2.16.04.01 Inventaris van het archief van het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie (PTT): Hoofdbestuur, (1893) 1927-1939 (1953)

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Ik heb het begrepen

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Ontstaansgeschiedenis van het Hoofdbestuur der Posterijen en Telegrafie

In 1877 gingen twee afzonderlijke departementsafdelingen, nl. de Postdienst (departement van Financiën) en de Telegraafdienst (departement van Binnenlandse Zaken) over naar het departement van Waterstaat, Handel en Nijverheid. Deze twee afdelingen werden in 1886 samengevoegd tot één afdeling Posterijen.
In 1893 werd deze afdeling Posterijen (met haar onderafdelingen Post en Telegrafie
De dienst der Posterijen en Telegrafie werd in 1913 Staatsbedrijf der Posterijen en Telegrafie; pas in 1928 werd de Telefonie officieel aan de titulatuur toegevoegd.
) losgemaakt uit het departementale verband. Voortaan vormden de Posterijen een zelfstandige organisatie met aan het hoofd een Directeur-Generaal. De eerste Directeur-Generaal werd J.P. Havelaar, een voormalig minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid. De centrale administratie kreeg de naam "Hoofdbestuur der Posterijen en Telegrafie".
De Directeur-Generaal werd hoofd van het bedrijf onder de bevelen van de Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, maar zonder direct verband met het ministerie. De Posterijen en Telegrafie bleven echter wel deel uitmaken van de departementsbegroting. Al vanaf 1893 bleek dat het Hoofdbestuur in zijn bedrijfsvoering vaak te zeer beperkt werd door de bemoeienis van minister en parlement. Na uitvoerige parlementaire discussie werden de Posterijen en Telegrafie bij wet (Stbl. nr. 464, 1913) aangewezen tot Staatsbedrijf met een afzonderlijke begroting, die echter beperkt bleef tot een raming van inkomsten en uitgaven. Deze wet trad per 1 januari 1915 in werking.
De bedrijfsvoering van het Staatsbedrijf bleef in de komende jaren steeds een punt van discussie en in de jaren 1923-1925 werden dan ook diverse commissies ingesteld die tot doel hadden het functioneren van de posterijen en telegrafie te bestuderen en eventueel te verbeteren. Deze commissies waren: de commissie Nolting (1923-1925, m.b.t. de reorganisatie van de Algemene Dienst), de tweede commissie Nolting (1923-1925, m.b.t. de organisatie van de Technische Dienst) en de commissie van Royen (1924-1925, m.b.t. de reorganisatie van het Hoofdbestuur). In de adviezen van deze commissies werd vooral gepleit voor een zelfstandiger bedrijfsvoering, een andere begrotingsprocedure en het bezit van eigen kasmiddelen.
Met ingang van 1 juni 1925 werd M.H. Damme aangesteld tot Directeur-generaal. Onder zijn leiding maakten de Posterijen, Telegrafie en Telefonie een verdere ontwikkeling door van staatsdienst tot Staatsbedrijf. Zo vond in de periode 1925-1927 een reorganisatie plaats van de centrale bedrijfsboekhouding. Door de totstandkoming van de Comptabiliteitswet in 1927 en de Aanwijzingswet van 1928 werd het voor de PTT mogelijk om een commerciële bedrijfsboekhouding te voeren en werd de PTT aangewezen als Staatsbedrijf. Vanaf 1929 had de PTT een eigen bedrijfsbegroting, die onder toezicht van de Algemene Rekenkamer stond.
In 1929 werd ook een eigen persdienst ingesteld (de Pers- en Propaganda Dienst, kortweg PPD). Zijn taken waren het onderhouden van contacten met de dagbladpers, het voorlichten van het publiek omtrent genomen of te nemen maatregelen en bekendmaking van het bedrijf en zijn onderdelen door gepaste propaganda. Daarnaast werd in 1928 de Kantoormachinecentrale opgericht.
Deze centrale viel onder de Technische Dienst en was belast met aanschaf en onderhoud van alle kantoormachines ten behoeve van de Staat, en met advisering hierover. In hetzelfde jaar werd een Rijkskledingdienst opgericht, welke belast werd met de verzorging van dienstkleding van burgerlijke Rijksambtenaren.
Bij Koninklijk Besluit van 11 maart 1929 (Stbl. no. 74) kwam het Organiek Besluit PTT 1928 tot stand. Dit vormde in de komende jaren de grondslag voor het Staatsbedrijf der PTT. De besluiten en beschikkingen uit het Organiek Besluit vereenvoudigden de organisatie: van de bestaande 83 groepen van exploitatieve ambtenaren met verschillende bevoegdheden (ondergebracht in 56 rangen) werden er 29 groepen gemaakt, overeenkomend met evenzovele rangen.
De bedrijfsleiding kreeg meer vrijheid, onder andere bij het bezetten van de belangrijkste functies. Het personeel van het Hoofdbestuur kwam in het algemeen onder dezelfde dienstvoorwaarden als het personeel van de exploitatieve en technische dienst.
De eerste helft van de jaren dertig stond in het teken van de algehele economische depressie, waardoor ook de PTT gedwongen werd tot bezuinigingen en inkrimping van personeel. In 1932 en 1933 daalden de opbrengsten van het Staatsbedrijf. De Posterijen, Telegrafie en Telefonie brachten in 1932 respectievelijk bijna 3 miljoen, bijna 1 miljoen en f235.000 minder op dan in het voorgaande jaar. Alleen de girodienst boekte een grotere opbrengst van f700.000. Lichtpuntjes waren de stijging van het luchtpostvervoer en de blijvende toename van het aantal telefoonaansluitingen. Onder leiding van Directeur-generaal M.H. Damme werd zoveel mogelijk de ontwikkeling van de PTT naar een commercieel bedrijf voortgezet.

