Oprichting
Om het verloop van de geschiedenis van de Vereniging van Archivarissen in Nederland volledig te schetsen, is het noodzakelijk om tevens een overzicht te geven van de geschiedenis van het Nederlandse archiefwezen, daar beiden ten nauwste met elkaar verbonden zijn geweest en dit nog steeds zijn.
De Vereniging van Archivarissen in Nederland, kortweg V.A.N. geheten, is de oudste vereniging binnen Europa in haar soort. Zij werd opgericht op 17 juni 1891.
Inv.nrs. 1 en 2.
In het buitenland ontstonden dergelijke verenigingen pas later. In Frankrijk richtte men in 1904 de "Association amicale professionelle des archivistes français" op.
Nederlands Archievenblad (verder aangeduid met NAB), jrg. 13, 1903/04, p. 207.
Manuel d'archivistique, ouvrage élaboré par l'Association des archivistes Français. Paris 1970, p. 87-89.
In België werd een soortgelijke vereniging in samenwerking met de medewerkers van musea en bibliotheken in 1922 werkelijkheid.
Archives et bibliothèques de Belgique, jrg. 1, p. 1.
De Vereniging van Archivarissen heeft ertoe bijgedragen de slechte omstandigheden waarin het archiefwezen verkeerde, in het begin van de 20ste eeuw langzaam maar zeker terug te dringen. Het initiatief ging hierbij meestal uit van de leden der vereniging die, via diverse commissies, zeer veel voorbereidende werkzaamheden verricht hebben om de overheid ervan te overtuigen dat verbeteringen met betrekking tot het archiefwezen noodzakelijk waren.
Ontstaan
Op het einde van de 19e eeuw zag het er voor het Nederlandse archiefwezen niet zo rooskleurig uit. Het in de jaren zeventig begonnen omzettingsproces van provinciale- naar Rijksarchiefbewaarplaatsen werd in 1890 met de benoeming van een Rijksarchivaris in Zeeland voltooid.
Duparc, F.J., Een eeuw strijd voor Nederlands cultureel erfgoed, 's-Gravenhage 1975, p. 399. (verder aangeduid met Duparc).
Niettemin bleef de salariëring van de archivaris in verhouding tot andere beroepen op een laag pitje branden. De jongere generatie zag dan ook geen aanleiding om een carrière als archivaris te beginnen.
Omdat de kring van archivarissen in de 19e eeuw nogal klein was, ontstond er tijdens het laatste decennium een behoefte aan intensiever contact met de collegae. Dit resulteerde o.a. in de totstandkoming van het Convent van Rijksarchivarissen, waarvan de eerste bijeenkomst op 27 september 1890 werd gehouden.
Archief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, Afdeling Kunsten en Wetenschappen, voorl. inv.nr. 476, exh. 4 juni 1890, nr. 1007.
Maar niet alleen werd behoefte gevoeld om contact met de rijksarchivarissen te onderhouden maar ook tussen de collegae gemeentearchivarissen. Bij een aantal archivarissen ontstond het idee, een vereniging van wetenschappelijke archivarissen op te richten. De aanzet hiertoe kwam voort uit de al eerder genoemde behoefte aan een regelmatig contact, vooral op wetenschappelijk terrein. De initiatiefnemers die deze denkbeelden gemeenschappelijk naar voren brachten, waren respectievelijk:
- N. de Roever, gemeentearchivaris te Amsterdam,
- Ch.M. Dozy, gemeentearchivaris te Leiden,
- J.A. Feith, verbonden aan het Rijksarchief in Groningen,
- S. Gratama, rijksarchivaris in Drente en
- A.C. Bondam, rijksarchivaris in Noord-Brabant.
Na onderling overleg vonden deze pioniers elkaar in de zomer van 1890 op de "Boekwezendag" te Antwerpen.
Met ieders toestemming werd A.J. Enschedé, gemeentearchivaris te Haarlem aangezocht om zijn medewerking te geven aan de eventuele oprichting ener vereniging van archivarissen. Over het algemeen waren de reakties positief.
Inv.nr. 11.
Een dissonant vormde de toenmalige Algemene Rijksarchivaris Th.H.F. van Riemsdijk, die zich overigens wel met een aantal punten van het reglement kon verenigen. Hij stelde zijn besluit tot toetreding dan ook voorlopig uit, hetgeen hij mondeling aan Ch.M. Dozy meedeelde toen deze hem persoonlijk het reglement kwam aanbieden.
Notulen van de algemene vergadering, 17 juni 1891, (inv.nr. 2) en de bestuursvergadering, 27 mei 1892, (inv.nr. 5).
Later is door het bestuur nogmaals een dringend verzoek aan hem gericht, waarop Van Riemsdijk niet geantwoord heeft. In het voorjaar van 1891 werd, door N. de Roever, Ch.M. Dozy en A.C. Bondam een circulaire ontworpen die op 1 april van dat zelfde jaar te Amsterdam werd goedgekeurd en verzonden.
