De Februari-stormvloed
In de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 werd Nederland getroffen door een ongekend hevige stormvloed, die veroorzaakt werd door een aantal uiterst ongunstige omstandigheden, welke op dat tijdstip vrijwel gelijktijdig optraden. Op genoemde datum viel springtij toevallig samen met een storm van orkaankracht uit het noordwesten, welke bovendien vele uren aan hield. Deze storm veroorzaakte een golfbeweging, ten gevolge waarvan vele uren de kleibekleding van de bovenste dijkgedeelten werd aangevreten en tenslotte werd weggeslagen. De gevolgen waren desastreus. Een aantal dijken brak op vele plaatsen door, ten gevolge waarvan alleen al in de provincie Zeeland 124 polders werden overstroomd en volliepen. Behalve het onherstelbaar verlies van 1835 mensenlevens werden zware klappen toegediend aan het gehele economisch bestaan in de getroffen gebieden. Verschillende bedrijfstakken leden grote verliezen aan materiaal en vermogensbezit. Alleen reeds in de sector landbouw werd de totale vermogensschade geschat op f.40 mln. zonder rekening te houden met verloren gegane bedrijfsgebouwen. De totale materiële schade bedroeg meer dan f.1100 mln. Ook de veestapel werd zwaar getroffen: 4700 stuks vee en 140.000 stuks pluimvee kwamen om.
Instelling Deltacommissie
Dat het de Nederlandse regering ernst was om met grote spoed en met inzet van alle beschikbare middelen een aanvang te maken met de planning van de belangrijkste waterstaatkundige voorzieningen, welke met voorrang moesten worden uitgevoerd om herhaling van de Februari-ramp te voorkomen, blijkt uit het feit, dat bij beschikking nr. 8976, Afd.P. Directie van de Waterstaat van 18 februari 1953 reeds een commissie van advies werd ingesteld
Zie voor samenstelling Inventarisnummer 1
.
Aan deze commissie - onder voorzitterschap van ir. A.G. Maris, directeur-generaal van de Rijkswaterstaat met als secretaris dr. ir. J. van Veen eveneens van de Rijkswaterstaat - werd onder meer voorgelegd de beantwoording van de vraag, "welke waterstaatstechnische voorzieningen dienen te worden getroffen met betrekking tot de door de stormvloed geteisterde gebieden, waarbij in het onderzoek ware te betrekken de vraag of een afsluiting van de zeearmen zulk een voorziening behoort te vormen."
De commissie - voortaan Deltacommissie genoemd - bestond uit 11 leden en werd op 21 februari 1953 door de minister van Verkeer en Waterstaat aan het Binnenhof in Den Haag geïnstalleerd. In zijn installatierede werd door de heer Algera onder ander gememoreerd, dat reeds langer dan 15 jaar door de Rijkswaterstaat was gewerkt aan de voorbereiding en uitvoering van plannen, die voor een belangrijk deel het gebied bestrijken, waarop ook de werkzaamheden van de Deltacommissie zich zouden bewegen. De minister had hierbij het oog op de werkzaamheden van de zogeheten Stormvloedcommissie, die bij beschikking van de minister van Waterstaat van 28 april 1939, nr. 426 I, Directie van de Waterstaat, was ingesteld met de opdracht om van voorlichting te dienen inzake het optreden van stormvloedstanden langs de Nederlandse Noordzeekust en welke veiligheidsmaatregelen in verband met het optreden van deze stormvloedstanden nodig zouden zijn.
Tot voorzitter van deze commissie werd destijds benoemd de hoofdingenieur-directeur van de Rijkswaterstaat in de directie Zuid-Holland, ir.D.A. van Heyst. De commissie werd bij beschikking van de minister van Verkeer en Waterstaat van 21 april 1953 nr. 21179 Afd.P opgeheven.
Werkzaamheden en opheffing
De werkzaamheden van de Deltacommissie hebben in hoofdzaak te maken gehad met het ontwerpen van plannen ter beveiliging tegen hoge stormvloedstanden en de verbetering van de zoetwatervoorziening in de grote stroomgebieden. Bij haar studie, die heeft geleid tot het opstellen van het zogenaamde "Deltaplan", heeft de commissie gebruik kunnen maken van de ervaring en studie-resultaten van de volgende diensten en commissies:
- het Centraal Planbureau te Den Haag,
- het K.N.M.I. te De Bilt,
- het Laboratorium voor Grondmechanica te Delft,
- het Laboratorium voor Experimenteel Spanningsonderzoek te Delft,
- het Mathematisch Centrum te Amsterdam,
- Provinciale Waterstaatdiensten,
- de Rijksdienst voor het Nationale Plan,
- het Rijksinstituut voor Visserij-onderzoek te IJmuiden,
- het Waterloopkundig Laboratorium te Delft,
- het Zoölogisch Station te Den Helder,
- de Plancommissie Zuidwest,
- de Commissie ter bestudering van de Ruimtelijke Ordening in de Landbouw en
- de zogenaamde Commissie van Dertien voor aangelegenheden betreffende Schelpdierenteelt.
Hoewel de commissie vanaf de aanvang van haar werkzaamheden wist, dat zij voor een immens moeilijke taak was geplaatst en dat vergroting van de veiligheid van ons land tegen het dreigende water en verbetering van de zoetwaterhuishouding in Zuidwest Nederland aangelegenheden waren, welke een zeer intensieve bestudering van de daarmede samenhangende problemen en factoren met zich mee brachten, is zij niettemin reeds een jaar na haar installatie tot de overtuiging gekomen, dat afdamming van de daarvoor in aanmerking komende zeegaten wenselijk en ook technisch uitvoerbaar was. Hiermee was de door de minister gestelde hoofdvraag: "Afdamming van de zeegaten of verzwaring van de bestaande dijken?"beantwoord. De commissie kwam spoedig tot een aantal voorlopige bevindingen welke zij aan de minister heeft uit gebracht en heeft neergelegd in een vijftal interimadviezen, te weten:
- Eerste interimadvies, gedateerd 26 mei 1953; Verhoging Schouwense Dijk.
- Tweede interimadvies, gedateerd 26 mei 1953; Afsluiting Hollandse IJssel.
- Derde interimadvies, gedateerd 27 februari 1954, Afdamming zeearmen (deltaplan)
- Vierde interimadvies, gedateerd 5 januari 1955; Afdamming Veersegat en Zandkreek (Drie-eilandenplan)
- Vijfde interimadvies, gedateerd 18 oktober 1955; Nadere beschouwingen in verband met de afdamming van de zeearmen.
Op 10 december 1960 bracht de Deltacommissie een uit zes delen bestaand eindverslag uit
Zie inventarisnummer 12
. Dit was de neerslag van een uitgebreide studie in de vorm van - grotendeels technische - rapporten, nota's, adviezen, beschouwingen en verslagen, samengesteld door een keur van deskundigen op het gebied van o.m. de waterstaat, de planologie, de meteorologie, de grondmechanica en het wetenschappelijk visserij-onderzoek. De commissie werd bij besluit van 12 april 1961, no.23902 Afd.P, Directie van de Waterstaat, met dankzegging voor de door haar verrichte belangrijke arbeid, ontbonden.