De organisatie van het Hoofdbestuur, 1893-1939

Voor de leiding en exploitatie van de dienst had de Directeur-Generaal in de beginjaren van het Hoofdbestuur de beschikking over drie hoofdambtenaren, te weten een hoofdinspecteur Posterijen, een hoofdinspecteur Telegrafie en een hoofdingenieur Telegrafie. In 1919 kwam daar nog een hoofdinspecteur Telefonie bij. De hoofdinspecteurs oefenden algemeen toezicht uit op de exploitatie van een der dienstonderdelen en dienden de Directeur-Generaal van advies. De hoofdingenieur Telegrafie was belast met de technische kant van de telegrafie en later ook de telefonie.
Voor zaken die nauw verband hielden met de departementsdienst werd een administrateur aangesteld. Later werd deze administrateur een meer direct ondersteunende ambtenaar voor de Directeur-Generaal en werd de functiebenaming veranderd in Algemeen Secretaris (1920).
Het Hoofdbestuur werd in 1897 verdeeld in 10 afdelingen, waarvan sommige weer gesplitst werden in burelen. In 1904 werden de afdelingen gereorganiseerd en kwamen er twee bij. Daarnaast werden in 1897 de afzonderlijke inspectie-afdelingen opgeheven en kwamen er 10 (later 12) afdelingen onder inspecteurs voor zowel de posterijen als de telegrafie.
Een van de taken van de eerste Directeur-Generaal was het vormen van een eenheid uit de voorheen afzonderlijke takken der Posterijen en Telegrafie. Dit werd onder meer bereikt door het samenstellen van een gezamenlijk ambtenarenkorps en het uitbreiden van de verenigde kantoren.
Met betrekking tot personeelsaangelegenheden functioneerden er vanaf 1918 een Commissie van Beroep en een Commissie van Overleg. De Commissie van Beroep had tot taak advies uit te brengen aan de Minister m.b.t. strafoplegging aan PTT-ambtenaren. In de Commissie van Overleg vond het overleg plaats tussen vertegenwoordigers van de vakverenigingen en het PTT-bedrijf. In de loop der jaren werden er nog meer commissies ingesteld, waarvan de Raad van Bijstand en de Commissie van Advies de belangrijkste adviescommissies waren. De Raad van Bijstand (1911-1919) bestond uit vier hoofdambtenaren en bracht onder voorzitterschap van de Administrateur op verzoek van de Directeur-Generaal advies uit over diverse onderwerpen. De Commissie van Advies (1920-1927) bracht advies uit aan de Minister over onderwerpen die door de Minister, de Directeur-Generaal of de commissieleden voorgelegd werden. In de commissie namen ook niet-PTT-ers zitting; zo waren er twee vertegenwoordigers uit het parlement, twee uit handel en nijverheid en twee uit het bedrijfspersoneel. De commissie werd voorgezeten door de Directeur-Generaal.
De jaren 1923-1925 waren belangrijk voor het Staatsbedrijf vanwege de activiteiten van de twee commissies Nolting én de commissie van Royen, die grote invloed uitoefenden op de organisatie van het bedrijf. De organisatie van de Algemene Dienst en van de Technische Dienst werd onderzocht door twee commissies onder voorzitterschap van de Directeur-Generaal, W.D. Nolting. De belangrijkste aanbevelingen van de commissies hadden betrekking op grotere zelfstandigheid ten aanzien van het handelen van het Staatsbedrijf, zowel op financieel gebied als met betrekking tot het personeelsbeleid.
Onder voorzitterschap van de toenmalige Algemeen Secretaris J.F. van Royen kreeg de gelijknamige commissie in 1924 als taak het uitbrengen van advies over een doelmatige indeling van het Hoofdbestuur. Door deze commissie werden onder andere voorstellen gedaan voor het verbeteren van de financiële verhouding tussen de PTT en de staat; ook werd voorgesteld om van een eenhoofdige leiding over te stappen op een directieraad, dit gebeurde echter niet.
Verder werd een nieuwe indeling van de Hoofdbestuursafdelingen vastgesteld:
  • Afd. 1 Algemeen Secretariaat (3 burelen)
  • Afd. 2 Telegraafdienst (3 burelen)
  • Afd. 3 Telefoondienst (4 burelen)
  • Afd. 4 Postdienst (5 burelen)
  • Afd. 5 Technische Dienst (in de periode 13-08-1918 t/m 01-08-1943 werd de Technische Dienst als zelfstandige directie beschouwd, ervoor en erna vormde de dienst een integraal onderdeel van het Hoofdbestuur)
  • Afd. 6 Personeel (3 burelen)
  • Afd. 7 Comptabiliteit (3 burelen)
  • Afd. 8 Materieel (2 burelen)
Het totaal aantal bij het Hoofdbestuur werkzame ambtenaren was 336. In 1931 steeg het als gevolg van nieuwe reglementering het aantal ambtenaren bij het Staatsbedrijf der PTT met 900 en kwam er een nieuwe D.A.P.T.T. (Dienstvoorwaarden voor Ambtenaren bij het Staatsbedrijf der PTT) tot stand (KB d.d. 27 aug. 1931).
In 1929 werd de 5e afdeling bestemd voor Radiotelegrafie, Radiotelefonie en Radio-omroep en in 1930 kwamen er twee Hoofdbestuursafdelingen bij, te weten afd. 9: Economische en Algemene Zaken en afd. 10: Arbeid. In de daarop volgende jaren was het aantal afdelingen en burelen steeds aan kleine veranderingen onderhevig, zonder dat er ingrijpende wijzigingen werden aangebracht.
Naast deze afdelingen bestonden er nog diverse commissies en diensten, die rechtstreeks onder de bevoegdheid van de Directeur-Generaal vielen. Ook werden PTT-activiteiten soms in stichtingen ondergebracht. Zo werd in 1929 "Het Nederlandse Postmuseum" opgericht en werden er twee stichtingen in het leven geroepen ter behartiging van de belangen van PTT-medewerkers en hun gezinnen: het Kinderfonds PTT (1927) en het Personeelsfonds PTT (1932). Een voorbeeld van een afzonderlijke dienst was het Psychotechnisch Laboratorium, in 1930 opgericht onder leiding van mevr. dr. R.A. Biegel.