Inv.nr. 11.
Daarnaast kwam men tot de opstelling van een concept-reglement dat de grondslag voor de nog op te richten vereniging moest gaan vormen. Besloten werd om de oprichtingsvergadering te houden op 17 juni 1891 te Haarlem in de bovenzaal van de sociëteit "De Vereeniging", ter bespreking van het reeds aan de 'mogelijke' leden toegezonden concept-reglement.
Tijdens deze vergadering werd het reglement goedgekeurd en de aanwezigen, 32 in getal, het bestuur inbegrepen, werden aangenomen als lid.
Notulen van de algemene vergadering, 17 juni 1891, (inv.nr. 2).
In totaal 40 archivarissen betuigden adhesie met de nieuwe vereniging van archivarissen, maar een achttal collegae waren niet direct bereid om toe te treden. Al met al was dit een zeer respectabel resultaat gezien het aantal van 48 archivarissen, dat in die dagen voor het lidmaatschap in aanmerking kwam.
Hierbij moet de aantekening gemaakt worden dat in de bestuursvergadering van 8 april 1920 besloten werd dat er een circulaire aan de archiefambtenaren der "2e klasse" gezonden zou worden, waarin zou staan dat in verband met een wijziging van de Statuten ook zij voortaan lid van de vereniging konden worden.
Vervolgens besloot de vergadering op voorstel van het bestuur, tot de aanvraag ter goedkeuring van de statuten en de daaruit voortvloeiende verwerving van de rechtspersoonlijkheid voor de tijd van 29 jaren en 11 maanden, welke bij K.B. van 29 september 1891 nr. 53 werd verleend.
Inv.nr. 11.
De oprichting van de Vereniging van Archivarissen was hiermee definitief een feit.
Het bestuur werd gekozen uit de zes archivarissen die de aanzet hadden gegeven tot oprichting van de vereniging en bestond uit:
- A.J. Enschedé, voorzitter
- S. Gratama, secretaris, tevens belast met de redactie van het Nederlands Archievenblad
Tot 1900 vervulde de secretaris het redacteurschap, daarna is het een aparte functie.
- N. de Roever, penningmeester
- A.C. Bondam, bestuurslid
- J.A. Feith, bestuurslid
- Ch.M. Dozy, bestuurslid.
In artikel 1 van het reglement werd het doel omschreven waarna de Vereniging in de toekomst zou gaan streven namelijk "de bevordering van de belangen van het Nederlandsche archiefwezen".
Inv.nr. 1.
Dit doel trachtte men te bereiken door te streven naar een wettelijke regeling van het archiefwezen omschreven in artikel 2 van het reglement. Verdere doelstellingen waren: het houden van bijeenkomsten en het uitgeven van gedrukte mededelingen.
Inv.nr. 1.
Doorgaans werd er twee maal per jaar vergaderd. Aan het begin van ieder verenigingsjaar vond de zogenaamde jaarvergadering plaats en in de loop van het jaar nog eens een algemene vergadering. Als er een speciale aanleiding voor was werd er soms nog een derde vergadering de zogenaamde buitengewone vergadering bijeengeroepen. Pas na 1928 werd deze buitengewone vergadering volgens huishoudelijk reglement erkend.
De uitgave van de gedrukte mededelingen liet niet lang op zich wachten. Reeds in de bestuursvergadering van 15 oktober 1891 werd er een voorstel gedaan om tot een uitgave van een orgaan van de Vereniging te komen.
Inv.nr. 5.
In februari 1893 kregen de leden dan ook al hun eerste exemplaar van het " Nederlandsch Archievenblad ". De uitgeverij Erven B. van der Kamp te Groningen verzorgde de uitgave. De Vereniging is in de keuze van de uitgeverij erg honkvast gebleken ondanks de zakelijke problemen die af en toe rezen, die voornamelijk te wijten waren aan de vaak slechte financiële omstandigheden van de Vereniging. Resultaat is dan ook een meer dan 85 jaar lange samenwerking. De eerste oplage van het Nederlands Archievenblad telde een aantal van 100 exemplaren.
De vereniging prefereerde van begin af aan een zelfstandige positie. Twee voorstellen, te weten van het tijdschrift " De Navorscher " om tot een combinatie te komen met het Nederlands Archievenblad en een voorstel van bibliothecarissen om tot een gemeenschappelijke vereniging uit te groeien, werden afgewezen. De motivatie voor deze afwijzing was dat de belangen van de archivarissen niet overeen kwamen met die van de bibliothecarissen en het tijdschrift " De Navorscher ".
De eerste contacten met de overheid vonden plaats naar aanleiding van de post "Bouw van archieflokalen" die in november 1893 van de ontwerpstaatsbegroting dreigde te worden afgevoerd.
