vervallen concept van de brief van 3 mei 1949 van de minister aan de minister van Binnenlandse Zaken in het dossier van mr. J.J.Klatte.
. De eerste die in de afzonderlijk bestaande functie van plaatsvervangend secretaris-generaal wordt benoemd is mr. J.P.F.H. Kloppenborg, hoofd van het bureau van de secretaris-generaal.
In 1965 wordt besloten tot de instelling van de functie van een tweede plaatsvervangend- secretaris-generaal. Dit hield verband met de grote belasting van de top van het departement. De functie-scheiding tussen de SG en de twee pSG's loopt parallel met de functiescheidingen tussen de minister en de beide staatssecretarissen: de SG heeft de ambtelijke portefeuille van de minister, de beide pSG's hebben de ambtelijke zorg voor de respectievelijke portefeuilles van de beide staatssecretarissen
Zie hiervoor met name de brief van 28 september 1964 aan de minister van Binnenlandse Zaken, aanwezig in het dossier van drs. H.A.M. Moeskops. Vanaf 15 februari 1950 bestaan er bij het ministerie van Sociale Zaken staatssecretarissen. De een wordt belast met de sector Arbeid (A) en de ander met de sector Volksgezondheid (V). Weer later wordt steeds afzonderlijk bepaald met welke taakgebieden de staatssecretaris(sen) zijn belast.
. Later verdwijnt de functie van tweede plaatsvervangend secretaris-generaal weer. De plaatsvervangend secretaris-generaal wordt later meestal belast met de zorg voor het interne beheer bij het gehele ministerie en hoofd van de centrale en stafdirecties.
Van 1 november 1983 tot 1 januari bestaat bovendien de functie van assistent-secretaris-generaal, welke functionaris speciaal belast wordt met twee grote projecten: "Organisatie-verandering van het ministerie"en "Nieuwbouw ministerie"
Zie hiervoor het dossier van drs. J.I.C.M. Daniëls.
. De functie van directeur-generaal bestaat in ieder geval net zo lang als het ministerie. (Vergelijk ook wat hierover in de eerste paragraaf is vermeld.)
In 1909 werd de eerste directeur-generaal van de Arbeid benoemd. Pas in 1964 worden directoraten-generaal ingesteld als afzonderlijke organisatie-onderdelen met aan het hoofd een directeur-generaal. Een hoofd van een van de afdelingen of directies werd als plaatsvervanger aangewezen. Vanwege de zwaarte van de functie van DG wordt later ook de afzonderlijke functie van plaatsvervangend-directeur-generaal (pDG) ingesteld
In het dossier van mr. P.H.M. Werner wordt in 1946 uitvoerig gecorrespondeerd met de minister van Binnenlandse Zaken over de instelling van de afzonderlijke functie van plaatsvervangend directeur-generaal van het Rijksarbeidsbureau. De instelling van deze functie vond echter toen niet plaats, waarbij verwezen werd naar de slechte toestand van de overheidsfinanciën en het ontbreken bij de meeste directoraten-generaal, (ook bij andere ministeries) van de afzonderlijke functie van plaatsvervangend directeur-generaal.
. In de jaren 1980 wordt in de meeste gevallen een functionele scheiding aangebracht tussen de taken van DG en pDG: de DG heeft de algehele leiding over het directoraat-generaal, de pDG is met name belast met de zorg voor het interne beheer binnen het DG, en treedt daarnaast als vervanger van de DG op.
Het aantal ambtenaren heeft in de loop der tijden zeer gevarieerd. Dit aantal wordt aanvankelijk per departement bij KB vastgesteld. Daarbij wordt aangegeven hoeveel ambtenaren in welke rang door het ministerie mochten worden aangesteld
Zie bijvoorbeeld het KB van 2 mei 1913 (Stb. 172) waarbij de formatie van het departement van Landbouw, Nijverheid en Handel werd bepaald op: vijf administrateurs, 14 referendarissen, 19 hoofdcommiezen, 22 commiezen en 63 adjunct-commiezen en klerken. Aangezien na de instelling van het ministerie van Sociale Zaken in 1993, een dergelijke formatie-vaststelling niet meer bij gepubliceerd KB plaatsvond, worden hier geen gegevens vermeld
.

Overzicht van Ministers, staatssecretarissen en functionarissen

Ministers van Sociale Zaken (ingesteld 8 juni 1933)
 
  • Vanaf 15 september 1951: Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid.
  • Vanaf 6 juli 1971: Ministerie van Sociale Zaken.
  • Vanaf 11 september 1981: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
 
dr. J.R. Slotemaker de Bruïne 12 juni 1933 31 juli 1935
mr. M. Slingenberg 31 juli 1935 24 juni 1937
mr. C.P.M. Romme 24 juni 1937 25 juli 1939
dr. ir. M.H. Damme 25 juli 1939 10 augustus 1939
dr. J. van den Tempel 10 augustus 1939 23 februari 1945
ir. F.C.M. Wijffels 23 februari 1945 24 juni 1945
W. Drees 24 juni 1945 07 augustus 1948
mr. A.M. Joekes 07 augustus 1948 02 september 1952
J.G. Suurhof 02 september 1952 22 december 1958
dr. L.J.M. Beel 22 december 1958 19 mei 1959
mr. dr. Ch. J.M.A. van Rooy 19 mei 1959 03 juli 1961
dr. G.M.J. Veldkamp 17 juli 1961 05 april 1967
B. Roolvink 05 april 1967 06 juli 1971
drs. J. Boersma 06 juli 1971 19 december 1977
dr. W. Albeda 19 december 1977 11 september 1981
drs. J.M. den Uyl 11 september 1981 29 mei 1982
L. de Graaf 29 mei 1982 04 november 1982
drs. J. de Koning 04 november 1982 07 november 1989
dr. B. de Vries 07 november 1989
 
