Geschiedenis van de archiefvormer
Nadat tijdens de Eerste Wereldoorlog het belang van de militaire luchtvaart duidelijk was aangetoond, begon de Nederlandse regering eind 1917 met de uitvoering van haar voornemen om de militaire vliegdienst uit te breiden. Er werden omvangrijke bestellingen geplaatst bij de Nederlandse en Zweedse vliegtuigindustrie.
Gesteund door de regering ging een tweetal fabrieken, de automobiel-fabriek Spijker (Trompenburg) in Amsterdam en de weegschalenfabriek Van Berkel in Rotterdam, zich toeleggen op de bouw van vliegtuigen en vliegtuigmotoren.
Door onvoldoende ervaring en door gebrekkig contact met buitenlandse deskundigen kwam de Nederlandse vliegtuigindustrie al snel voor grote problemen te staan. Ook de vliegtuiggebruikers, de departementen van Oorlog en van Marine, kampten met moeilijkheden bij het opstellen van specificaties voor de door hen aan te schaffen vliegtuigen. Dit gemis aan technisch-wetenschappelijke hulp leidde ertoe dat prof. dr. L.A. van Royen, voorzitter van het Munitiebureau van het departement van Oorlog, op 17 november 1917 bij de ministers van Oorlog, van Marine en van Koloniën het voorstel indiende om over te gaan tot het instellen van een Studiedienst voor de Luchtvaart.
Na goedkeuring van dit voorstel door de betrokken bewindslieden werd dr. ir. E.B. Wolff met ingang van 15 april 1918, bij koninklijk besluit van 8 mei 1918, nr. 36 benoemd tot directeur van de studie-afdeling van de Luchtvaartdienst, later Rijksstudiedienst voor de Luchtvaart (RSL) genaamd.
De RSL ging, gezien de bestaande situatie, onder het Munitiebureau ressorteren. De dienst werd gehuisvest in de Oude Zaagmolen op de Marinewerf Kattenburg te Amsterdam, die na verbouwing op 5 april 1919 officieel in gebruik kon worden genomen.
Na de Eerste Wereldoorlog raakte de militaire luchtvaart echter wat op de achtergrond, maar groeide de interesse voor het personenvervoer door de lucht. De vliegtuigconstructeurs Fokker en Koolhoven gingen zich toeleggen op de bouw van vliegtuigen voor de burgerluchtvaart.
Door de groei van de burgerluchtvaart werd op 7 oktober 1919 onder leiding van dr. A. Ples-man de KLM opgericht.
Bovendien had de groei tot gevolg dat van staatswege toezicht gehouden moest worden op de luchtwaardigheid van het vliegend materieel.
De RSL die tot dan ressorteerde onder het departement van Oorlog werd, gezien de bredere belangen dan de militaire luchtvaart, in 1920 als afzonderlijke dienst bij het departement van Waterstaat ingedeeld. Bij koninklijk besluit van 16 februari 1920, nr. 67 werd een reglement vastgesteld, waarin de werkzaamheden van de RSL werden beschreven.Deze bestonden uit:
- toezicht houden op de aanbouw en op belangrijke herstellingen van vliegtuigen en motoren;
- medewerking verlenen bij het opstellen en zo nodig wijzigen van technische voorschriften voor het verkrijgen van bewijzen van luchtwaardigheid van vliegtuigen, zweefvliegtuigen en motoren;
- controleren van sterkteberekeningen, van materialen, van vliegeigenschappen en van lucht-waardigheid;
- onderzoeken of uit het buitenland ingevoerde vliegtuigen aan de gestelde voorschriften voldoen;
- beproeven van vliegtuigen, vliegtuigonderdelen en andere materialen zowel op eigen initiatief als op verzoek van regeringslichamen of particulieren.
De uitreiking van de luchtwaardigheidsbewijzen geschiedde na gunstig advies van de RSL door het bureau Luchtvaart van het departement van Waterstaat.
Naarmate de luchtvaart zich uitbreidde, namen, behalve de werkzaamheden voor het departement van Waterstaat ook de onderzoekingen voor andere departementen, de vliegtuig-industrie en particuliere instellingen in sterke mate toe. Het werd daardoor wenselijk dat deze instellingen medezeggenschap zouden krijgen bij het vaststellen van het algemeen beleid en van de richting waarin het technisch-wetenschappelijk onderzoek zich zou moeten bewegen.
Bovendien zouden de belanghebbenden ook moeten bijdragen in de kosten daarvan.
Men vond het onjuist dat een instantie, die enerzijds onderzoekingen in opdracht van vliegtuigfabrikanten uitvoerde, anderzijds de keuring van luchtvaartmaterieel verrichtte.
De RSL zou ontlast worden van de keurings- en controlewerkzaamheden, zodat er meer tijd beschikbaar zou komen voor wetenschappelijk onderzoek.
In 1937 werden zodoende de keuring en controle van luchtvaartmaterieel opgedragen aan de Luchtvaartdienst (voorheen bureau Luchtvaart) en de RSL werd omgezet in de Stichting Nationaal Luchtvaartlaboratorium (NLL).
De leiding bleef in handen van dr. ir. E.B. Wolff.
Geschiedenis van het archiefbeheer
In juli 1980 werden de archieven van de RSL vanuit Amsterdam naar het centraal semi-statisch archief van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat in 's-Gravenhage overgebracht.
Het archief, geborgen in 333 ordners, werd in stofdozen omgepakt en er werd een primaire schoning en vernietiging van stukken uitgevoerd.
Het archief was geordend naar de organisatie van de dienst, dus o.a. in dossiers van: Algemene Zaken, Bibliotheek, Comptabele Zaken, Aerodynamische Afdeling, Materialen Afdeling, Motoren Afdeling en Commissies.
Daarbinnen waren de dossiers opgesplitst in sub-dossiers.
Dit had tot gevolg dat gegevens over één en hetzelfde vliegtuig of vliegtuigtype over vele ordners verdeeld zaten. Om dit euvel te verhelpen werd door enkele medewerkers van het centraal semistatisch archief overgegaan tot herordening om zo tot type-, vliegtuig- en/of zakendossiers te komen, maar deze ordening is nooit geheel voltooid.
De verwerving van het archief
Overbrenging van een overheidsarchief