Inv.nr. 13.
Het bestuur kwam hiertegen krachtig in het geweer met de volgende bewoording:
".... De steeds aangroeiende massa archieven sinds 1813 die bij de verschillende departementen en administraties worden bewaard, heeft langzamerhand zulk een omvang gekregen, dat men ze op genoemde plaatsen nauwelijks meer kan bergen, laat staan in behoorlijke orde, op een voor het gebruik geschikte wijze bewaren en zodoende voor ondergang en vernietiging behoeden.
.... Verbouwing noch uitbreiding van het tegenwoordige Rijksarchiefdépôt zal derhalve op afdoende of zelfs maar voor enkele jaren voldoende wijze tot het beoogde doel kunnen leiden."
Om het rekest nog meer kracht bij te zetten, richtten de Directies van het Provinciaal Genootschap voor Kunsten en Wetenschappen van Utrecht en Limburg ook een rekest aan de Tweede Kamer. De bekende rede "
Pro Domo " uitgesproken door voorzitter S. Muller, tijdens de derde jaarvergadering van 20 juni 1894, liet eveneens de trieste werkelijkheid zien van de toestand der archieven en hun personeel.
Inv.nr. 85.
Ook in de Tweede Kamer stond het archiefwezen blijkbaar niet erg hoog aangeschreven. Het archiefwezen werd gekwalificeerd als: "eene inrichting en organisatie die op grooten voet is opgevoerd."
Niet alleen het archiefwezen had te kampen met een hecht chronisch geldgebrek, maar ook de vereniging zelf verging het in de jaren twintig niet zo rooskleurig. De slechte financiële toestand brachten de heren E. Wiersum en L. Lasonder ertoe tijdens een vergadering de wenselijkheid te uiten ten aanzien van een subsidieverlening voor het Nederlands Archievenblad.
Notulen van de bestuursvergadering, 10 april 1929 (inv.nr. 6).
Aangezien de plannen voor de uitgave van een index op het Archievenblad in een gevorderd stadium verkeerden, werd besloten voor dit drukwerk ook een subsidie aan te vragen. Het verzoek werd op 19 maart 1930 gedaan en de minister keurde dit een jaar later goed zodat vanaf 1931 de vereniging voor het Archievenblad en de index een subsidie van fl. 400,- kreeg.
Brief, 19 maart 1930, inv.nr. 50 en brief, 30 mei 1931, inv.nr. 51.
Het subsidiebedrag varieerde nogal eens in de jaren dertig, maar was nooit minder dan fl. 100,-. Zelfs gedurende de oorlogsjaren ontving de vereniging haar subsidie.
Inv.nr. 183.
Na de Tweede Wereldoorlog ging het subsidiebedrag omhoog tot fl. 400,- en daar bleef het bij. In 1960 verzocht de vereniging om subsidieverhoging tot fl. 1000,-
Brief, 1 december 1960, inv.nr. 80.
hetgeen werd toegestaan.
Organisatie
Het bestuur van de vereniging telde tot 1920 zes leden, daarna vijf leden. Alle bestuursleden traden jaarlijks af en waren terstond herkiesbaar. Het gehele bestuur werd door de leden der vergadering aangewezen.
Hierin kwam in 1920 verandering. De voorzitter werd toen nog maar alleen door de ledenvergadering gekozen en het bestuur wees zelf een secretaris en penningmeester aan. Tevens werd aan de bestuursleden de beperking opgelegd dat zij niet langer dan 3 jaren zitting mochten hebben. In 1933 veranderde dit in 5 jaren met de conditie dat zij niet onmiddellijk herkiesbaar waren. Alle bestuursleden werden toen door de vergadering gekozen maar de bestuursfuncties werden door het bestuur onderling verdeeld.
In 1960 werd dit nogmaals veranderd en de oude situatie van 1920 weer hersteld ten aanzien van het kiezen van de voorzitter.
De functie van redacteur van het Nederlands Archievenblad die de secretaris aanvankelijk vervulde, werd in 1900 apart geregeld. Ook de redacteur werd door de vergadering aangewezen.
In 1920 werd de redacteur apart vermeld in het huishoudelijk reglement. Hij werd telkens voor 3 jaren door de vergadering belast met de redactie van het Nederlands Archievenblad en was bij zijn aftreden terstond herkiesbaar. Hij woonde de bestuursvergaderingen bij en had daar, zo hij niet tevens bestuurslid was, een adviserende stem. Sindsdien is in deze situatie geen verandering meer gekomen.
Inv.nr. 1.
In 1935 werd besloten de taak van de toenmalige redacteur te verlichten door de instelling van een "commissie van advies" in de wandelgang redactiecommissie genoemd.
Notulen van de bestuursvergadering, 14 juni 1935, (inv.nr. 6).