Staatssecretarissen
mr. dr. A.A. van Rhijn (A) 15 februari 1950 22 december 1958
dr. P. Muntendam (V) 01 april 1950 01 oktober 1953
B. Roolvink 15 juni 1959 24 juli 1963
dr. A.J.H. Bartels 03 september 05 april 1967
dr. J.F.G.M. de Meijer 15 november 1963 05 april 1967
dr. R.H.K. Kruisinga 18 april 1967 06 juli 1971
mr. J.G. Rietkerk 28 juli 1971 23 april 1973
P.J.J. Mertens 11 mei 1973 19 december 1977
L. de Graaf 28 december 1977 11 september 1981
05 november 1982 07 november 1989
mw. drs. H. d'Ancona 11 september 1981 29 mei 1982
mw. Drs. C.I. Dales 11 september 1981 29 mei 1982
P.H. van Zeil 12 juni 1982 04 november 1982
mw. mr. A. Kappeyne v.d. Copello 08 november 1982 14 juli 1986
mw. Drs. E. ter Veld 07 november 1989 04 juni 1993
 
Secretaris-Generaal
mr. dr. A.L. Scholtens 04 oktober 1918 15 juli 1945
ir. R.A. Verwey (waarnemend) 23 augustus 1940 05 mei 1945
mr. dr. A.A. van Rhijn 15 juli 1945 15 februari 1950
mr. J.H. Klatte (fungerend) 15 februari 1950 01 februari 1953
mr. J.H. Klatte 01 februari 1953 01 maart 1969
mr. A.D. Kuiper 01maart 1969 01 mei 1972
dr. W.A. van den Berg 01 april 1972 11 december 1985
drs. S. Miedema 01 januari 1986 01 april 1991
H.J. Th. M. de Maat-Koolen 01 april 1991 heden
 
Paatsvervangend Secretaris-Generaal
mr. A.M. Engels 06 mei 1945 01 juli 1950
mr. J.H. Klatte 01 september 1946 15 februari 1950
mr. J.P.F.H. Kloppenborg 01 januari 1952 01 oktober 1971
drs. H.A.M. Moeskops 15 maart 1965 01 mei 1976
J.P. Verheul 01 mei 1975 01 december 1989
H.J.Th. M. de Maat-Koolen 01 mei 1989 01 april 1991
 
Assistent-Secretaris-Generaal
drs. J.I.C.M. Daniëls 01 november 1983 01 januari 1991
 
Directeur-Generaal Algemene Beleidsaangelegenheden
drs. L.A. Ph. van der Leij 01 september 1964 01 mei 1984
drs. H.J. Brouwer 01 maart 1984 01 januari 1990
 
Directeur-Generaal van de Arbeid
C.J.Ph. Zaalberg (waarnemend) 25 oktober 1918 15 mei 1920
C.J.Ph. Zaalberg 15 mei 1920 27 augustus 1932
dr. Ir. A.H.W. Hacke 27 augustus 1932 07 juli 1948
ir. Z. Th. Fetter 01 oktober 1946 01 september 1953
mr. P.H. Valentgoed 01 september 1953 01 april 1968
ir. W.C. Reij 01 april 1968 01 november 1971
ir. M.H. Steenbergen 01 november 1971 01 juli 1975
ir. A.J. de Roos 01 juli 1975
 
Directeur-Generaal van het Rijksarbeidsbureau/Directeur-Generaal voor de Arbeidsvoorziening (vanaf 1 juli 1954)
J.A. Knetsch (waarnemend) 01 september 1942 01 augustus 1945
A.N. van Mill 01 augustus 1945 01 april 1954
dr.ir. D.R. Mansholt (waarnemend) 13 april 1954 01 juli 1954
dr.ir. D.R. Mansholt 01 juli 1954 27 februari 1967
mr. Th. J. van der Peijl 01 mei 1967 01 november 1972
mr. W.A. Renardel de Lavalette 01 november 1972 01 oktober 1983
mr. F.A.H.M. Kruse 01 juli 1983 01 november 1989
 
Directeur-Generaal voor Internationale Zaken (Dit directoraat-generaal werd opgeheven per 1 april 1973)
drs. J.H.W. Hoogwater 01 oktober 1965 01 april 1978
 
Directeur-Generaal voor Sociale Voorzieningen (en Arbeidsverhoudingen)/Directeur-Generaal Sociale Zekerheid
mr. dr. L.P. van der Does 01 januari 1943 01 september 1948
mr. A.C.M. van de Ven 01 januari 1962 01 februari 1973
drs. L. Lamers 01 januari 1973 01 maart 1985
drs. F.W.M. Hol 01 januari 1985 01 oktober 1993
 
Directeur-Generaal voor de Volksgezondheid
dr. Cornelis van den Berg 01 mei 1936 01 mei 1957
dr. P. Muntendam 15 februari 1950 01 oktober 1964
P.L. Stal 01 oktober 1964 01 juni 1965

Geschiedenis van het archiefbeheer

De verwerving van het archief

Het archief is krachtens bepalingen van de Archiefwet overgebracht.