PCGD en RPS

De Postcheque- en Girodienst werd in 1918 opgericht als onderdeel van het Staatsbedrijf der PTT maar functioneerde zelfstandig, met een eigen directeur (M.G. de Bloeme). Tot 1923 werd de dienst zeer gedecentraliseerd uitgevoerd op de grotere postkantoren. Om kosten te besparen en efficiënter te kunnen werken werd de dienst in 1923 gecentraliseerd en gemechaniseerd. Op 4 oktober 1923 werd de dienst echter gesloten vanwege de verregaande problemen die optraden bij de abrupte overgang op het nieuwe systeem. De sluiting van de dienst duurde tot 4 oktober 1924 en bezorgde de PTT veel klachten. Na de wederopenstelling van de PCGD groeide de dienst echter weer voorspoedig. De Rijkspostspaarbank functioneerde reeds sinds 1881 zelfstandig, met gebruikmaking van de postkantoren voor de uitvoerende dienst. In 1942 werd de RPS een onderdeel van de PTT (net zoals de PCGD, met een eigen directeur) maar in 1954 ontstond alweer een andere situatie; de RPS werd een zelfstandig rechtspersoon, het beheer werd opgedragen aan PTT.

Postraad en PTT-raad

De in 1927 ingestelde Postraad had tot doel het tot stand brengen van een nauwer contact tussen het PTT-bedrijf en het publiek en kon hiertoe, gevraagd of ongevraagd, advies geven aan de minister en de Directeur-Generaal. De Postraad bestond uit hoogstens negen leden, afkomstig uit verschillende maatschappelijke groeperingen. In dit opzicht stond de Postraad dichter bij het publiek dan zijn voorganger, de Commissie van Advies.
De in 1954 bij wet opgerichte PTT-raad had als opvolger van de Postraad een breder werkterrein. Naast het adviseren van minister en Directeur-Generaal op maatschappelijk terrein oefende de PTT-raad ook toezicht uit op het beheer van de RPS, kon er advies gegeven worden over de dienstuitvoering van het Staatsbedrijf der PTT én fungeerde de PTT-raad als overlegorgaan tussen de PTT en de gebruikers van haar diensten. De raad telde 20 tot 29 leden, had een college van 6 gedelegeerden als dagelijks bestuur en bestond landelijk uit 6 tot 15 PTT-kamers.