Al een jaar later bleek dat deze commissie toch niet zo'n succes was zoals de redacteur dan ook liet merken door de indiening van zijn ontslagaanvrage. Een nieuwe redactiecommissie werd geformeerd, bestaande uit de voorzitter van de vereniging, de redacteur en een lid.
Notulen van de bestuursvergadering, 15 mei 1936 (inv.nr. 6).
In 1946 bij de benoeming van een nieuwe redacteur, maakte deze in eerste instantie bezwaar tegen de commissie maar hij verklaarde zich toch bereid om met de genoemde commissie samen te werken.
Notulen van de bestuursvergadering, 24 april 1946 (inv.nr. 6).
Een voorstel van C.H.G. Bloemen, een tiental jaren later, om tot wijziging van de redactievorm te komen, stuitte op onoverkomelijk financiële bezwaren zodat de oude situatie gehandhaafd bleef.
Notulen van de bestuursvergadering, 12 november 1954 en 12 februari 1955, (inv.nr. 4).
Handleiding
In dezelfde jaarvergadering van 1894 werden een aantal stellingen over de ordening en beschrijving van archieven door S. Gratama naar voren gebracht, die de aanzet zouden gaan worden voor een commissie van drie leden, bestaande uit: S. Muller, J.A. Feith en R. Fruin, aan wie de samenstelling van "eenen leidraad voor de inventariseering der Nederlandsche archieven" zou worden opgedragen. Dit werkstuk moest in concept uiterlijk november 1896 bij het bestuur zijn ingediend. In de vijfde algemene vergadering op 17 juni 1896 werd de opdracht door de leden van de commissie op een andere wijze geformuleerd. Men was van oordeel dat een verlenging van de termijn voor het indienen van het concept zeer gewenst was. Daarnaast gaf men er de voorkeur aan de opdracht "inventariseering der Nederlandsche archieven" uit te breiden met zaken die er ten nauwste bij betrokken waren zoals "ordening der stukken en indeeling der depôts en de verdere beschrijvingsmaatregelen, die strikt genomen niet tot de inventariseering behooren".
Inv.nr. 2.
Als laatste punt wilde de commissie dat hun uiteindelijke resultaten gepubliceerd en besproken zouden worden in het Nederlands Archievenblad , zonder voorafgaande discussie van de leden tijdens een ledenvergadering. De konsekwentie die hieruit zou voortvloeien was deze, dat het werk van de commissie niet door de leden zou worden vastgesteld. Het na discussie aangenomen voorstel luidde dat de vergadering, nadat het concept in druk verschenen zou zijn, zou mogen beslissen over de wijze van behandeling.
Reeds in de algemene vergadering van 3 juli 1897 deelde de voorzitter mee dat de leidraad in concept klaar was. Een jaar later was de voltooiing van de
Handleiding voor het ordenen en beschrijven van archieven een feit.
Inv.nr. 2.
Dit werk was het eerste, dat een dergelijke moeilijke materie in begrijpelijke vorm naar buiten bracht. Zelfs in het buitenland kreeg de "
Handleiding " grote bekendheid.
Dat de Handleiding geen feilloos werk was, wees de praktijk van sommige collega-archivarissen in het buitenland uit, want de Handleiding bleek toch niet op ieder archief toepasbaar.
NAB, jrg. 16, 1907/08, p. 6-11.
Na een aantal jaren kwamen dan ook de verzoeken vanuit het buitenland om de "
Handleiding " te mogen vertalen, hetgeen in de meeste gevallen werd toegestaan. Zo verschenen er vertalingen in het Duits, Frans, Italiaans en in 1960 werd er zelfs een verzoek goed gekeurd om een Braziliaanse vertaling te laten vervaardigen.
Inv.nr. 80 en NAB, jrg. 16, 1907/08, p. 6-7.
Niet alleen in het buitenland maar ook in Nederland bleek het werk aan een behoefte te voldoen. In 1922 verscheen er dan ook een herdruk. Zoals door de commissie was voorgesteld, werd de " Handleiding " niet tijdens de algemene vergadering aan de kritiek der leden onderworpen. Voornaamste reden hiervoor was dat de omvang van het werk groter was geworden dan men gedacht had. Als men het gehele werk zou moeten bespreken, betekende dit dat de eerstkomende jaren tijdens de algemene vergadering alleen de "Handleiding" aan de orde zou komen.
Naar een archiefwet
Intussen waren in diverse vergaderingen een aantal stellingen naar voren gebracht die door de commissie later in een concept-archiefwet verwerkt zouden worden. Na een uitgebreide discussie, waarbij men de trieste praktijkvoorbeelden aanhaalde, werden de al dan niet gewijzigde stellingen door de leden aangenomen.
Notulen van de algemene vergadering, juni 1894, (inv.nr. 2).
In 1900 werd er een commissie ingesteld ter bestudering van de mogelijkheden om tot een archiefwet in Nederland te komen.
