2.21.030 Inventaris van het archief van J.F.R.S. van den Bossche [levensjaren 1819-1889]; E.M. Francis [levensjaren 1798-1880], 1816-1888 (1902)

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Ik heb het begrepen

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Levensloop van J.F.R.S. van den Bossche (1819-1889)

Jules Felicien Romain Stanislas van den Bossche werd te Bergen in Henegouwen op 4 juni 1819 geboren als zoon van Johannes Bernardus van den Bossche en Maria Catharina Naveua. Zijn vader vertrok in 1822 naar Nederlands-Indië; hij was daar benoemd tot president van de Wees- en Boedelkamer van Surabaya en overleed in 1840 te Batavia. Zijn moeder overleed in 1842. Vrijwel zeker is Jules nooit getrouwd geweest. Bij de inlandse vrouw Badima had hij twee kinderen die hij erkende; Victor Albert en Marie Eugenie en bovendien Albert Felix bij een onbekende inlandse vrouw.
Voor nadere gegevens over zijn levensloop; dossier Van den Bossche bij het Centraal Bureau voor Genealogie te Den Haag
Van den Bossche nam dienst bij het leger in Indië en verwierf voor zijn heldhaftige daden tegen de vijandelijke troepen in de Palembangse bovenlanden het Ridderkruis van de Militaire Willemsorde en de Nederlandse Leeuw
Uit: De Indische Gids. Staat- en Letterkundig Maandschrift. 11e jaargang. 1889
. Bij gouvernementbesluit van 25 februari 1846 nummer 1, werd hem het radicaal van Indisch ambtenaar toegekend en toen begon zijn loopbaan als controleur in Palembang. Hij was daar controleur van 1846 tot 1855. Tijdens verlof in Nederland in 1855 werd hij op 36-jarige leeftijd benoemd tot gouverneur voor de kust van Guinea, ter vervanging van W.G.F. Derx. In het voorjaar van 1857 nam hij het bestuur over onder ongunstige omstandigheden; veel Europeanen stierven ten gevolge van de slechte gezondheidstoestand. Zelf zag Van den Bossche zich verplicht om nog in hetzelfde jaar van zijn bestuursaanvaarding met verlof terug te keren. Toen in 1859 zijn ambtstermijn verliep was hij hersteld. Hij ging opnieuw naar Indië en bleef daar nog vele jaren nuttig werkzaam en wel als resident van Banka van 1859 tot 1961 en als gouverneur van Sumatra's Westkust van 1862 tot 1869. Dit recent aan het Nederlands gezag onderworpen gebied moest worden ingepast in de rechterlijke organisatie van Nederlands-Indië. In samenwerking et T.H. der Kinderen, gouvernementscommies belast met de regeling van het rechtswezen in de buitengewesten, stelde hij in overleg met de hoofden in als zijn districten in 1865 voorstellen op aan de gouverneur-generaal
Zie: F.L. Couperus, het rechtswezen op Sumatra's Westkust, dissertatie Leiden, 1882.
. Van 1863 tot 1871 was hij lid van de Raad van Indië. In januari 1871 werd hij op verzoek eervol uit 's-lands dienst ontslagen.
Na het eind van zijn ambtelijke loopbaan bleef Van den Bossche vooral als ondernemer belangstelling tonen voor de Oost. Hij investeerde zijn financiële verdiensten in mijnontginningen in de buitengewesten. Zijn tijdens zijn gouverneurschap van West-Sumatra opgedane kennis hoopte hij te gelde te maken door zijn deelname als lid van de Raad van Commissarissen van de mede door hem opgerichte Mijnbouwmaatschappij Tambang Salida.
Salida is bekend - en weldra berucht - geworden door de veelbelovende zilvermijnen, enkele kilometers van Painan gelegen in het brongebied van de rivier Batang Salida. De Verenigde Oost-Indische Compagnie liet die mijnen van 1670 tot 1696 bewerken, daarna moest het werk wegens verlies gestopt worden. Pas in 1729 werd definitief besloten de mijnen te verlaten. Zij bleken volgens de verslagen van de Oost-Indische Compagnie "een grondeloze poel waarin grote sommen gelds verdwenen" te zijn geweest. Op uit Holland ontvangen bevel werd echter nog van 1732 tot 1737 een poging gedaan om met voordeel zilver uit de bergmijnen van Salida te winnen. Men had zelfs een bezending slaven uit Madagaskar aangevoerd, maar tevergeefs. In 1881 werd door de Mijnbouwmaatschappij Salida, onder vigeur van de verleende mijnconcessie Tambang Salida de ontginning weer ter hand genomen, zonder dat gunstige uitkomsten verkregen worden. De N.V. Mijnbouwmaatschappij Tambang Salida was gevestigd in Amsterdam. Directeur was G.Y.C. Fraser. Haar domicilie was te Padang. Het doel van de vennootschap was de verkrijging en exploitatie van de door de Mijnbouwmaatschappij Salida aangevraagde concessie tot ontginning van goud, zilver, koper en loodhoudende delfstoffen in een terrein gelegen in de assistent-residentie Palinan. Men nam alle door de Mijnbouwbouwmaatschappij Salida aangelegde werken, wegen en gebouwen, de door haar verworven terreinen en de haar toebehorende machines, gereedschappen, voorraden, ertsen en meubels over. De vennootschap werd aangegaan voor de tijd van 75 jaar. Het maatschappelijk kapitaal werd bepaald op f 2.100.000,- verdeeld in 1500 aandelen A en 600 aandelen B. Kort na de dood van Van den Bossche werd de Mijnbouwmaatschappij Tambang Salida wegens gebrek aan winst geliquideerd.
Even weinig rendement zou de steenkoolmaatschappij Oost-Borneo opleveren, die mede door Van den Bossche werd opgericht in Amsterdam op 14 maart 1884. Het maatschappelijk kapitaal was bepaald op f 288.000, verdeeld in 120 aandelen van f 2400,-. Van den Bossche wist van de vorsten in Koetei belangrijke concessies te verwerven, zodat men kon hopen dat men tegen concurrerende prijzen steenkool kon winnen. De opbrengst was echter te gering om voor de maatschappij de geplande levensduur van 75 jaar te garanderen.
Zijn talrijke ondernemingen noopten Van den Bossche tot meerdere reizen naar de koloniën. Tijdens een van deze reizen overleed hij op 12 januari 1889 bij Aden aan boord van de Franse mailboot "Djemnah"op weg naar Batavia