De organisatie van het Hoofdbestuur, 1940-1955

In de oorlogsjaren werd de controle over het departement van Binnenlandse Zaken opgedragen aan Generalkommissar Fischböck; de onder hem ressorterende Abteilung Post- und Fernmeldewesen stond onder leiding van Oberpostrat Linnemeyer. Deze Duitse functionarissen hielden toezicht op de PTT-aangelegenheden en op de Nederlandse Directeur-Generaal Damme en de secretaris-generaal van het departement, K.J. Frederiks. De voornaamste kwestie voor PTT in deze tijd was het verkrijgen van rechtspersoonlijkheid: met medewerking van de Duitsers verkreeg PTT in 1941 rechtspersoonlijkheid, wat in principe een grotere zelfstandigheid met zich meebracht. In de praktijk veranderde er echter weinig en na de oorlog bleken parlement en regering niet bereid inhoud te geven aan de rechtspersoonlijkheid van PTT. Pas in 1954 werd de situatie echter formeel weer teruggedraaid; in het kader van de Aanwijzingswet PTT 1954 werd de Duitse verordening ingetrokken en werd de PTT weer een "gewoon" staatsbedrijf, ressorterend onder de minister van Verkeer en Waterstaat.
Tegen het einde van de oorlog functioneerde overigens in het bevrijde Zuid-Nederland een tijdelijk Hoofdbestuur der PTT, aangestuurd vanuit Londen en vanuit het naar Nederland overgekomen Militair Gezag. Dit Hoofdbestuur heeft gefunctioneerd tussen 15 sept. 1944 en 5 mei 1945 en heeft voorbereidende werkzaamheden verricht m.b.t. het weer op gang komen van de naoorlogse PTT-organisatie. Dit Hoofdbestuur is gevestigd geweest in Maastricht, Nijmegen en Eindhoven.
Het Organiek Besluit PTT 1955 leidde tot een uitbreiding van de bevoegdheden van de Directeur-Generaal (bv. het aannemen en ontslaan van bijna alle PTT-personeel) en betekende voor PTT een decentralisatie van de organisatie, vooral van de uitvoerende dienst. Sinds de oorlogstijd was het Hoofdbestuur al verdeeld in vier hoofdafdelingen i.p.v. de 10 á 12 afdelingen van vóór de oorlog; dit aantal werd in 1955 uitgebreid tot vijf (Posterijen, Telegrafie/ Telefonie en Radio, Algemene Zaken en Personeelszaken en Financiële Diensten), elk met een eigen hoofddirecteur. Daarnaast werd de functie van algemeen secretaris weer ingevoerd als "secretaris in algemene dienst". Ook werd er nu officieel een Directieraad gevormd (door de Directeur-Generaal, de hoofddirecteuren en de secretaris in algemene dienst), iets wat vanaf 1945 al officieus het geval was. In de daaropvolgende jaren kwamen de inspecties te vervallen en werd het land verdeeld in postdistricten en telefoondistricten met aan het hoofd directeuren. Het Hoofdbestuur (later Centrale Directie genoemd) ging zich steeds meer bezighouden met coördinatie en met het algemene beleid dan met de directe dienstuitvoering.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Het grootste gedeelte van het archief van het Hoofdbestuur is altijd centraal bewaard, in de archiefruimte van het Hoofdbestuur te Den Haag. De stukken uit het gecodeerde archief werden op een centrale agenda geregistreerd en vervolgens doorgestuurd naar de afdelingen; na afhandeling kwamen de stukken weer terug in het centrale depot, waar ze op code werden opgeborgen. Sommige stukken werden decentraal op de afdelingen geregistreerd en bewaard; deze zgn. bureelstukken vormden eigenlijk het werkarchief van de afdelingen. Na verloop van tijd werden de stukken wèl weer aan het centrale depot overgedragen, waar zij geselecteerd werden en vervolgens eveneens op code geborgen. Deze code was identiek aan de code van het centraal geregistreerde archief, maar werd voorafgegaan door de letter "B".
De niet-geregistreerde stukken van algemene aard werden destijds in diverse verzamelingen bewaard. Zo waren de meeste notulen en jaarverslagen in ingebonden vorm aanwezig op de documentatieafdeling, terwijl andere verslagen en rapporten in diverse collecties in het archiefdepot werden bewaard.

De verwerving van het archief

Overbrenging van een overheidsarchief

De verwerving van het archief

Het archief is krachtens bepalingen van de Archiefwet overgebracht.