Inv.nr. 2 en inv.nr. 294.
De leden die hierin zitting hadden waren:
- S. Gratama, rechter in Rotterdam,
- J.E. Heeres, hoogleraar te Delft,
- H. Fruin, rijksarchivaris in Zeeland,
- J.C. Overvoorde, gemeentearchivaris in Dordrecht en
- A. Telting, adjunct-archivaris verbonden aan het Algemeen Rijksarchief.
De commissie diende op 22 mei 1906 haar "
Ontwerp van wet tot regeling van het Nederlandsche archiefwezen " in.
Brief, 22 mei 1906, inv.nr. 26.
De vereniging echter had geen haast met het in behandeling nemen van het ontwerp aangezien zij de leden de mogelijkheid wilde geven om voor de volgende jaarvergadering, op 5 juli 1907, het ontwerp te bekritiseren.
Brief, 15 juni 1906, inv.nr. 26.
De concept-archiefwet werd in het
Nederlands Archievenblad gepubliceerd.
NAB, jrg. 14, 1905/06, p. 222-237.
In totaal drie archivarissen gaven hun kritiek op het concept, hetgeen niet van invloed was op de essentiële kriteria, welke de basis van het ontwerp vormden. Op de algemene vergadering van 5 juli 1907 werd het ontwerp dan ook zonder verregaande discussie aangenomen en op 22 mei 1908 bij de minister van Binnenlandse Zaken ingediend.
Het archief van het ministerie van Binnenlandse Zaken, Afdeling Kunsten en Wetenschappen, voorl. inv.nr. 479, exh. 23 mei 1908, nr. 1469.
Dit betekende het begin van de lange lijdensweg die de archiefwet nog zou moeten gaan. Pas in 1918 was de archiefwet een feit. Op 17 juni werd de archiefwet gepubliceerd in het Staatsblad nr. 378. Ruim een jaar later na de vaststelling van de Algemene Maatregelen van Bestuur kon de Archiefwet 1918 in werking treden.
Voor een uitgebreid historisch overzicht van het ontstaan van de Archiefwet 1918 verwijs ik naar Fruin, R., De Archiefwet 1918, Alphen a/d Rijn 1919-1929.
In de loop der jaren bleek dat de Archiefwet 1918 gebreken vertoonde die een herziening van deze wet noodzakelijk maakte. Vooral na 1945 groeide het besef bij vele archivarissen dat de Archiefwet 1918 sterk verouderd was. Mede door een adres van de vereniging aan de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen van 15 oktober 1946 zag ook deze dat in.
Brief, 15 november 1947, inv.nr. 67.
D.P.M. Graswinckel, de toenmalige Algemene Rijksarchivaris deed op 12 juli 1948 al voorstellen om de Archiefwet 1918 te wijzigen. Het ministerie ging hier niet op in.
Duparc, p. 469.
Op de algemene vergadering van 22 april 1949 drong G.W.A. Panhuysen er in zijn rede op aan om de inspectie van rijksarchieven in de provincie door rijksarchivarissen te bevorderen. Dit was een van de punten die niet opgenomen waren in de Archiefwet 1918. C.H.G. Bloemen die het eens was met Panhuysens gedachtengang, stelde voor om Panhuysen hierover een advies uit te laten brengen op de volgende algemene vergadering.
Met algemene instemming werd er een commissie ingesteld voor de herziening en aanvulling van de Archiefwet 1918, waarvoor Panhuysen de leden zou aantrekken. In de brief van 2 mei 1949 maakte hij de commissieleden bekend.
Dit waren: H.P. Coster, J.L. van der Gouw, H. Hardenberg, G.W.A. Panhuysen en H.H.E. Wouters. Deze commissie zou al gauw de naam "Commissie Panhuysen" krijgen. Hij was namelijk degene die uitgewerkte voorstellen klaar had die al ter sprake waren geweest tijdens een vergadering van het convent van rijksarchivarissen.
Brieven, 30 april en 2 mei 1949, inv.nr. 69.
Om de werkzaamheden van de commissie enigszins te verlichten, stuurde de vereniging op 7 mei 1949 een circulaire rond om ideeën van de leden te kunnen vernemen. Ondanks deze democratische weg verliep er toch nogal wat tijd voordat het concept klaar was. De algemene vergadering welke in september had moeten plaats vinden, werd uitgesteld tot oktober. De commissie besloot haar bevindingen in de vorm van stellingen te gieten, mede om de zaak een vlotter verloop te doen hebben. In totaal 16 stellingen kwamen er uit de bus en werden tijdens de algemene vergadering van 29 oktober 1949 aangenomen. De commissie kon nu aan de verdere uitwerking beginnen, zodat op 16 mei 1950 het voorlopig ontwerp met een begeleidende brief bij het bestuur van de vereniging werd ingediend.