Levensloop van E.M. Francis (1789-1880)

Emanuael M. Francis werd geboren op 7 maart 1798 uit Engelse ouders te Alapé bij Cochin (Kust van Malabar). Hij trad op jeugdige leeftijd in Britse zeedienst, ging in 1815 tijdens het Engelse tussenbestuur over in burgerlijke dienst op Java, en bij het herstel van het Nederlands gezag in Nederlandse dienst. In ondergeschikte rang werd hij toegevoegd aan verschillende gouvernementscommissarissen (in 1821 Borneo, in 1823 Palembang en Billition en in 1824 Zuid-Celebes) In 1825 werd hij benoemd tot assistent-resident; in 1831 tot commissaris voor Timor, in 1832 voor West-Borneo; in 1833 kreeg hij de rang van adjunct-commissaris voor de Buitenbezittingen. In 1834 trad hij op als resident van Sumatra's Westkust; in 1838 als resident van Rembang; in 1839 van Madiun. Na een verlof naar Europa werd hij in 1846 commissaris voor Menado en 1848 inspecteur van financiën; drie jaar later verliet hij 's-lands dienst en werd hij benoemd tot directeur van de Javasche Bank, welke betrekking hij gedurende twaalf jaren bekeeldde. Hij vestigde zich daarna te Delft. Het Djatigesticht te Batavia, bestemd voor hulpbehoevende en verwaarloosde kinderen, dank zijn ontstaan aan het initiatief van Francis. Hij overleed op 3 september 1880 in Delft

Geschiedenis van het archiefbeheer

In 1972 vond de overdracht plaats van 0,1 meter archivalia aan het Algemeen Rijksarchief in de vorm van een schenking. Deze stukken waren afkomstig van het Nederlands Economisch-Historisch Archief [NEHA] in den Haag. De verzameling had geen herkenbare structuur.
Zie: correspondentie Algemeen Rijksarchief, Tweede Afdeling, 1973 D 13.4
Schenking (van een niet overheidsarchief)