Inv.nr. 70.
Omdat men het ontwerp zo vlug mogelijk aan de minister wilde sturen, werden er tijdens de bestuursvergadering in oktober 1950 een aantal beslissingen genomen die dit moesten bespoedigen. Men zou de archiefcommissie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten vragen het wetsontwerp te beoordelen.
H.P. Coster en G.W.A. Panhuysen waren leden van de archiefcommissie van de VNG. (inv.nr. 70, 16 mei 1950).
W.F. Fruin, een zoon van R. Fruin, zou aangeschreven worden met het verzoek het ontwerp in een goede juridische vorm te gieten. Aan de leden zou de mogelijkheid geboden worden om schriftelijk hun amendementen in te dienen. Men zou zich nog beraden over het laatste voorstel de mogelijkheid advies in te winnen over de vraag of heerlijkheidsarchieven al dan niet in de wet betrokken dienden te worden, dit met het oog op een eventueel te ontwerpen wet op de particuliere archieven.
Brief, 14 oktober 1950, inv.nr. 70.
Op 22 november 1950 werden door de leden de meeste artikelen van de " Wet op de overheidsarchieven " behandeld en aangenomen. W.F. Fruin zorgde voor de juiste juridische vorm van de tekst en kreeg als dank van de vereniging een radiotoestel aangeboden, een van zijn grootste wensen.
Het wetsontwerp werd op 23 januari 1951 bij de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen ingediend.
Duparc, p. 469.
Van departementswege werd er een "archiefwetcommissie" ingesteld, die tot taak kreeg 4 wetsontwerpen te concipiëren tot een. Dit waren de ontwerpen van Graswinckel van 1948, het ontwerp van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dat van de Studiekring voor Overheidsdocumentatie. Het uiteindelijke resultaat, de zogenaamde "
Archiefwet 1957 " werd pas in november 1956 bij de Tweede Kamer ingediend. Ondanks de grote aandacht die de vereniging aan dit ontwerp besteedde, mocht het niet baten. In 1959 en 1960 kwam er van verschillende zijden kritiek o.a. van de Eerste Kamer. Deze had namelijk bezwaren tegen de artikelen 4,j en 39, waarin de verplichting stond tot het afgeven van afgedwaalde overheidsarchieven.
Er ontstond ook een conflict tussen de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de vereniging. Eerstgenoemde had namelijk zonder medeweten van haar eigen archiefcommissie een adres aan de Tweede Kamer gericht waarin zij aandrong op de verwerping van artikel 25, lid 2.
Brieven, 10 en 17 oktober 1959, inv.nr. 79.
Dit had tot gevolg dat Panhuysen en Van Hoboken, leden van deze archiefcommissie, hun medewerking hieraan opzegden, die sindsdien ook niet meer is hersteld.
Op 8 juni 1960 richtte de vereniging nog een adres aan de Eerste Kamer maar tevergeefs want op 21 juni werd het wetsontwerp verworpen.
Kort daarna werd er een nieuw wetsontwerp zonder de gewraakte artikelen ingediend dat uiteindelijk in 1962 door de beide Kamers werd aangenomen en pas op 1 mei 1968 in werking kon treden.
Publicaties met medewerking van de vereniging
Na het verschijnen van de Handleiding voor het ordenen en beschrijven van archieven , wilde men ook een handboek voor chronologie en een handboek voor paleografie samenstellen. Het handboek voor chronologie is nooit goed van de grond gekomen en de commissie die hiervoor zorg droeg, viel al gauw uiteen. Resultaat was dat Fruin, als enige overgebleven, in 1934 geheel zelfstandig het " Handboek der chronologie " publiceerde, een werk waarin de vereniging na het eind van de twintiger jaren geen deel meer had.
Ook de bemoeienissen met het handboek voor paleografie hadden hetzelfde eindresultaat. Rond 1900 wilde de Vereniging van Nederlandse Gemeenten in samenwerking met de vereniging een handboek voor paleografie gaan uitgeven.
Brief, 4 september 1900, inv.nr. 20.
Na heen en weer gepraat over een wetenschappelijke handleiding en/of een praktische handleiding en/of een praktische handleiding werd besloten tot een combinatie van beide in een uitgave, hetgeen uiteindelijk weer zou veranderen in twee uitgaven.
Notulen van de bestuursvergadering, 15 oktober 1900, (inv.nr. 5).
De commissieleden waren R. Fruin, W.O. Swaving, (secretaris), C.P.L. Rutgers en H. Brugmans. Rutgers zegde in 1903 zijn medewerking op en daarvoor in de plaats kwam M.A.J. Schoengen. Intussen verliepen de werkzaamheden van de commissie niet erg vlot en nadat ook Brugmans' medewerking gemist moest worden, dreigde alles te stagneren. Daar kwam nog bij dat Fruin en Schoengen in een conflict gewikkeld waren, hetgeen voor de eerste aanleiding was om zijn lidmaatschap ter beschikking te stellen. Met Fruin trad ook Swaving af.
Brief, 18 december 1903, inv.nr. 290 en notulen van de bestuursvergadering, 9 juni 1904 (inv.nr. 5).
Beiden werd verzocht aan te blijven. De moeilijkheden met Schoengen bleven niettemin bestaan. Nadat zelfs een verblijf in Italië de gezondheid van Schoengen niet had kunnen verbeteren, nam de man op 16 mei 1905 zijn ontslag. In zijn plaats kwam O. Oppermann, lektor in de paleografie te Utrecht.
Brief, 31 mei 1905, inv.nr. 292.
Brugmans, die blijkbaar weer wat meer tijd had, zou samen met Oppermann de uitgave voorbereiden omdat Erven B. van der Kamp, de uitgever van het handboek, bezwaren tegen het oude contract had vanwege de inmiddels gestegen kosten. De uitgever wilde meer rekenen maar toen Fruin en Swaving bereid bleken af te treden, handhaafde hij het oude contract met alleen de heren Brugmans en Oppermann.
Notulen van de bestuursvergadering, 1 juni 1906, (inv.nr. 5).
Al deze moeite deed de vereniging uiteindelijk in 1907 toch maar beslissen haar handen van het handboek af te trekken. Het duurde nog tot 1910 voordat de "
Atlas der Nederlandsche Paleographie " op de markt zou verschijnen, waarna in 1912 het "
Handboek " verscheen.
Notulen van de bestuursvergadering, 14 maart 1912, (inv.nr. 6).
Ook de publicatie van de diverse archiefgidsen had heel wat voeten in de aarde. In 1910 had Muller al een voorstel in die richting gedaan wat niet direct werd aanvaard. Het bestuur ging niet op het voorstel in omdat het wilde wachten op het verslag van het in 1910 gehouden Internationale Archiefcongres te Brussel.
Notulen van de bestuursvergadering, 3 oktober 1910, (inv.nr. 5) en algemene vergadering, 6 juli 1911, (inv.nr. 2).
Pas in 1912 werd hiervoor een commissie ingesteld, die bestond uit: W.C. Schuylenburg, L. Lasonder en P.A. Meilink. Een jaar later verscheen er een rapport waarin de commissie haar werkwijze bekend maakte.
Brief, 28 juni 1913, inv.nr. 33.
Er rees een meningsverschil tussen de commissie en het bestuur over het al dan niet opnemen van archieven van kerken, kloosters, gasthuizen en verenigingen.
Inv.nr. 34.
Nadat W.C. Schuylenburg in 1919 ontslag had genomen
Notulen van de bestuursvergadering, 4 juni 1919 en brief, 13 juni 1919, inv.nr. 39.
, verliepen de werkzaamheden wel iets vlotter maar hiervoor kwamen weer andere problemen in de plaats. Het geval was namelijk dat niet alle rijksarchieven hun materiaal up to date aan de commissie konden overhandigen vanwege een interne archieforganisatie.
Notulen van de algemene vergadering, 27 september 1924, (inv.nr. 3).
De werkzaamheden bleven stagneren zo erg zelfs dat in 1925/26 niets gedaan werd.
Brief, 22 september 1926, inv.nr. 46.
In 1928 verliet Lasonder de commissie en Meilink bleef alleen over.
Brief, 25 september 1928, inv.nr. 48.
Besloten werd dat Meilink in samenwerking met de rijksarchivarissen een redactiecommissie voor de archiefgids zou gaan vormen. De leden waren: P.A. Meilink, A.H. Martens van Sevenhoven en J.P.W.A. Smit.
Notulen van de bestuursvergadering, 10 april 1929, (inv.nr. 6).
Ook deze commissie kwam niet tot resultaten.
In 1934 werd er door de Afdeling van Gemeente- en Waterschapsarchiefambtenaren een commissie in het leven geroepen die tot taak had een archiefgids van gemeenten en waterschappen te ontwerpen.
Notulen van de algemene vergadering, 22 september 1934,(inv.nr. 3).
In deze commissie zaten A. le Cosquino de Bussy, B. van 't Hoff en G.J. Lugard. Deze commissie is later onder auspiciën van de vereniging gekomen. De rijksarchiefgids zou niet nader uitgewerkt worden. Alleen werd door het bestuur aan de commissie voor een rijksarchiefgids ter overweging gegeven een aparte uitgave van het Algemeen Rijksarchief te laten verschijnen.
Notulen van de bestuursvergadering, 30 november 1934, (inv.nr. 6).
Al in de bestuursvergadering van 14 juni 1935 deelden Meilink en Graswinckel mee dat zij niet in staat waren een overzicht van het Algemeen Rijksarchief te geven.
In 1936 kwamen de gegevens voor de gemeentelijke archiefgids binnen.
Notulen van de bestuursvergadering, 15 mei 1936, (inv.nr. 6).
Voor wat betrof de provincie Overijssel waren deze gegevens het volledigst zodat uiteindelijk alleen van deze provincie gidsen verschenen in 1942 en 1945. Door onderlinge meningsverschillen en oeverloze discussies bleven de archiefgidsen van de andere provincies voorlopig een droom. Niettemin heeft het tot 1952 geduurd voordat de vereniging in zag dat alle bemoeiingen om archiefgidsen uit te geven, tevergeefs waren.
Notulen van de bestuursvergadering, 25 november 1952, (inv.nr. 4).
Ontwikkelingen na 1960
De Vereniging van Archivarissen in Nederland (VAN) werd in 1891 door een paar gemeentearchivarissen opgericht. De naam veranderde honderd jaar later (1991), na de verkrijging van het predicaat “Koninklijk”, in KVAN. De vereniging heeft een bepalende rol gespeeld in de opbouw van het openbaar archiefwezen in Nederland en in de ontwikkeling van het beroep. Er werden activiteiten ontplooid op een breed terrein: van normering van beroepsuitoefening, opleidings- en benoembaarheidseisen, wetgeving, bestuurlijke organisatie, inspectie en regeling van openbaarheid tot kwaliteitseisen voor gebouwen.
Na de Tweede Wereldoorlog ontstonden nieuwe uitdagingen. De ontwikkeling van de verzorgingsmaatschappij bracht sterke groei van archieven met zich mee en daarmee samenhangend enorme bewerkingsachterstand. De invoering van de AOW zorgde voor toename van bezoekersaantallen. De gevolgen van automatisering en digitalisering leidden tot totaal andere mogelijkheden voor gebruik en nieuwe problemen voor beheer en behoud. Dit alles resulteerde in het vervagen van de traditionele grenzen tussen statisch/semi-statisch en dynamisch archief , tussen archieven en andere informatiebronnen en tussen de daarmee verbonden specifieke beroepsgroepen. De KVAN was lange tijd een vereniging waar leden tweemaal per jaar van gedachten konden wisselen tijdens de algemene ledenvergadering, die plaatsvonden in de ochtend. Na een gezamenlijke lunch stond een excursie ‘naar een kasteel, tentoonstelling of iets dergelijks op het programma. Het tijdschrift van de vereniging, Het Nederlands Archievenblad, bevatte in die periode voornamelijk letterlijke verslagen van deze bijeenkomsten, personalia en archivistische bijdragen, zoals besprekingen van inventarissen.
De (meerdaagse) studiedagen vanaf eind zeventiger jaren met parallelle sessies over actuele thema's stelden deskundigheidsbevordering van de leden en het beroepsprofiel centraal. Het Archievenblad veranderde van een naar binnen gekeerde uitgave voor ‘insiders’ in een levendig en kleurrijk tijdschrift voor een breder publiek. Het lidmaatschap werd nu ook opengesteld voor personen zonder archiefdiploma. Mede daardoor nam het aantal leden toe.
De KVAN nam het voortouw bij het inspelen op alle ontwikkelingen op het werkterrein door het instellen van werkgroepen en commissies. Naast tijdelijke studiecommissies werd gewerkt met vaste commissies (commissie Buitenland. Commissie Permanente Educatie, Platform Recent Opgeleide Archivarissen) en secties (SPARC, AVA, SNAAI). Dankzij die prominente rol werd het bestuur geregeld gevraagd om vertegenwoordigers af te vaardigen naar commissies en projectgroepen van anderen organisaties, ook in internationaal verband. De KVAN werd een belangrijke gesprekspartner van overheid en archiefbeherende instellingen en fungeerde enige tijd als de facto koepel van het archiefwezen. De enorme groei van activiteiten ging de vereniging, die voornamelijk steunde op vrijwillige inzet, op een gegeven moment te boven. Tegelijkertijd wenste de verantwoordelijke minister een steviger en centraal aanspreekpunt in het archiefveld.
Met medewerking van de KVAN werd in 1998 de stichting DIVA (stichting Forum voor Samenwerking van het Nederlands Archiefwezen en Documentaire Informatievoorziening) opgericht, in 2007 gevolgd door de Branchevereniging van Archiefinstellingen in Nederland, BRAIN. De KVAN heeft vanaf 1891 steeds een tweeledig doel gehad door te streven naar belangenbehartiging van het archiefwezen én belangenbehartiging van de beroepsgroep. Tussen die doelstellingen was in toenemende mate een zekere concurrentie ontstaan, om niet te spreken van tegenstrijdigheid,. Met de komst van BRAIN kan de KVAN zich concentreren op bevordering van professionaliteit en deskundigheid van de leden, informatie-uitwisseling en bescherming van de beroepsethiek.